Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:766

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
16-711769-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor witwassen. Vrijspraak van voorhanden hebben mdma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/711769-11 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013 en 14 februari 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: vier tabletten, bevattende MDMA, voorhanden heeft gehad;

Feit 2: goederen en geld heeft witgewassen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er opsporingsbevoegdheden zijn toegepast op het moment dat er nog geen verdenking ex artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering tegen verdachte bestond. De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman, omdat uit de toelichting van de officier van justitie blijkt dat het bevel tot stelselmatige observatie op 11 oktober 2011 is afgegeven en niet op 11 augustus 2011. In het dossier is sprake van een schrijffout. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een verzuim, maar acht dit niet zodanig ernstig dat dit moet leiden tot enige consequentie.

De rechtbank verwerpt tevens het verweer van de raadsman dat er sprake zou zijn van een schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat de volgens verdachte door de verbalisant gebruikte bewoordingen, in het bijzonder het woord “misschien”, reeds onvoldoende zijn om aan te nemen dat er sprake was van een toezegging over het niet vervolgen van verdachte.

Tevens zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder feit 1 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gevorderd feit 2 bewezen te verklaren. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

Vrijspraak van feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte dan ook van dat feit vrijspreken.

Rechtmatigheid van het bewijs

De raadsman heeft betoogd dat de verkregen informatie dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat het bewijs voortvloeit uit onrechtmatige toepassing van opsporingsbevoegdheden. De raadsman heeft hierbij verwezen naar zijn eerder gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer.

Gelet op hetgeen onder rubriek 3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatige toepassing van opsporingsbevoegdheden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer tot bewijsuitsluiting

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Uit de fiscale loongegevens van verdachte blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 salaris heeft ontvangen van het Ministerie van Defensie. Het inkomen van verdachte bedroeg in de periode 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 € 89.443,27. Dit bedrag omvatte salaris, vakantiegelduitkeringen, eindejaarsuitkeringen en de uitkeringen van kasbeheerder Paresto. Dit betreft een gemiddeld inkomen per maand van

€ 1.863,40.2

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 de volgende bedragen giraal heeft uitgegeven:

  • -

    € 264,50 aan boodschappen;

  • -

    € 874,25 aan kleding;

  • -

    € 1.178,53 aan brandstof;

  • -

    € 2.620,-- aan wapens;

  • -

    € 12.803,01 aan vakanties.3

Volgens de applicatie “persoonlijk budgetadvies” van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting zou verdachte in de periode 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 de volgende bedragen minimaal nodig hebben gehad:

  • -

    € 9.120,-- voor voeding

  • -

    € 2.304,-- voor kleding

  • -

    € 4.560,-- voor brandstof.4

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 worden er 24 contante stortingen verricht op de bankrekening van verdachte voor een gezamenlijk bedrag van

€ 36.340,--.5

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 wordt er 23 keer contant geld opgenomen van de bankrekening van verdachte met een totaalbedrag van € 39.650,--.6 Middels de creditcard van verdachte wordt in dezelfde periode € 350,-- contant opgenomen.7

Uit onderzoek is tevens gebleken dat verdachte gedurende de periode 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 verschillende voertuigen op zijn naam en/of adres geregistreerd heeft gehad. Dit blijken de volgende voertuigen te zijn:

  • -

    een BMW 520i, [kenteken]

  • -

    een BMW 645Ci, [kenteken]

  • -

    een Opel Astra, TwinTop, [kenteken]

  • -

    een Opel Insignia, [kenteken]

  • -

    een motor Suzuki GSX 1300R Hayabusa, [kenteken]

  • -

    een motorscooter Yamaha XP 500, [kenteken]8

In totaal heeft verdachte in de periode 2008 tot en met 2011 € 89.016,-- contant uitgegeven aan deze voertuigen.9

Verdachte heeft in de periode 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 € 8.215,-- ontvangen voor de verkoop van luchtdrukwapens.10

