Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:801

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
2646543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/70
AR-Updates.nl 2014-0237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2646543 UE VERZ 13-929 HH/4182

Beschikking van 5 maart 2014

inzake

de stichting

[verzoeker] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [verzoeker],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. C.E.G. Koopman,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. C. van der Steen.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de pleitnota van [verzoeker],

  • -

    de mondelinge behandeling op 4 februari 2014 waarvan aantekening is gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is een organisatie die zich richt op het verzorgen van kinderopvang middels de exploitatie van kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang locaties en een gastouderbureau. De dienstverlening van [verzoeker] wordt verricht op de verschillende bedrijfsvestigingen waar ofwel buitenschoolse opvang (BSO), ofwel kinderdagopvang (KDV) verzorgd wordt. Op het Centraal Bureau van [verzoeker] worden de functies voor het coördineren en ondersteunen van de werkzaamheden ten behoeve van de overige bedrijfsvestigingen (directie, kindplanning, personele zaken, ICT, facilitair beheer en financiële administratie) uitgevoerd.

2.2.

Vanaf 2012 heeft [verzoeker] twee keer een reorganisatie doorgevoerd. Per juli 2013 heeft zij nog 198 personen (109 fte) in dienst.

2.3.

Op 3 juli 2013 heeft [verzoeker] haar Ondernemingsraad om advies verzocht voor een derde reorganisatie waarbij 21,2 fte (in totaal 44 werknemers) zullen worden ontslagen.

In de adviesaanvraag staat met betrekking tot het uitvoeringsplan onder meer het volgende:

“(…)

Bij een vermindering van de kindbezetting dient de personeelsbezetting te worden aangepast. Hiertoe is besloten door een vacaturestop en het niet verlengen van bepaalde tijd contracten. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk.

Naast een aanpassing in de personele bezetting conform leidster/kind ratio bepalen we nader wat minimaal nodig is aan overhead om de dienstverlening te continueren. Als we niets doen kunnen we de werkgelegenheid voor de overige medewerkers niet borgen. De vraagvermindering is structureel van aard.

(…)

De Functie Locatieleidster

Vermindering van het aantal pedagogisch medewerkers heeft gevolgen voor de span of control van de locatieleiders. De structurele lagere kindbezetting leidt tot sluiting en/of samenvoegen van groepen. De uren van locatieleiders zijn afgestemd op aantal medewerkers, groepen en locaties. Een locatieleider met veel uren kan ook meerdere locaties aansturen, ook als dit een kinderdagverblijf betreft. Op basis hiervan kan de formatie van II teruggebracht worden met 2,2 FTE. De ontslagvolgorde is naar het afspiegelingsbeginsel onder locatieleiders. De locaties worden herverdeeld over de resterende locatieleiders. Bij de herverdeling wordt rekening gehouden met drie punten:

Aantal uren van de medewerker, de competenties van die medewerker en de rust op de locatie. Daarnaast zijn een aantal taken te (her)verdelen onder locatieleiders. Taken die reeds bij locatieleiders liggen of nieuwe taken die vrij komen zoals beheer intranet of coördineren van de flexpool. Dit wordt met de II afgesproken. (…)”

2.4.

De Ondernemingsraad heeft op 28 augustus 2013 en 12 september 2013 een negatief advies gegeven, tenzij er een sociaal plan wordt overeengekomen met de vakbonden.

2.5.

Op 10 juli 2013 heeft [verzoeker] een melding collectief ontslag gedaan bij de vakbond ABVAKABO/FNV en op dezelfde datum bij het UWV WERKbedrijf (hierna UWV).

2.6.

[verzoeker] heeft ten aanzien van de reorganisatie een Sociaal Plan opgesteld, ter zake waarvan zij overleg heeft gevoerd met de Ondernemingsraad en de vakbonden. Aangezien [verzoeker] en de vakbonden niet tot overeenstemming zijn gekomen over het Sociaal Plan, heeft [verzoeker] haar Sociaal Plan eenzijdig afgekondigd.

