Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:904

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2014
Datum publicatie
24-03-2014
Zaaknummer
2028161 UC EXPL 13-5457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Artikel 7:962 lid 3 BW; uitleg. Subrogatie. Zoon heeft, rijdend zonder rijbewijs, de auto van zijn vader beschadigd. In de polisvoorwaarden is dekking uitgesloten wanneer de bestuurder geen rijbewijs had.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 962
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2015/105
JA 2014/86
NTHR 2014, afl. 3, p. 170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2028161 UC EXPL 13-5457 nig/4123

Vonnis van 12 maart 2014

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. W.J.A. Wichers Hoeth te Zwolle,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen ASR,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. S.C. Banga te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juni 2013;

  • -

    de brief met producties van [eiser] van 7 oktober 2013;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 22 oktober 2013 en de aantekeningen van de griffier.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 19 maart 2010 is [eiser] gaan rijden in de Jaguar van zijn vader. [eiser] was toen 18 jaar oud. Hij had geen rijbewijs en zijn ouders hadden hem geen toestemming gegeven om de auto te gebruiken.

2.2.

Na ongeveer drie kwartier raakte [eiser] in de gemeente Warnsveld van de weg. Hij schoot door de afrastering van een weiland heen en belandde met de auto in een weiland. De auto werd beschadigd, evenals de afrastering van het weiland.

2.3.

Vader [benadeelde] had voor de auto een verzekering bij ASR (wettelijke aansprakelijkheid met beperkt casco). ASR heeft de schade vergoed.

2.4.

Op 18 juni 2010 heeft ASR aan [eiser] meegedeeld dat zij de schade op hem wenste te verhalen:

Wij hebben het recht de aan onze verzekerde en de benadeelde uitgekeerde schades op u te verhalen. U heeft zonder toestemming daarvoor te hebben gekregen, en zonder in het bezit te zijn van een wettelijk voorgeschreven geldig rijbewijs, de sleutels van de auto van onze verzekerde meegenomen, bent vervolgens met de auto gaan rijden en heeft hierbij schade veroorzaakt aan zowel de auto als eigendommen van de benadeelde.

ASR heeft de totale schade begroot op € 11.213,74 (€ 10.076,89 betaald aan vader [benadeelde], € 1.000 aan de eigenaar van het weiland en € 136,85 aan expertisekosten). [eiser] heeft € 10.713,14 aan ASR betaald (volgens ASR € 10.713,74). Van de schade aan het weiland heeft hij slechts de helft betaald.

2.5.

[eiser] vordert nu betaling van € 10.713,14 met rente en kosten. Hij stelt dat hij onverschuldigd betaald heeft, omdat ASR geen vordering op hem had. Hij beroept zich daarvoor op artikel 7:962 lid 3, de eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder stelt hij dat ASR een zorgplicht geschonden heeft, dan wel dat zij onrechtmatig gehandeld heeft, door hem niet te informeren over het feit dat zij geen vordering op hem had.

2.6.

In artikel 7:962 BW is het volgende bepaald.

1. Indien de verzekerde terzake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar over voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. (…)

3. De verzekeraar krijgt geen vordering op de verzekeringnemer, een mede-verzekerde, de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de geregistreerde partner van een verzekerde, de andere levensgezel van een verzekerde, noch op de bloedverwanten in de rechte lijn van een verzekerde, op een werknemer of de werkgever van de verzekerde, of op degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde. Deze regel geldt niet voor zover zulk een persoon jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te rekenen.

2.7.

[eiser] betwist niet dat hij onrechtmatig gehandeld heeft tegenover zijn vader (als eigenaar van de auto) en tegenover de eigenaar van het weiland. Zij hebben daardoor schade geleden, waarvoor [eiser] aansprakelijk is. ASR heeft deze schade vergoed. Daarom heeft ASR op grond van artikel 7:962 lid 1 BW in beginsel het recht deze schade op [eiser] te verhalen (subrogatie). [eiser] is echter de zoon van vader [benadeelde], de verzekeringnemer. Daarom is dit verhaal op grond van lid 3 uitgesloten, tenzij de uitzondering van de tweede zin van die bepaling zich voordoet. Het verschil van mening betreft de vraag of dat laatste het geval is.

2.8.

ASR wijst op de Bijzondere Voorwaarden Personenautoverzekering Casco Beperkt, die op de verzekering van toepassing zijn:

Artikel 8 Aanvullende uitsluitingen

Naast de uitsluitingen die in de Algemene Voorwaarden zijn opgenomen, gelden de volgende bepalingen.

Wij verlenen geen dekking voor schade die is ontstaan:

(…)

3. Rijbewijs

als de feitelijke bestuurder niet in het bezit is van een geldig wettelijk voorgeschreven rijbewijs voor de personenauto, met de eventueel daaraan gekoppelde aanhanger. (…)

Artikel 9 van de Bijzondere Voorwaarden Personenautoverzekering Aansprakelijkheid bevat een gelijkluidende bepaling.

2.9.

ASR beroept zich daarnaast op artikel 8 lid 8 Bijzondere Voorwaarden Personenautoverzekering Casco Beperkt, waar de dekking wordt uitgesloten door onder meer joyriding, wanneer de auto niet was voorzien van een antidiefstalsysteem dat aan bepaalde voorwaarden voldoet. Over de aan- of afwezigheid van een antidiefstalsysteem is in deze procedure echter niets gesteld, zodat de kantonrechter deze bepaling buiten beschouwing laat.

2.10.