Verdachte schrijft op 29 september 2011 dat hij de afgelopen 2 jaar voor € 12.000,-- aan wapens heeft gekocht.11 Van deze aankopen blijkt € 2.620,-- giraal betaald te zijn.12

In de woning van verdachte is een geldbedrag van € 8.700,-- aangetroffen, achter een bord met gereedschap dat een doorgang naar een geheime ruimte afsloot.13

Uit verschillende facturen die zijn aangetroffen in de woning van verdachte blijkt dat hij een bedrag van € 20.572,52 contant heeft uitgegeven aan verschillende goederen en/of diensten in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011.14 Ook heeft verdachte

€ 1.130,-- contant betaald aan MIC Trading voor de aankoop van meubels.15

Op grond van voornoemde bevindingen is door Koninklijke Marechaussee de volgende kasopstelling16 gemaakt:

1 Beginsaldo

0

2 Legale contante ontvangsten

Bankopnamen

39.650,00

Contante opnamen creditcard

350,00

Ontvangen tbv verkoop wapenverzameling

8.215,00

Beschikbaar voor het doen van uitgaven

48.215,00

3 Uitgaven

Aangetroffen tijdens doorzoeking

8.700,00

Contante stortingen

36.340,00

Voeding

8.855,50

Kleding

1.429,75

Brandstof

3.381,47

Wapenverzameling

9.380,00

Aankoop BMW 520i [kenteken]

24.000,00

Aankoop BMW 645i [kenteken]

18.000,00

Hayabusa

9.000,00

Aankoop Opel Astra TwinTop [kenteken]

11.845,00

Aankoop Opel Insignia Sport Tourer [kenteken]

14.842,00

Aankoop Yamaha XP 500 motorscooter [kenteken]

11.329,00

Aangetroffen facturen contant betaald

20.572,52

Betaling MIC trading

1.130,00

Uitgaven uitgaan en vakanties

P.M.

Totaal contante uitgaven

178.805,24

4. Verschil (meer uitgaven dan legaal mogelijk)

130.590,24

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt gelet op voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 december 2011 heeft kunnen beschikken over verschillende voertuigen die met contanten zijn betaald en dat daarnaast verdachte veel andere contante uitgaven heeft gedaan. Deze contante uitgaven en dat contant verworven bezit kunnen niet worden verklaard uit de legale inkomsten van verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het doel en de strekking van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voorts geldt dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en in aanmerking genomen dat tijdens het onderzoek niet van een legale herkomst van de gelden is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verdachte een ernstig vermoeden bestaat dat de contante uitgaven en de voertuigen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van verdachte mag onder deze omstandigheden dan ook worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij geld heeft verdiend door huizen te kopen en te verkopen voor een hoger bedrag. Daarnaast heeft verdachte – naar eigen zeggen – zwart geklust.

De door verdachte overgelegde stukken over de aan- en verkoop van verschillende huizen bieden echter geen verklaring voor de grote geldbedragen die door verdachte contant zijn uitgegeven.

De door verdachte overgelegde verkoopaktes van huizen waarop verdachte winst zou hebben gemaakt ([adres] te [woonplaats], [adres]te [woonplaats] en de [adres] te [woonplaats]) houden immers telkens in dat bedragen zijn overgemaakt naar een bankrekening (van de betreffende notaris).

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij, vanwege wantrouwen in banken, in het guldentijdperk grote bedragen contant heeft opgenomen om deze in kleine (niet verplicht geregistreerde) hoeveelheden te wisselen in euro’s hoogst onwaarschijnlijk.

Dat verdachte op geen enkele wijze heeft aangegeven wanneer en van welke rekening bedragen zijn opgenomen ondersteunt dit oordeel.

Aan deze verklaring van verdachte zal dan ook worden voorbijgegaan.

Daarnaast heeft verdachte niet concreet en verifieerbaar verklaard over de kluswerkzaamheden die hij zou hebben uitgevoerd. Hier houdt de rechtbank daarom geen rekening mee.