2.7.

Op 26 september 2013 heeft [verzoeker] bij het UWV uiteindelijk ten behoeve van negen van haar werknemers, waaronder [verweerder], een ontslagaanvraag ingediend. Een aantal werknemers is intern herplaatst en met een aantal werknemers is voorafgaand aan het UWV-traject een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.

2.8.

Het UWV heeft in haar beslissing met betrekking tot [verweerder] geweigerd toestemming te verlenen om de arbeidsverhouding met haar op te zeggen. Voor twee andere werknemers zijn wel ontslagvergunningen verstrekt. Met betrekking tot de overige zes werknemers waarvoor een ontslag aanvraag is ingediend, is gedurende het UWV-traject een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen omtrent uitdiensttreding dan wel herplaatsing in deeltijd.

2.9.

Uit de beslissing op de ontslagaanvraag van [verweerder] van het UWV blijkt dat het UWV geen reden heeft gezien om te twijfelen aan de bedrijfseconomische noodzaak tot het treffen van maatregelen, waaronder het aanpassen van de personeelsbezetting. De beslissing luidt verder onder meer als volgt:

“(…)

Het verweer van werknemer dat afgespiegeld moet worden over de gehele organisatie vinden wij niet overtuigend. Dat dezelfde diensten worden aangeboden en er sprake is van dezelfde doelgroep doet niet af aan het bovenstaande. Iedere vestiging heeft zijn eigen klantenkring/ouders/kinderen en een eigen oudercommissie. Ook blijkt onder meer uit de stukken dat er sprake is van een locatieleider op de vestiging, die de vestiging aanstuurt. Het geheel overziend vinden wij dat aannemelijk is geworden dat de bedoelde bedrijfsvestigingen als zelfstandig organisatorisch verband optreden in de maatschappij. Ook de stelling van werknemer dat er regelmatig uitwisseling van personeel plaatsvindt, overtuigt ons niet. U heeft de locaties waarbij dit gebeurt immers samengevoegd. Deze worden gezien als één bedrijfsvestiging. Werknemer licht haar standpunt verder niet toe.

Overigens heeft u de functie van werknemer, locatieleider, wel afgespiegeld over de gehele organisatie en niet over de genoemde bedrijfsvestiging KDV Abcoude. Op grond van de ter beschikking staande gegevens kunnen wij niet concluderen dat u het afspiegelingsbeginsel voor deze functie correct heeft toegepast. Het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast per bedrijfsvestiging. U heeft niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat in dit geval de gehele organisatie gezien moet worden als een bedrijfsvestiging. Wel meldt u dat de aansturing van de bedrijfsvestigingen, gelet op de competenties van de locatieleiders en hun arbeidstijd, wordt herverdeeld over de resterende locatieleidsters. Wij kunnen begrijpen dat u argumenten heeft waarbij uw onderneming organisatorisch is gebaat, maar deze argumenten geven geen uitsluitsel over de afwijking van de bedrijfsvestiging waarover wordt afgespiegeld. Daar komt bij dat u meldt dat werknemer werkzaam is bij KDV Abcoude en dat in de brief van UWV d.d. 16 maart 2012, waarnaar u verwijst, spreekt van een eigen vestigingsmanager om aan te duiden dat de locaties gezien moeten worden als zelfstandige bedrijfsvestigingen. We kunnen dan ook niet vaststellen dat u volgens het afspiegelingsbeginsel de juiste werknemer heeft voorgedragen voor ontslag.

(…)”

2.10.

[verweerder], geboren op[1975], is op 1 maart 2007 in dienst van [verzoeker] getreden. Na een jaar is haar arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd omgezet in een overeenkomst voor bepaalde tijd. Haar laatste functie was locatieleidster op de bedrijfsvestiging KDV Abcoude voor 28 uur per week. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 2.022,23 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2.11.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Kinderopvang van toepassing.

