Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:8

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
C-16-344184 - HL ZA 13-141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt drie vorderingen te hebben tot terugbetaling van geldleningen. De gestelde vorderingen zijn allen verjaard op grond van art. 3:307 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/344184 / HL ZA 13-141

Vonnis van 15 januari 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats 2],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. R.L. Beckers te Beverwijk.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 augustus 2013

  • -

    de akte houdende producties van 28 november 2013 van [eiser]

  • -

    de akte ter comparitie van 28 november 2013 van [gedaagden] c.s.

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde sub 1] (gedaagde sub 1) hadden vanaf 1 januari 2002 een vennootschap onder firma met de handelsnaam [handelsnaam]”. Op 1 oktober 2002 traden nog andere vennoten toe, waaronder[A], een zuster van [eiser].

2.2.

Op 1 september 2003 startten [eiser], [gedaagde sub 1] en [A] een tweede vennootschap onder firma genaamd “[bedrijfsnaam]”.

2.3.

[eiser] en [gedaagde sub 1] hebben hun samenwerking met betrekking tot beide vennootschappen beëindigd en hebben daartoe op 28 december 2006 beëindigingsovereenkomsten gesloten met betrekking tot beide vennootschappen.

2.4.

Ook op 28 december 2006 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] een schuldbekentenis opgesteld, waarin [gedaagde sub 1] heeft verklaard EUR 15.000,00 schuldig te zijn aan [eiser], waarin is bepaald dat [gedaagde sub 1] zal proberen zijn woning te verkopen en dat uit de opbrengst van deze verkoop de totale lening inclusief rente zal worden terugbetaald. Mocht de verkoop van de woning en daarmee de terugbetaling niet voor 1 juli 2009 lukken, dan zal de lening vanaf 1 juli 2009 in maandelijkse termijnen worden afgelost.

2.5.

Bij brief van 25 maart 2009 aan [gedaagde sub 1] heeft [eiser] voor zover van belang geschreven:

“Op 10 maart jl. heb ik U schriftelijk verzocht mij informatie te verstrekken inzake de aflossing van uw lening en met name hoe de stand van zaken is met de verkoop van uw pand, aangezien dit bepaald hoe U de lening dient in te lossen.”

2.6.

Bij brief van 8 juni 2009 aan [gedaagde sub 1] heeft [eiser] voor zover van belang geschreven:

“Op 10 maart 2009 en 25 maart 2009 heb ik U schriftelijk verzocht mij informatie te verstrekken over de stand van zaken met betrekking tot de verkoop van uw woning.

Deze informatie heb ik nodig om te kunnen bepalen hoe U uw lening ad. € 19.505,27 per 1 juli 2009 dient in te lossen.

(…)

Ik verzoek U, indien nodig sommeer ik U mij binnen 1 week na dagtekening te informeren hoe U uw schuld gaat inlossen.”

2.7.

Op 6 maart 2012 heeft het Gerechtshof Leeuwarden arrest gewezen in een geschil tussen [eiser] en [gedaagde sub 1]. In die zaak vorderde [eiser] onder meer betaling van de onder 2.4 van de feiten genoemde lening, welke vordering is toegewezen. In deze procedure had [gedaagde sub 1] een reconventionele vordering ingesteld. Daarop had [eiser] op 24 maart 2010 voorwaardelijk, voor het geval de reconventionele vordering van [gedaagde sub 1] zou worden toegewezen, zijn eis in conventie vermeerderd in die zin dat [eiser] onder meer betaling van 3 leningen vorderde: € 5.000,00 d.d. 2 december 2005, € 10.000,00 d.d. 7 januari 2006 en € 2.500,00 d.d. 23 januari 2006.

Het Hof overwoog:

“In de tweede plaats richt het incidentele beroep zich tegen de afwijzing van vorderingen van [eiser] terzake van drie aan [gedaagde sub 1] verstrekte geldleningen tot een totaal bedrag van € 17.500,00 (…), waarmee [eiser] zijn eis in conventie bij akte van 24 maart 2010 had vermeerderd “uitsluitend en voor zover de vorderingen van [gedaagde sub 1] in reconventie worden toegewezen.” Nu deze voorwaarde gelet op de afwijzing van de vorderingen in reconventie niet in vervulling is gegaan, behoeft dit deel van het incidenteel beroep geen bespreking.”

2.8.

Bij brief van 13 november 2012 van [eiser] aan[gedaagden] c.s. heeft [eiser] aanspraak gemaakt op terugbetaling van 3 leningen: € 5.000,00 d.d. 2 december 2005, € 10.000,00 d.d. 7 januari 2006 en € 2.500,00 d.d. 23 januari 2006.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert  samengevat - veroordeling van [gedaagden] c.s. tot betaling van € 17.500,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagden] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op 26 november 2013 is de akte ter comparitie van [gedaagden] c.s. toegezonden. [eiser] stelde ter comparitie dat deze akte laat is ingediend, maar dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het toelaten van de akte. De rechtbank overweegt dat in de akte een beroep wordt gedaan op verjaring, welk beroep [gedaagden] c.s. ook nog ter comparitie hadden kunnen doen. Nu [eiser] bovendien ter comparitie inhoudelijk heeft gereageerd op dit beroep op verjaring, is [eiser] niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank zal deze akte toestaan.