De rechtbank stelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat het niet anders kan dan dat de door verdachte uitgegeven geldbedragen en de daarmee aangeschafte voertuigen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Ook als het aangetroffen contante geld afkomstig is van een door verdachte zelf gepleegd misdrijf, merkt de rechtbank het voorhanden hebben, gelet op de vindplaats, aan als witwassen: met het verbergen van het door misdrijf verworven geld wordt immers ook de herkomst verborgen en wordt het veilig gesteld.

Gelet op de periode en de hoeveelheid handelingen die verdachte heeft verricht, is de rechtbank van dat verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

op meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2008 tot en met 13 december 2011 te Utrecht, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers

- heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk voorwerpen, te weten geldbedragen met een totale waarde van 130.590 euro overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en

- heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk voorwerpen, te weten voertuigen zijnde personenauto’s en motoren te weten:

een BMW 520i, [kenteken] en

een BMW 645i, [kenteken] en

een Opel Astra, Twin Top, [kenteken] en

een Opel Insignia Sport Tourer [kenteken] en

een motor merk Suzuki GSX 1300 R Hayabusa en

een motorscooter Yamaha XP 500, [kenteken]

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 2: gewoontewitwassen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen, met aftrek van de duur van de voorlopige hechtenis.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht rekening te houden in de strafmaat met de door hem reeds eerder bepleite schending van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft voorts gewezen op de beperkte omvang van het witwassen en op het schone verleden van verdachte. De verdediging heeft concluderend verzocht om een taakstraf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het plegen van het misdrijf witwassen. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en op de openbare orde. Verdachte heeft enkel gehandeld uit eigen financieel belang. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 juli 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank zal hier in het voordeel van verdachte rekening mee houden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal dan ook conform de eis van de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 200 uren met aftrek van de duur van het voorarrest aan verdachte opleggen. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

9 Het beslag

De rechtbank zal geen beslissing nemen over het conservatoir beslag, omdat er ook een ontnemingsvordering loopt tegen verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 2: gewoontewitwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2014.

Mr. Grapperhaus is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 december 2011 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft

gehad vier, althans een of meer MDMA/"XTC" tabletten , in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2008 tot en met 13 december 2011 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers

- heeft hij, verdachte, (telkens) (opzettelijk) (een) voorwerp(en), te weten

een of meer (grote) geldbedrag(en) (met een totale waarde van {ten minste}

130.590 euro) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

althans gebruik heeft gemaakt van voornoemde voorwerpen, terwijl hij wist

dat bovenomschreven voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was

uit enig misdrijf

en/of

- heeft hij, verdachte, (telkens) (opzettelijk) (een) voorwerp(en), te weten

(een of meer) voertuig(en)

{zijnde [een] (personen)auto('s) en/of [een] motor[en] te weten:

een BMW 520i, [kenteken] en/of

een BMW 645i, [kenteken] en/of

een Opel Astra, Twin Top, [kenteken] en/of

een Opel Isignia Sport Tourer [kenteken] en/of

een moter merk Hayabusa en/of

een motorscooter Yamaha XP 500, [kenteken]}

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft

gemaakt van voornoemde voorwerpen, terwijl hij wist dat bovenomschreven

voorwerp gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 283 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

3 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, opgenomen op pagina 282-302 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee, in het bijzonder pagina 283.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 487 en 488 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 283 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 284 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 284 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 433 en 434 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 435 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 448 tot en met 450 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee, in het bijzonder pagina 450.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 448 tot en met 450 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee, in het bijzonder pagina 448.

12 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, opgenomen op pagina 282 tot en met 302 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee, in het bijzonder pagina 283 en 292.

13 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, opgenomen op pagina 592 tot en met 595 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee, wat betreft de vindplaats in het bijzonder pagina 594, 598, 599.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 260 en pagina 604 tot en met 620 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 261, 625 en 628 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 262 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.