2.12.

[verweerder] is sinds 26 augustus 2013 arbeidsongeschikt.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verandering van omstandigheden, meer in het bijzonder bedrijfseconomische omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding. Zij voert daartoe het volgende aan.

3.2.

Volgens [verzoeker] is sinds 2012 de vraag naar kinderopvang sterk afgenomen. Aan het eind van 2014 zal de vraag naar verwachting met ongeveer 30% zijn afgenomen ten opzichte van begin 2012, aldus [verzoeker]. Als redenen voor deze afname worden genoemd de afname van het aantal geboortes, de economische crisis en de bezuinigingen van het Rijk die tot een verlaging van de kinderopvangtoeslag hebben geleid. [verzoeker] heeft gesteld dat ook bij haar de kindbezetting sterk terugloopt dat en de omzet daalt. Volgens de meest recente prognose zal de daling van de kindbezetting van de KDV over de periode januari 2013 tot januari 2015 42% zijn en van de BSO over de periode januari 2013 tot januari 2015 5%, aldus [verzoeker]. Volgens [verzoeker] zal door de dalende opbrengsten het bedrijfsresultaat over het jaar 2013 uitkomen op een verlies van

€ 380.815,00, en zal, als geen aanvullende maatregelen worden genomen, ook het resultaat over 2014 verder verslechteren en het eigen vermogen verder afnemen. Ter nadere onderbouwing heeft [verzoeker] de jaarrekening 2010, 2011 en 2012, alsmede de voorlopige winst- en verliesrekening 2013 en de begroting 2014, zonder aanvullende maatregelen, overgelegd.

3.3.

[verzoeker] heeft verder gesteld dat zij vanaf 2012 al verschillende maatregelen genomen heeft die hebben geleid tot kostenbesparing. Zij heeft er op gewezen dat begin 2012 een eerste reorganisatie is doorgevoerd waarbij drie werknemers gedwongen zijn ontslagen, waarvoor zij een positief advies van de Ondernemingsraad had verkregen en een Sociaal Plan met de vakbonden had gesloten. Ook in 2013 heeft een reorganisatie plaatsgevonden. In deze ronde zijn 38 werknemers gedwongen ontslagen, wederom na positief advies van de Ondernemingsraad en instemming van de vakbonden met het Sociaal Plan, aldus [verzoeker]. [verzoeker] heeft aangevoerd dat zij - uitgaande van de structureel teruglopende omzet en het geprognostiseerde verlies voor 2013 en 2014 - zonder verdere kostenreductie in 2014 niet meer aan haar betalingsverplichtingen zal kunnen voldoen en dat faillissement onvermijdelijk is.

3.4.

[verzoeker] is van mening dat sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie. Volgens [verzoeker] heeft zij bij de keuze om de arbeidsplaats van [verweerder] te laten vervallen, thans - conform de beslissing van het UWV - het afspiegelingsbeginsel per bedrijfsvestiging toegepast. [verzoeker] heeft aangegeven dat op deze vestiging sprake is van substantiële en structurele werkvermindering, waardoor een krimp heeft plaatsgevonden in de functie pedagogisch medewerker en de functie van locatieleider aldaar moet worden opgeheven. Omdat alleen [verweerder] op deze functie werkzaam is, is zij boventallig, aldus [verzoeker]. [verzoeker] heeft ter nadere onderbouwing aangevoerd dat zij is afgestapt van het beginsel van één locatieleider per bedrijfsvestiging en dat in de nieuwe organisatie de locatieleidster verschillende bedrijfsvestigingen aanstuurt en daardoor in wezen als een clusterleidster functioneert die onder de bedrijfsvestiging Centraal Kantoor valt. Volgens [verzoeker] zijn alle 11 locatieleidsters boventallig verklaard en is vervolgens via een omgekeerde afspiegelingsberekening, conform het beleid van het UWV, bepaald hoe de verminderde locatieleidster-uren in de nieuwe situatie verdeeld konden worden, waarbij gezien de nieuwe organisatiewijze nog formatieruimte bestaat voor 8 van de 11 locatieleidsters.

