Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:941

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
C/16/363519 / FT RK 14/467
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moratoriumverzoek (art. 287b Fw) afgewezen. Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat de wetgever de voorziening van het moratorium ex art. 287b Fw heeft gecreëerd om het minnelijk traject te versterken. In casu is nog geen begin gemaakt met het minnelijk traject maar zit verzoekster nog in de zogenaamde ‘stabilisatiefase’, waarbij het inkomen (nog) niet is afgestemd op de uitgaven. De gevraagde voorziening is niet bedoeld om deze (aan het minnelijk traject voorafgaande) stabilisatiefase te ondersteunen. Verzoek wordt op die grond afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/363519 / FT RK 14/467

uitspraakdatum: 27 februari 2014

uitspraak op grond van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw)

(“verzoek moratorium”)

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoekster],

geboren op [1974]te [geboorteplaats], wonende [adres], [woonplaats],

hierna: [verzoekster].

[verzoekster] heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Fw. Op dit verzoek is [verzoekster] gehoord ter terechtzitting van 26 februari 2014. Hierbij is de heer [naam], schuldhulpverlener van [verzoekster], eveneens aanwezig geweest.

Laatstgenoemd verzoek is gericht tegen Woningbouwvereniging Lopik, kantoorhoudende te Lopik, vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarders Kantoor Visser (hierna: de verhuurder).



1.Het verzoek

[verzoekster] verzoekt het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw, hetgeen inhoudt dat zij vraagt om een verbod voor de verhuurder om gedurende 6 maanden het vonnis van deze rechtbank van 22 januari 2014 ten uitvoer te leggen. In dat vonnis is (kort gezegd) de huurovereenkomst tussen de verhuurder en [verzoekster] ontbonden en is [verzoekster] veroordeeld tot het betalen van de huurachterstand, de rente over de huurachterstand, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, het geheel vastgesteld op € 2.656,42, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 1.766,61 vanaf 12 december 2013 tot de dag van voldoening. Daarnaast is [verzoekster] veroordeeld tot het betalen van € 494,80 voor elke maand of gedeelte van een maand gelegen tussen 31 december 2013 en de daadwerkelijke ontruiming. Op grond van het vonnis heeft de verhuurder de ontruiming aangezegd voor 5 maart 2014.

[verzoekster] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij poogt een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens [verzoekster] noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.

2 Het verweer

De verhuurder heeft bij faxbericht van 26 februari 2014 aan de rechtbank laten weten dat zij niet ter zitting zal verschijnen en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. De verhuurder heeft voor het overige geen verweer gevoerd. Wel heeft de verhuurder in de betreffende fax de rechtbank ervan in kennis gesteld dat haar vordering op grond van het vonnis van 22 januari 2014, berekend tot en met februari 2014, € 3.651,88 bedraagt. Daarbij heeft de verhuurder ook laten weten dat reeds eerder op 11 april 2012 een vonnis inzake huurachterstand van [verzoekster] is gewezen. Het onvoldaan gebleven deel van de vordering van de verhuurder op grond van dat laatstgenoemde vonnis bedraagt per 26 februari 2014 nog

€ 304,44.

3 Beoordeling

Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat de wetgever de gevraagde voorziening heeft gecreëerd om het buitengerechtelijk traject te versterken en om verzoeker de gelegenheid te geven om de goede trouw meer gefundeerd te laten blijken. De Minister van Justitie heeft het als volgt verwoord: “(…) artikel 287b (biedt) een grondslag voor een voorlopige voorziening met een andere strekking, namelijk het bereiken van een soort adempauze die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken c.q. af te ronden. (…) Daarnaast heeft de schuldenaar gedurende die periode de gelegenheid zijn goede trouw meer gefundeerd te laten blijken, zodat de rechter mede op basis van het verslag van artikel 287b, zesde lid, na afloop beter kan beslissen over een dwangakkoord of over toelating tot de schuldsaneringsregeling, indien dat nog nodig is.” (Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C, p. 5).

Ter zitting is gebleken dat de schuldhulpverlener nog geen begin heeft gemaakt met het minnelijk traject. Ten behoeve van [verzoekster] is beschermingsbewind aangevraagd maar nog niet ingesteld. De schuldhulpverlener heeft verklaard dat met het minnelijk traject gewacht wordt totdat het aangevraagde beschermingsbewind in praktisch opzicht goed verloopt. [verzoekster] bevindt zich derhalve nog steeds in de fase waarin het inkomen moet worden afgestemd op de uitgaven (de zogenaamde ‘stabilisatiefase’), dit ondanks de omstandigheid dat zij volgens haar verklaring reeds sinds 2011 hulp heeft van schuldhulpverlening. Ter zitting is onvoldoende vast komen te staan dat haar inkomen, mede als gevolg van diverse inkomensbeslagen, toereikend is om de vaste lasten te kunnen voldoen. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat sinds het vonnis van 22 januari 2014 de vordering van de verhuurder kennelijk is opgelopen van € 2.656,42 (vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 1.766,61 vanaf 12 december 2013, derhalve circa € 13,25) tot € 3.651,88.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment de gevraagde voorziening niet gegeven kan worden. Een aan het minnelijk traject voorafgaand stabilisatietraject is immers niet gelijk te stellen met het minnelijk traject zelf. In het onderhavige geval zou toewijzing van de voorziening uitsluitend dienen om het stabilisatietraject te ondersteunen terwijl de voorziening daarvoor niet is bedoeld.

[verzoekster] heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering wenst te handhaven. Op dat verzoek zal bij afzonderlijk vonnis worden beslist.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op

3 maart 2014.