Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7699

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
16/655103-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander een vuurwapen voorhanden gehad. Uit de stukken blijkt dat hij en zijn medeverdachte ook met dat vuurwapen op straat in een woonwijk hebben geschoten. Zij waren hierbij onder invloed van (veel) alcohol.

Van de in verband hiermee tenlastegelegde poging doodslag is verdachte vrijgesproken, zoals ook door de officier van justitie gevorderd. Het dossier bevatte onvoldoende bewijs dat verdachte gericht had geschoten en dat de kans aanwezig was dat iemand het leven zou laten.

Daarnaast heeft verdachte ingebroken in een vrachtauto en geprobeerd daar goederen of voorwerpen mee te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/655103-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 01 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [1981] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door

mevr. mr. M. Tijseling, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair op 7 december 2013 samen met een ander heeft geprobeerd één of meer onbekende personen van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een vuurwapen één of meer schoten te lossen in de richting van een flat,

Subsidiair met die handelingen openlijk geweld heeft gepleegd;

Feit 2 op 7 december 2013 samen met een ander een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

Feit 3 op 7 december 2013 een politiecel onbruikbaar heeft gemaakt door daarin te plassen;

Feit 4 primair op 22 februari 2012 een ruit van een vrachtwagen heeft geforceerd en heeft geprobeerd goederen daaruit weg te nemen;

Subsidiair die vrachtwagen heeft beschadigd door die ruit te forceren;

Feit 5 op 7 december 2013 een valse naam heeft opgegeven.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair gerequireerd tot vrijspraak. Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 primair en 5 komt de officier van justitie tot een bewezenverklaring.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de feiten 1, 2 ,3, 4 primair en 5 vrijgesproken dient te worden. Zij heeft hiervoor het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1.

Er zijn veel getuigen die verklaren dat zij hebben gehoord dat er schoten werden afgevuurd, maar niet kan worden vastgesteld dat verdachte daarbij betrokken was.

Ten aanzien van feit 2.

Verdachte ontkent een vuurwapen te hebben weggegooid, nadat de verbalisanten hem in het zicht kregen. Er zijn ook geen vingerafdrukken van hem op het wapen aangetroffen, zodat ook voor dit feit vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van feit 3.

Het plassen in een cel is niet te kwalificeren als het vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken van die cel. Er is geen sprake van opzet hiertoe, ook niet in de voorwaardelijke vorm.

Ten aanzien van feit 4.

Verdachte ontkent dit feit. Mogelijk is er sprake van oud bloed. Nu geen sporen van cliënt zijn aangetroffen op het opengebroken raam of portier kan de poging diefstal niet wettig en overtuigend worden bewezen. Het subsidiaire, de vernieling, kan bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 5.

De verbalisanten hebben de gegevens van de broer van verdachte uit een document dat verdachte bij zich droeg gehaald. Verdachte ontkent zelf de identiteit van zijn broer te hebben opgegeven. Hij was bekend bij de politie en hij wist ook dat het geen zin zou hebben een valse identiteit op te geven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1

Vrijspraak van het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 3 ten laste gelegde

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw niet bewezen wat onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Aan verdachte wordt verweten dat hij de cel onbruikbaar heeft gemaakt door in die cel te plassen. Verdachte heeft verklaard dat hij meerdere malen aan de medewerkers van het cellencomplex heeft aangegeven dat hij moest plassen, maar dat hij daarvoor niet in de gelegenheid werd gesteld. Hij heeft toen geplast in een zak, waarna die zak kapot is gegaan.

De verklaring van verdachte vindt onderbouwing in een proces-verbaal van bevindingen waarin wordt gerelateerd dat in de cel van verdachte versnipperd papier lag, waaronder een gele vloeistof lag.

De rechtbank zal de verklaring van verdachte dan ook volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door in een zak te plassen geen opzet gehad op het onbruikbaar maken van de cel, zodat hij dient te worden vrijgesproken van dit feit.