3.5.

Het ontbindingsverzoek houdt volgens [verzoeker] geen verband met enig (wettelijk) opzegverbod.

Het verweer

3.6.

Het verweer van [verweerder] strekt primair tot (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek en subsidiair, indien wordt ontbonden, tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de volgens artikel 3.6 van de CAO geldende opzegtermijn van twee maanden en met toekenning van een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure.

3.7.

[verweerder] heeft als haar verweer allereerst aangevoerd dat niet langer gesteld kan worden dat de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk is. Volgens [verweerder] heeft de derde reorganisatieronde feitelijk al plaatsgevonden zodat de gepresenteerde cijfers geen betrekking kunnen hebben op de actuele situatie. [verweerder] heeft gesteld dat de werkelijke kosten over 2013 (tot met oktober) minder hebben bedragen dan begroot en dat de opbrengsten iets voorlopen op hetgeen was begroot, zodat zelfs een positief resultaat is geboekt. Zij heeft daartoe een overzicht van de voor 2013 begrote lasten en baten van [verzoeker] en de werkelijke baten en lasten tot en met oktober 2013 overgelegd.

3.8.

[verweerder] heeft aangevoerd dat nu de situatie - nadat de ontslagvergunning is geweigerd - niet wezenlijk is gewijzigd en wederom niet inzichtelijk is gemaakt waarom juist de functie van [verweerder] zou moeten vervallen, het verzoek van [verzoeker] reeds op grond hiervan dient te worden afgewezen. [verweerder] heeft in dit verband verder gesteld dat omdat het verzoek gebaseerd is op bedrijfseconomische gronden de keuze voor het vervallen van de functie logischerwijs ook zou moeten samenhangen met de (bedrijfseconomische) resultaten van de vestigingen. Onvoldoende gebleken is, dat in de bedrijfsvestiging Abcoude de functie van locatieleidster moet komen te vervallen en niet in één van de andere vestigingen, aldus [verweerder]. Zij heeft gesteld dat de bedrijfsvestiging in Abcoude positief bijdraagt aan de bedrijfsresultaten.

Volgens [verweerder] is in verband met de toepassing van het afspiegelingsbeginsel bovendien opmerkelijk dat één van de locatieleidsters ontslag heeft genomen en dat het contract van een tijdelijke locatieleidster is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Nu daarnaast vanaf 1 december 2013 (de peildatum voor toepassing van het afspiegelingsbeginsel) een werkneemster is aangesteld als locatieleidster in Abcoude en er extra taken over de verschillende locatieleidsters zijn verdeeld, terwijl in de begroting 2014 voor de functie van locatieleidster 0,41 fte is opgenomen, is volgens [verweerder] de noodzaak voor het vervallen van haar functie van locatieleidster niet aangetoond.

[verweerder] heeft zich beroepen op de reflexwerking van het opzegverbod bij ziekte en heeft aangegeven dat zij wil re-integreren in haar eigen functie.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat genoegzaam vast dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met enig wettelijk opzegverbod. Voldoende gebleken is dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] los staat van de werksituatie en dat het onderhavige verzoek daarmee ook geen enkel verband houdt.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat er geen formeel of wettelijk beletsel bestaat om kennis te nemen van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer indien tevoren het UWV een ontslagvergunning voor diezelfde werknemer heeft geweigerd. Daarbij geldt dat de kantonrechter op geen enkele wijze gebonden is aan het oordeel van het UWV en wat zij daaraan ten grondslag heeft gelegd.

4.3.