Vast staat dat [eiser] de auto bestuurde zonder dat hij een rijbewijs had. De vraag is of dit tot gevolg heeft dat de mogelijkheid van verhaal herleeft. Dat hangt af van de precieze betekenis van de tweede zin van artikel 7:962 lid 3 BW. Volgens [eiser] moet die zin zo gelezen worden dat de mogelijkheid van verhaal alleen herleeft als hij aansprakelijk zou zijn jegens zijn vader op grond van dezelfde omstandigheid waarop ASR de uitsluiting van dekking zou baseren. Dat is hier niet het geval. Volgens hem is hij jegens zijn vader aansprakelijk:

omdat eiser (aan de auto van) zijn vader schade heeft berokkend door zonder toestemming met die auto te gaan rijden en die auto vervolgens “in het weiland te parkeren.”. Eisers aansprakelijkheid jegens zijn vader berust niet op het niet beschikken over een geldig rijbewijs; zou eiser immers wel over een geldig rijbewijs hebben beschikt dan zou dat aan zijn aansprakelijkheid niets afdoen.

2.11.

ASR leest de zin zo dat de mogelijkheid van verhaal herleeft, voor zover [eiser] jegens zijn vader aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan vader zou zijn toe te rekenen, dat wil zeggen: als de vader voor deze schade zelf in deze situatie geen recht op uitkering gehad zou hebben. Volgens ASR is de mogelijkheid van verhaal op die grond herleefd, doordat [eiser] de schade veroorzaakt heeft terwijl hij de auto bestuurde zonder een geldig rijbewijs te hebben. Wanneer de vader zelf het ongeluk veroorzaakt had zonder dat hij een rijbewijs had, zou hij immers ook geen recht op een uitkering gehad hebben.

2.12.

In de Memorie van Toelichting (Parlementaire geschiedenis Boek 7, titel 17 BW, bladzijde 202) wordt de tweede zin van lid 3 als volgt toegelicht:

De tweede zin heft de uitsluiting weer op indien hun aansprakelijkheid uit bijzondere omstandigheden voortvloeit. Het criterium hiervoor is een vergelijking met de positie van de verzekerde zelf: zou deze op grond van wet of overeenkomst zijn recht op uitkering door zo’n omstandigheid geheel of ten dele hebben verspeeld, dan is in zoverre ook de subrogatie niet uitgesloten. Een sprekend voorbeeld vormt artikel 7.17.2.9: veroorzaakt een der in de eerste zin genoemde personen de schade door opzet of grove schuld, dan is op hem ook subrogatie toegelaten. (…)

2.13.

In de toelichting bij de eerste Nota van Wijziging, Parlementaire geschiedenis Boek 7, titel 17 BW, bladzijde 203, wordt een zelfde toelichting gegeven:

De mogelijkheid om op de in het derde lid genoemde personen verhaal te nemen herleeft ingevolge de tweede zin daarvan indien deze personen jegens de verzekerde aansprakelijk zijn wegens een omstandigheid die, zo zij aan de verzekerde zelf was toe te rekenen, aan diens recht op verzekeringsuitkering afbreuk zou hebben gedaan. De mogelijkheid van verhaal herleeft derhalve indien de verzekerde zelf in die situatie zijn recht op uitkering zou hebben verspeeld. (…)

2.14.

Hierbij kan worden opgemerkt dat in de parlementaire geschiedenis de vraag of de schade veroorzaakt is door opzet of roekeloosheid kennelijk niet van doorslaggevend belang geacht wordt. Dat wordt genoemd als voorbeeld van een situatie waarin de verhaalsmogelijkheid zou herleven, niet als voorwaarde.

2.15.

De wetsgeschiedenis wijst er dus op dat de uitzondering niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat het verhaalsrecht alleen zou herleven wanneer de aansprakelijkheid gegrond zou zijn op precies dezelfde omstandigheid als de uitsluiting van dekking. Die beperkte uitleg zou tot het resultaat leiden dat ASR de schade moet dragen die [eiser], rijdend zonder rijbewijs, veroorzaakt heeft, terwijl zij de dekking voor schade veroorzaakt door een bestuurder zonder rijbewijs juist expliciet heeft uitgesloten. De kantonrechter ziet onvoldoende rechtvaardiging voor zo’n uitleg.

2.16.

De conclusie luidt dat de tweede zin van artikel 7:962 lid 3 BW zo gelezen moet worden dat de mogelijkheid van verhaal herleeft indien de verzekerde zelf in die situatie zijn recht op uitkering zou hebben verspeeld. Aangezien vader[benadeelde] zelf geen recht op uitkering gehad zou hebben gehad wanneer hij had gereden zonder geldig rijbewijs, heeft ASR dus het recht om de schadevergoeding die zij betaald heeft aan vader [benadeelde] en aan de eigenaar van het weiland te verhalen op [eiser]. Zij heeft dus ook geen zorgplicht geschonden door hem niet mee te delen dat hij dat niet hoefde te betalen, en zij heeft daardoor evenmin onrechtmatig gehandeld. [eiser] heeft deze bedragen niet onverschuldigd betaald.

2.17.

Met betrekking tot de expertisekosten is niet toegelicht waarom [eiser] dit bedrag onverschuldigd betaald zou hebben. De kantonrechter hoeft daarop dan ook niet in te gaan.

2.18.

De vordering zal daarom worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 300,00). De nakosten, waarvan ASR betaling vordert, zullen worden begroot op de in kantonzaken gebruikelijke wijze.

3 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ASR, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

veroordeelt [eiser], voor het geval hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door ASR volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2014.