4.2.

[eiser] vordert betaling van [gedaagden] c.s. van € 17.500,00. Hij stelt daartoe dat hij 3 leningen aan [gedaagden]c.s. heeft verstrekt: € 5.000,00 d.d. 2 december 2005, € 10.000,00 d.d. 7 januari 2006 en € 2.500,00 d.d. 23 januari 2006.

4.3.

[gedaagden] c.s. erkennen de bedragen te hebben ontvangen, maar stellen dat dit betalingen waren voor werkzaamheden die [gedaagde sub 1] heeft verricht voor de verbouwing van 3 appartementen van [eiser]. [eiser] zei dat de betalingen op deze manier moesten, omdat zo voor de belasting niet zichtbaar was dat er inkomsten waren. [eiser] had de gewoonte om met bedragen te schuiven. [gedaagden] c.s. wijzen erop dat dit ook door [eiser] zelf wordt erkend, waar hij in de dagvaarding beschrijft hoe hij in korte tijd bedragen overboekt tussen de vof [handelsnaam] en de privé-rekening van [eiser] om het jegens de SNS-bank te doen voorkomen alsof de vof een extra omzet van € 315.000,00 had behaald om zo het krediet bij de bank zeker te stellen. [gedaagden] c.s. stellen voorts dat de vordering van [eiser] is verjaard.

4.4.

De rechtbank overweegt het volgende. De verjaring van een rechtsvordering wordt ingevolge art. 3:316 lid 1 gestuit door het instellen van een eis. Als evenwel de ingestelde eis om welke reden dan ook niet tot toewijzing leidt, wordt de stuiting geacht niet te hebben plaatsgevonden, tenzij binnen zes maanden een nieuwe eis wordt ingesteld die wel tot toewijzing leidt. Nu de door [eiser] bij akte van 24 maart 2010 voorwaardelijk ingestelde eis niet tot toewijzing heeft geleid en [eiser] niet binnen zes maanden een nieuwe eis heeft ingesteld, wordt de stuiting geacht niet te hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat de oorspronkelijke verjaringstermijn doorloopt.

De verjaringstermijn bedraagt 5 jaar. Deze termijn vangt ingevolge art. 3:307 lid 1 BW aan de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan de nakoming ingevolge art. 6:38 BW terstond worden gevorderd. De opeisbaarheid treedt dan onmiddellijk in. Voor de gevallen waarin de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden, is art. 3:307 lid 2 BW geschreven. [eiser] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat het geld zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een redelijke termijn zou worden terugbetaald. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat er geen sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, zodat de situatie van art. 3:307 lid 2 zich niet voordoet. [eiser] had na 2 december 2005, 7 januari 2006 en 23 januari 2006 de geldleningen kunnen opeisen, zodat de verjaringstermijn op grond van art. 3:307 lid 1 BW voor de laatste lening op 23 januari 2011 was afgelopen.

De onder 2.5 en 2.6 van de feiten genoemde brieven zijn niet gericht aan[gedaagde sub 2]. Zij is voor het eerst bij brief van 13 november 2012 aangeschreven, op welk moment de gestelde vorderingen jegens haar in ieder geval reeds waren verjaard. De vorderingen jegens [gedaagde sub 2] zullen dan ook worden afgewezen.

[eiser] stelt dat de onder 2.5 en 2.6 van de feiten genoemde brieven stuitingshandelingen betreffen terzake de onderhavige leningen. [gedaagden] c.s. hebben daartegen aangevoerd, dat deze brieven betrekking hadden op de lening zoals bedoeld in de onder 2.4 van de feiten genoemde schuldbekentenis, hetgeen ook blijkt uit het feit dat [eiser] deze brieven heeft overgelegd in de onder 2.7 van de feiten genoemde procedure juist ter onderbouwing van zijn stelling dat hij [gedaagde sub 1] aanmaningen had gestuurd voor de genoemde schuldbekentenis. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde processtukken blijkt, dat [eiser] de onder 2.5 en 2.6 genoemde brieven in de onder 2.7 genoemde procedure als producties 12 en 13 had overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij [gedaagde sub 1] aanmaningen had gestuurd voor de onder 2.4 genoemde schuldbekentenis. Dat deze brieven daarop betrekking hadden volgt tevens uit het feit dat in de brieven staat dat de verkoop van het pand bepaalt hoe de lening dient te worden afgelost en dat per 1 juli 2009 dient te worden afgelost, hetgeen overeenstemt met de inhoud van de schuldbekentenis. De brieven betreffen dan ook geen stuitingshandelingen terzake de in de huidige procedure door [eiser] gestelde leningen. Zoals uit de eerste alinea onder r.o. 4.4 volgt, wordt de stuiting bij akte van 24 maart 2010 geacht niet te hebben plaatsgevonden. [gedaagde sub 1] is voor het eerst bij brief van 13 november 2012 aangeschreven terzake deze leningen, op welk moment de vorderingen jegens hem waren verjaard. De vorderingen jegens [gedaagde sub 1] zullen dan ook worden afgewezen.

4.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 274,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.178,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] c.s. tot op heden begroot op € 1.178,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Jong-de Goede en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2014.