Het verzoek van [verzoeker] is gegrond op bedrijfseconomische omstandigheden. Hoewel de kantonrechter niet rechtstreeks gebonden is aan het toetsingskader dat door het UWV wordt gehanteerd, zoals neergelegd in het BBA en de Beleidsregels Ontslagtaak UWV, neemt de kantonrechter die normen wel mede tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of zich een noodzaak voordoet voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst om een bedrijfseconomische reden. De kantonrechter is van oordeel dat behoudens bijzondere omstandigheden die in het onderhavige geval zijn gesteld noch gebleken, aan het Ontslagbesluit en de daarop gebaseerde Beleidsregels ontslagtaak UWV, reflexwerking toekomt in het geval een werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt op bedrijfseconomische gronden.

4.4.

De kantonrechter is - met het UWV - van oordeel dat uit de financiële stukken voldoende blijkt dat er bij [verzoeker] een noodzaak bestaat tot sanering van haar loonkosten, ter waarborging van de continuïteit van de onderneming.

Uit de overgelegde financiële gegevens blijkt genoegzaam dat vanaf 2012 de omzet van [verzoeker] aanzienlijk terugloopt en dat het bedrijfsresultaat over 2013 uitkomt op een verlies. Het beeld past bij de ingrijpende gevolgen die de economische crisis voor de kinderopvang in het geheel heeft. Er is bovendien geen vooruitzicht dat de zorgelijke financiële situatie van dit moment binnen afzienbare termijn substantieel zal verbeteren. [verweerder] heeft er nog op gewezen dat de door [verzoeker] gepresenteerde cijfers over 2013 geen betrekking hebben op de actuele situatie en dat als de werkelijke kosten over 2013 (tot met oktober) worden genomen deze minder waren dan begroot en dat bovendien de opbrengsten iets voorlopen op hetgeen was begroot, maar hieraan wordt voorbij gegaan. De kantonrechter acht met name van belang dat voldoende gebleken is dat onverkort sprake is van een verlies over 2013.

Op grond van voormelde omstandigheden is dan ook de conclusie gerechtvaardigd dat reden bestaat om tot kostenreductie te komen en daarmee dat het collectief ontslag gerechtvaardigd is. Als bij de vestiging Abcoude betere resultaten worden geboekt dan bij de andere vestigingen dan doet dat er niet aan noodzaak om de gehele organisatie te reorganiseren niet af.

4.5.

Partijen hebben voorts gedebatteerd over de vraag of [verzoeker] bij de beoordeling van de keuze van de voor ontslag voor te dragen locatieleidsters het afspiegelingsbeginsel correct heeft toegepast. Zoals hiervoor reeds is overwogen is de kantonrechter bij de beoordeling daarvan niet zonder meer gebonden aan de regels van het Ontslagbesluit, waardoor afwijking van het afspiegelingsbeginsel niet per definitie is uitgesloten, maar komt aan het Ontslagbesluit wel reflexwerking toe. Uitgangspunt is dus dat bij de beoordeling van het onderhavige verzoek tot ontbinding aan dezelfde materiële bepalingen moet worden getoetst als in de procedure bij het UWV. In artikel 4:1 lid 1 van het Ontslagbesluit is omtrent de toepassing van het afspiegelingsbeginsel bepaald, dat voor zover het bij de te vervallen arbeidsplaatsen om uitwisselbare functies gaat, per leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking worden gebracht. In de toelichting bij het Ontslagbesluit wordt het begrip ‘bedrijfsvestiging’ gedefinieerd als: ‘Elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband’. Bij het bepalen van de bedrijfsvestiging komt het er op aan dat enerzijds de ontslagbescherming wordt gewaarborgd (hetgeen meebrengt dat het gebied niet te klein mag zijn) en dat anderzijds wordt gewaakt tegen een onwerkbare uitkomst (wat meebrengt dat het gebied ook niet te groot moet zijn).

4.6.