4.3.2

Het oordeel over het onder feit 2 ten laste gelegde

Door verbalisant [verbalisant 1] wordt gerelateerd dat hij op 7 december 2013 te 06.04 uur van de meldkamer opdracht kreeg om te gaan naar de Rooseveltlaan, ter hoogte van Prins Clausbrug te Utrecht. Aldaar zou door 2 jongens geschoten zijn. Om 06.05 uur reed hij op Prins Clausbrug en zag hij twee mannen zijn richting op komen lopen. Hij reed op de mannen af en scheen met de koplampen op hen. Hij zag dat de man met de blauwe jas een schrikachtige beweging maakte en met één van zijn handen een donker voorwerp richting de groenstrook gooide. Beide mannen liepen door en hadden een flesje bier in hun handen. Hij hield hen staande en vroeg hen naar hun naam. Verdachte kon geen geldig identiteitsbewijs overhandigen. Verbalisant liep naar de plek waar hij verdachte een donkerkleurig voorwerp had zien gooien. Hij zag in de groenstrook een donkerkleurig vuurwapen, met een bruin handvat, met de loop in de grond.2 Het vuurwapen was droog, terwijl de directe omgeving nog nat was ten gevolge van regenbuien die nacht.3 Hierop zijn beide verdachten aangehouden. Even later hoorde verbalisant via de portofoon dat verbalisant [verbalisant 2] een patroon had gevonden op de Rooseveltlaan, een plek die hemelsbreed honderd tot honderdvijftig meter is van de locatie waar het vuurwapen is aangetroffen.4

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij zich op 7 december 2013 in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] bevond en rond 06.00 uur geschreeuw, gevolgd door twee knallen, hoorde. Ze keek naar buiten en had zicht op de parkeerplaats die hoort bij het flatgebouw aan de [straat] . Ze zag daar twee mannen op de parkeerplaats staan.

Eén van de mannen had een niet-westers uiterlijk, kort haar en was 30 à 40 jaar oud.5

In het dossier bevindt zich een plattegrond waarop de locaties worden aangegeven waar de verdachten zijn aangehouden, het vuurwapen is gevonden, de huls is gevonden en de parkeerplaats waarover getuige [getuige] spreekt.6

Het inbeslaggenomen vuurwapen betreft een wapen uit categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Op grond van artikel 26 lid 1 van deze wet is het verboden een zodanig wapen onbevoegd voorhanden te hebben.7

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar het aangetroffen vuurwapen en de huls. Het pistool heeft de opschriften en uiterlijke kenmerken van een semi-automatisch werkend pistool van het merk Beretta met kaliber 9 mm. In de huls bevinden zich sporen die veroorzaakt zijn tijdens het verschieten uit een vuurwapen. De algemene vorm, plaats en grootte van deze systeemsporen passen bij de systeemkenmerken van het pistool.

Er zijn proefschoten met het pistool gelost. Hieruit volgt dat de hypothese dat de huls is verschoten met het inbeslaggenomen pistool zeer veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat de huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het inbeslaggenomen pistool.8

Er is tevens een onderzoek gedaan naar de onder medeverdachte [medeverdachte] inbeslaggenomen jas.9 Uit het NFI-rapport blijkt dat op de stubs waarmee de mouwen zijn bemonsterd vier categorie A-deeltjes zijn aangetroffen. Dit zijn deeltjes met een elementsamenstelling die karakteristiek is voor schotrestdeeltjes. Hierdoor wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces.10

Bewijsoverweging

Gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang gezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met medeverdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Verdachte heeft bekend dat hij op het moment dat hij een politieauto zag naderen een wegwerpbeweging heeft gemaakt. Dit betrof volgens hem echter een bierflesje, dat hij weggooide om te voorkomen dat hij zou worden opgepakt voor openbare dronkenschap. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk, gelet op de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , inhoudende dat verdachte, ook na de wegwerpbeweging, nog een bierflesje in zijn hand had.