Het geschil tussen partijen lijkt zich toe te spitsen op de vraag op welke wijze voor de functie van locatieleidster het gebied waarbinnen dient te worden afgespiegeld moet worden bepaald. Het UWV heeft aan de beslissing tot afwijzing van de toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen ten grondslag gelegd dat [verzoeker] het afspiegelingsbeginsel niet juist heeft toegepast, omdat zij de functie van [verweerder] afgespiegeld heeft over de gehele organisatie en niet over de bedrijfsvestiging Abcoude, terwijl zij niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat in dit geval de gehele organisatie gezien moet worden als bedrijfsvestiging. [verzoeker] heeft in deze procedure gesteld dat zij het afspiegelingsbeginsel - conform deze beslissing van het UWV - thans per bedrijfsvestiging heeft toegepast.

4.7.

De kantonrechter dient te toetsen of [verzoeker] voldoende heeft aangevoerd om aan te kunnen nemen dat zij met haar beslissing dat de functie van [verweerder] komt te vervallen op juiste wijze heeft gehandeld. Het argument dat zich geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan sinds de beslissing van het UWV is geen reden om die toetsing achterwege te laten. Daarvoor biedt de wet geen steun. Wanneer het bestaan van de ontbindingsprocedure voor de kantonrechter naast de procedure bij het UWV als onwenselijk wordt ervaren, is het aan de wetgever om hierin verandering te brengen.

4.8.

Bij de beoordeling wordt tot uitgangspunt genomen dat een werkgever een zekere mate van vrijheid heeft bij de inrichting van de bedrijfsvoering. Een ondernemer zal de geëigende beslissingen moeten kunnen nemen die nodig zijn voor een gezonde en doelmatige bedrijfsvoering. Daarnaast is er echter het belang van de werknemers bij behoud van hun baan en bij een evenwichtige en zorgvuldige ontslagprocedure. De vraag die voor ligt is of [verzoeker] met inachtneming van deze belangen, in redelijkheid tot de onderhavige reorganisatie, waarbij de functie van [verweerder] komt te vervallen, heeft kunnen komen.

4.9.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat de bedrijfseconomische redenen haar dwingen om de organisatiestructuur te wijzigen. Volgens [verzoeker] dient vanwege de terugloop van de kindbezetting het aantal pedagogisch medewerkers in omvang teruggebracht te worden en maakt deze krimp dat de functie van locatieleider op iedere vestiging moet worden opgeheven, dus ook op de vestiging Abcoude. De aansturing van de verschillende vestigingen dient herverdeeld te worden over de resterende locatieleiders, waarbij de functies van locatieleiders worden ondergebracht op het Centraal Kantoor, aldus [verzoeker]. In de adviesaanvraag aan de Ondernemingraad heeft [verzoeker] deze noodzakelijk geachte wijziging ook uitvoerig uiteengezet. Daarbij heeft zij vermeld dat een locatieleider met veel uren ook meerdere locaties kan aansturen en dat op basis daarvan de formatie teruggebracht kan worden met 2,2 FTE.

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] - in het licht van hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd - geen steekhoudende argumenten aangevoerd tegen de wijziging van de organisatiestructuur op de door [verzoeker] voorgestane wijze. Het bezwaar van [verweerder] richt zich er op dat de bedrijfsvestiging Abcoude goed draait en dat om die reden niet duidelijk is waarom op deze vestiging de functie van locatieleider moet komen te vervallen. Als één vestiging goede resultaten boekt hoeft dit er niet zonder meer toe te leiden dat er geen noodzaak is voor een reorganisatie waarbij ook deze vestiging betrokken is. De kantonrechter acht voorts van belang dat gebleken is dat de onderlinge afstand van de verschillende locaties gering is en dat de locatieleidsters onderling uitwisselbaar zijn. Onder deze omstandigheden kan een wijziging in de organisatie waardoor de leiding van de verschillende locaties vanuit het Centrale Kantoor plaatsvindt niet als onredelijk worden aangemerkt. Niets had er aan in de weg gestaan dat de leidinggevende taken al langere tijd op deze wijze waren georganiseerd. Bovendien is gebleken dat de ondernemingsraad op dit onderdeel niet negatief heeft geadviseerd, als maar een Sociaal Plan wordt overeengekomen met de vakbonden.