4.3.3

Het oordeel over het onder feit 4 ten laste gelegde

[aangever] heeft namens [bedrijf] B.V. aangifte gedaan van poging tot diefstal. Op 22 februari 2012 heeft een chauffeur van het bedrijf een vrachtauto geparkeerd op een fabrieksterrein aan de IBC weg te Best. Op 23 februari 2012 te 07.00 uur zag de chauffeur dat de rechterzijruit was ingeslagen. Op de rechterstoel en het dashboard waren bloedsporen zichtbaar.11 Voor de inbraak bevond zich geen bloed in de cabine van de vrachtauto.12

Het aangetroffen bloedspoor werd bemonsterd, veiliggesteld en gewaarmerkt met Spoor Identificatie Nummer AAEE5903NL.13 Van dit bloedspoor is een DNA-profiel opgesteld.14

Het DNA-profiel in dit spoor matcht met DNA-profielcluster 20331, behorende bij verdachte.15 Uit het NFI rapport blijkt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, kleiner dan één op één miljard is.16

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ontkend te hebben ingebroken in de hiervoor genoemde vrachtauto. Hij heeft echter geen enkele verklaring gegeven voor het aantreffen van bloed met zijn DNA-profiel in de auto. Gelet hierop en gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal uit die vrachtauto.

Het door de raadsvrouw gevoerde verweer dat er geen bewijs is dat verdachte deze poging tot diefstal heeft begaan nu er geen sporen van hem zijn aangetroffen op het raam of het portier, verwerpt de rechtbank. Juist uit de omstandigheid dat er sprake is van een ingeslagen raam en bloed aan de binnenzijde van de cabine, volgt dat de dader in de cabine is geweest met het kennelijke doel voorwerpen weg te nemen en is er sprake van een begin van uitvoering.

4.3.4

Het oordeel over het onder feit 4 ten laste gelegde

Nadat verdachte op 7 december 2013 was aangehouden werd hem een geldig identificatiebewijs ter inzage gevorderd. Verdachte verklaarde dat hij dit document niet bij zich had. Verbalisant [verbalisant 3] vroeg hem vervolgens naar zijn personalia en verzocht hem, om fouten te voorkomen, zijn voor- en achternaam en geboorteplaats te spellen. Verbalisant hoorde dat verdachte opgaf dat hij genaamd was: [naam] ; geboren op [1980] te [geboorteplaats] , adres: [adres] te [woonplaats] . Vervolgens bracht verbalisant [verbalisant 4] verdachte over naar het bureau van politie. Tijdens de insluiting in de cellengang vroeg verbalisant [verbalisant 4] verdachte naar zijn personalia en verzocht hem de gegevens te spellen. Verdachte gaf opnieuw de hiervoor genoemde personalia op. Later bleek dat verdachte de personalia van zijn broer had opgegeven. De juiste personalia zijn: [verdachte] , geboren op [1981] te [geboorteplaats] , adres: [adres] te [woonplaats] .17

Bewijsoverweging

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij geen valse naam heeft opgegeven. Op de vraag van de verbalisant naar zijn naam, weigerde hij antwoord te geven. Daarna trof men in zijn zak een brief aan op naam van zijn broer en hebben de verbalisanten deze gegevens genoteerd als zijn personalia.

De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk op grond van de inhoud van het hiervoor weergegeven op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

op 07 december 2013 te Utrecht, tezamen en in vereniging een vuurwapen van categorie III, te weten een Beretta 9mm, voorhanden heeft gehad;

4.

Primair

omstreeks 22 februari 2012 te Best, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een vrachtauto, (geparkeerd staande op of aan de IBC-weg) weg te nemen een of meerdere goederen en/of geld, toebehorende aan [bedrijf] B.V., en zich daarbij de toegang tot die

(vracht)auto te verschaffen door een ruit van die vrachtauto te forceren, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

op 07 december 2013 te Utrecht, toen een opsporingsambtenaar hem, als verdachte van een strafbaar feit, naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar een andere dan zijn werkelijke voornaam en geboortedatum en adres waarop hij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat ingeschreven, heeft opgegeven (te weten de gegevens van zijn broer [naam] );

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 2 medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapen en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Feit 4 primair poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot het weg te nemen goed heeft gebracht door middel van braak;

Feit 5 door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse voornaam, geboortedatum en adres waarop hij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat ingeschreven opgeven.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van slechts het onder 4 subsidiair ten laste gelegde, de vernieling. Dit betreft een oud feit, waarvan in april 2012 de betrokkenheid van verdachte is bekend geworden. Ten gevolge van de veroordeling door de politierechter van 2 november 2012 is artikel 63 Sr van toepassing en is derhalve matiging van de straf aan de orde.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met een ander een vuurwapen voorhanden gehad. Uit de stukken is voldoende naar voren gekomen dat verdachte en zijn medeverdachte ook met dat vuurwapen op straat in een woonwijk hebben geschoten. Zij waren hierbij onder invloed van (veel) alcohol. Het behoeft geen betoog dat dit zeer gevaarlijk is en ook tot zeer ernstige gevolgen had kunnen leiden. Dergelijke feiten dragen bovendien bij aan gevoelens van angst, onrust en onveiligheid binnen de samenleving als geheel. Deze omstandigheden neemt de rechtbank mee in de strafmaat voor dit feit.

Daarnaast heeft verdachte ingebroken in een vrachtauto en geprobeerd goederen of voorwerpen mee te nemen. Ook dit is een vervelend feit, waardoor de betrokkene schade oploopt.

Verdachte heeft niet mee willen werken aan het uitbrengen van een reclasseringsrapport.

De rechtbank acht alles afwegende passend en geboden aan verdachte ten aanzien van de feiten 2 en 4 een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen op te leggen met aftrek van het voorarrest, waarvan 49 dagen voorwaardelijk. Deze straf is gelijk aan de vordering van de officier van justitie, zij het dat de rechtbank een deel van deze straf voorwaardelijk oplegt. De rechtbank is daartoe gekomen gelet op de omstandigheid dat zij minder bewezen verklaart dan is gevorderd door de Officier van Justitie, de omstandigheid dat feit 4 al langer geleden is gepleegd en artikel 63 Sr daarop van toepassing is, alsook op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 11 februari 2014, in de afgelopen 5 jaar niet onherroepelijk is veroordeeld.

Voorts zal aan verdachte ter zake feit 5, een overtreding, een geldboete opgelegd worden ter hoogte van € 370,--, subsidiair 8 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van feit 3

De Politie Midden Nederland vordert een vergoeding van materiële schade voor een totaalbedrag van € 279,89. Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, is Politie Midden Nederland in de vordering niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van feit 4

[bedrijf] B.V. vordert een vergoeding van materiële schade voor een totaalbedrag van € 2.534,10. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze vordering geheel wordt toegewezen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen en heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat uit de stukken waarmee de vordering is onderbouwd blijkt dat het gevorderde bedrag betrekking heeft op een andere schade, nu daarin wordt gesproken over schade aan het linkerraam, terwijl het volgens de aangifte gaat om schade aan het rechterraam en uit de aangifte bovendien niet blijkt dat de belettering was beschadigd en dat de deur moest worden gerepareerd en gespoten. Bovendien is niet uitgesloten dat de verzekering de schade al heeft gedekt, aldus de verdediging.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 2.534,10 (zegge tweeduizend vijfhonderdvierendertig euro en tien eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [bedrijf] B.V. voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De rechtbank passeert het verweer van de raadsvrouw dat onvoldoende is komen vaststaan dat de vordering in relatie staat met het feit. De factuurdatum is van kort na de aangifte en de werkzaamheden betreffen de vrachtauto met het kenteken zoals in de aangifte genoemd. Dat in de aangifte gesproken wordt over schade aan het rechterportier en de factuur ziet op werkzaamheden aan het linkerportier berust naar het oordeel van de rechtbank op een kennelijke vergissing, dan wel op een verschillende uitgangspositie bij de beoordeling of sprake is van links of rechts. Uit het schadeopgaveformulier, dat is ondertekend op 11 februari 2014 en dus geruime tijd nadat de reparaties zijn uitgevoerd, blijkt bovendien dat de gevorderde schade niet is vergoed door een verzekering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 45, 47, 57, 62, 63, 311, 435a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie en op het reeds aangehaalde artikel.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair en subsidiair en het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