4.11.

Gelet op het uitgangspunt dat er een zekere mate van beleidsvrijheid is voor een ondernemer, alsmede in aanmerking genomen dat voldoende gebleken is dat bedrijfseconomische redenen [verzoeker] dwingen om zo te reorganiseren dat de functie van de locatieleider voortaan uitgeoefend wordt op Centraal Kantoor waardoor alle locatieleiders boventallig worden, kan naar het oordeel van de kantonrechter worden aangenomen dat [verzoeker] in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen dat de arbeidsplaats van [verweerder] moet komen te vervallen. Als wordt afgespiegeld binnen de bedrijfsvestiging Abcoude leidt dit logischerwijs tot het einde van het dienstverband van [verweerder], nu [verweerder] daar de enige locatieleidster was.

4.12.

Ook bij een toetsing bedrijf breed kan het vervallen van de functie van [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter als redelijk worden aangemerkt. [verzoeker] heeft de verschillende bezwaren van [verweerder] op dit punt voldoende gemotiveerd weerlegd. [verzoeker] heeft een personeelsoverzicht overgelegd waarin per categorie uitwisselbare functies, waaronder de functie van locatieleidster, de daarin werkzame werknemers zijn ingedeeld naar leeftijdsgroepen. Op basis van dit overzicht is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk geworden dat de omstandigheid dat één van de locatieleidsters ontslag genomen heeft, geen verandering teweeg brengt in de leeftijdscategorie waarin [verweerder] valt, en dus geen gevolgen heeft voor haar positie. [verzoeker] heeft verder gesteld dat de omzetting van een tijdelijk contract van een locatieleidster in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zulks na de peildatum (1 december 2013), niet met zich brengt dat de toetsing niet juist zou zijn toegepast aangezien de omzetting gebaseerd is op een in maart 2013 gedane toezegging. Nu [verweerder] haar stellingen op dit punt vervolgens niet nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter er vanuit dat het afspiegelingsbeginsel ook op dit onderdeel op juiste wijze is toegepast.

4.13.

Aldus is voldoende aannemelijk gemaakt dat met in achtneming van het afspiegelingsbeginsel, zowel binnen de vestiging Abcoude als binnen de gehele organisatie, en andere redelijkerwijs te hanteren criteria, [verweerder] niet in aanmerking komt voor herplaatsing in enige andere functie binnen de organisatie van [verzoeker].

4.14.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een gewichtige reden, bestaande uit een verandering in de omstandigheden, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen. De verzochte ontbinding dient derhalve te worden toegewezen. Bepaald zal worden dat een opzegtermijn van twee maanden in acht dient te worden genomen.

4.15.

Ondanks dat [verzoeker] ter zake de reorganisatie een Sociaal Plan heeft opgesteld waarmee de Ondernemingsraad niet heeft ingestemd, en waarmee de vakbonden niet hebben ingestemd, zal de kantonrechter gezien alle omstandigheden van het geval een vergoeding toekennen overeenkomstig dit Sociaal Plan. De kantonrechter neemt in aanmerking dat sprake zal zijn van een onredelijke behandeling als [verweerder] een hogere vergoeding krijgt dan de andere werknemers die boventallig zijn verklaard in de derde reorganisatieronde. Verder wordt van belang geacht dat voldoende is gebleken dat [verzoeker] bij toewijzing van een vergoeding zeer negatief zal worden getroffen en dat het eigen vermogen (te) beperkt is.

4.16.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2014;

- kent aan [verweerder] ten laste van [verzoeker] geen vergoeding toe behoudens de vergoeding op grond van het Sociaal Plan;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.