- het bewezen verklaarde levert de onder rubriek 6 genoemde strafbare feiten op;

Ten aanzien van de feiten 2 en 4 primair:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 (honderdvijftig) dagen;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- beveelt dat een gedeelte, groot 49 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

ten aanzien van feit 5

- veroordeelt verdachte ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde feit tot een geldboete van € 370,-- (driehonderdzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 7 dagen.

Voorts ten aanzien van feit 3

- verklaart Politie Midden Nederland niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Voorts ten aanzien van feit 4

- wijst de vordering van [bedrijf] B.V. toe tot € 2.534,10 (zegge tweeduizend vijfhonderdvierendertig euro en tien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2012 (datum factuur) tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan benadeelde partij voornoemd;

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf] B.V. aan de Staat € 2.534,10 (zegge tweeduizend vijfhonderdvierendertig euro en tien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2012 (datum factuur) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 36 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 01 april 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Primair

hij op of omstreeks 07 december 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) met een (vuur)wapen een of meer schot(en) gelost (in de richting van een flat), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

artikel 287/302 jo 45 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 07 december 2013 te Utrecht met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Amerikalaan en/of de Rooseveltlaan en/of de Battutalaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), welk geweld bestond uit met een (vuur)wapen een of meer schot(en) lossen (al dan niet in de richting van een flat);

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 07 december 2013 te Utrecht, tezamen en in vereniging, althans alleen, een of meer (vuur)wapens van categorie III, te weten een Beretta 9mm, voorhanden heeft/hebben gehad;

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 07 december 2013 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een (politie)cel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Regiopolitie Utrecht, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk in die cel heeft geplast;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

Primair

hij op of omstreeks 22 februari 2012 te Best, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (vracht)auto, (geparkeerd staande op of aan de IBC-weg) weg te nemen een of meerdere goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die

(vracht)auto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik te brengen door een ruit van die (vracht)auto te forceren, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 februari 2012 te Best opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een (vracht)auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die ruit de forceren (al dan niet met een (scherp) voorwerp);

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij, op of omstreeks 07 december 2013, te Utrecht,toen een opsporingsambtenaar hem,

als verdachte van een strafbaar feit, en/of anderszins, naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar (een) andere dan zijn werkelijke naam en/of voornaam en/of geboortedatum en/of adres waarop hij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat ingeschreven en/of woon- of verblijfplaats, heeft opgegeven (te weten,

de gegevens van zijn broer [naam] );

art 435 ahf/ond 4° Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal PL 091a-2014006183, sluitingsdatum 31 januari 2014, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] , pagina 19A en 20

3 I.d., pagina 21

4 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] , pagina 19A en 20

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , pagina 37 en 38

6 Relaasproces-verbaal, pagina 9

7 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] , pagina 53

8 Rapport van W. Kerkhoff, NFI-deskundige, d.d. 7 februari 2014

9 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 6] , pagina 47

10 Rapport van ing. S.B.C.G. Chang, NFI-deskundige, d.d. 14 januari 2014

11 Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , pagina 84 en 85

12 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 7] , pagina 89

13 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] , pagina 87 en 88

14 Rapport van ing. A.L.W. Janssen-Peeters, NFI-deskundige, pagina 90

15 Rapport van ing. A.L.W. Janssen-Peeters, NFI-deskundige, d.d. 12 april 2012 met bijlage, pagina 96 tot en met 98

16 Rapport van ing. A.L.W. Janssen-Peeters, NFI-deskundige, d.d. 12 april 2012 met bijlage, pagina 96 tot en met 98

17 Proces-verbaal bevindingen verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , pagina 31