Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:764

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
16-700453-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:8354, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man uit Utrecht is vrijdag door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van diefstal en heling van de monstrans uit het Museum Catharijneconvent in Utrecht. De man zou samen met drie mannen verantwoordelijk zijn voor de monstransroof in januari 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700453-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014. De verdachte is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, die heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 29 januari 2013 te Utrecht zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een monstrans uit het museum Catharijneconvent, dan wel medeplichtig is aan deze diefstal, dan wel in de periode 29 januari 2013 tot en met 13 februari 2013 zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de monstrans.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde, te weten de diefstal van de monstrans, gepleegd in vereniging door middel van braak, ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Daarbij heeft de officier van justitie onder meer gewezen op diverse CIE-info waarin verdachte meermalen is genoemd, op tapgesprekken en op het van verdachte afgenomen DNA dat een hit oplevert met het DNA dat is aangetroffen op het handvat van de door de daders gebruikte vluchtscooter.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, en heeft vrijspraak bepleit. Daarbij heeft de verdediging gesteld - samengevat - dat het DNA op 15 maart 2013 onrechtmatig is verkregen omdat ten tijde van de afname geen ernstige bezwaren aanwezig waren. De bevindingen van het DNA-onderzoek kunnen derhalve niet voor bewijs worden gebruikt.

Op grond van het dossier staat voorts niet zonder meer vast dat de aangetroffen scooter is gebruikt als vluchtscooter bij het plegen van het ten laste gelegde feit. De bevindingen in het NFI-rapport ten aanzien van het DNA, zijn van geringe bewijswaarde aangezien in het rapport geen uitspraak wordt gedaan over de waarschijnlijkheid van het toebehoren aan een ander dan verdachte indien de mogelijkheid van zijn broer of ander familielid zou worden betrokken. In dat verband heeft de raadsman gewezen op het feit dat de broer van verdachte op 19 september 2013 door deze rechtbank schuldig is bevonden aan het medeplegen van diefstal van deze monstrans.

Daarnaast is de verdediging van mening dat niet zonder meer aannemelijk is dat het DNA is achtergelaten ten tijde van het plegen van het feit.

Tenslotte heeft de verdediging betoogd dat de bevindingen omtrent hetgeen door verdachte Kooij tegen verbalisanten is gezegd onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te dienen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De raadsman heeft betoogd dat het DNA van verdachte op onrechtmatige wijze is verkregen en dat de daaruit verkregen resultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De rechtbank zal naar aanleiding van dit verweer zelfstandig dienen te onderzoeken of er ten tijde van het door de officier van justitie gegeven bevel tot afname van celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek daarvoor voldoende ernstige bezwaren aanwezig waren.

Verdachte is op 13 maart 2013 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de diefstal respectievelijk heling van de monstrans. Tevens is op die datum de inverzekeringstelling bevolen, welke is verlengd bij bevel d.d. 16 maart 2013. Op 14 maart 2013 heeft de officier van justitie de afname van celmateriaal van verdachte bevolen, waarna op 15 maart 2013 niet-vrijwillig van verdachte celmateriaal is afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek. Blijkens het dossier had de officier van justitie op dat moment slechts enige CIE-informatie, waaruit de betrokkenheid van verdachte zou blijken, alsmede enkele tapgesprekken waarin mogelijk over betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde wordt gesproken. De rechtbank oordeelt dat deze informatie in onderlinge samenhang bezien niet voldoende was om ernstige bezwaren aan te nemen op grond waarvan celmateriaal mocht worden afgenomen. De celmateriaalafname is daarom onrechtmatig. Dat er drie maanden later in juni 2013 wel ernstige bezwaren waren, zoals door de officier van justitie betoogd, doet aan het vorenstaande niet af.

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of het vastgestelde vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tot enig rechtsgevolg en volgens de raadsman tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Hierbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat het uitsluiten van bewijsmateriaal uitsluitend aan de orde kan komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en als gevolg van het vormverzuim een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

In dit geval is bevolen celmateriaal van verdachte af te nemen, zonder zijn toestemming daarvoor. Achteraf bezien had de officier van justitie voor het inzetten van dit dwangmiddel geen titel. Het zonder die vereiste titel met een wattenstaafje celmateriaal uit de mondopening afnemen moet worden beschouwd als een aanzienlijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. De rechtbank is daarom van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek van het bewijs moeten worden uitgesloten.

De rechtbank neemt met betrekking tot het bewijs het volgende in overweging.

Er zijn, mede gezien de verslagen van de afgeluisterde telefoongesprekken, sterke aanwijzingen voor het feit dat verdachte behoorde tot de kring van de door deze rechtbank op 19 september 2013 veroordeelde medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2]en [medeverdachte 3], maar daaruit blijkt nog geen directe betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit. Weliswaar is er een scooter aangetroffen met DNA-materiaal, maar op grond van het dossier staat niet vast dat die scooter dezelfde scooter is als die is gebruikt bij de diefstal van de Monstrans. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Het dossier biedt evenmin bewijs voor de meer-subsidiair ten laste gelegde heling van de monstrans.

Verdachte dient, gelet op het vorenstaande, geheel te worden vrijgesproken.

5 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij Stichting Museum Catharijneconvent heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

6 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Benadeelde partij Stichting Museum Catharijneconvent

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M.P. Glerum en J.R. Krol, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2014.

Mrs. P.P.C.M. Waarts en J.R. Krol zijn verhinderd het vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

BIJLAGE

Primair

hij op of omstreeks 29 januari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit het Museum Catharijneconvent heeft weggenomen een Monstrans (waardevol historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of met een verzekerde waarde van 250.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Museum Catharijneconvent en/of Parochie van de Heilige Drie-Eenheid, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van een glazen deur en/of een vitrinekast

Art. 310 Wetboek van Strafrecht

Art. 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Art. 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

[medeverdachte 3] en/of een of meer (onbekende) mededader(s) op of omstreeks 29 januari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit het Museum Catharijneconvent hebben/heeft weggenomen een Monstrans (waardevol historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of met een verzekerde waarde van 250.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Museum Catharijneconvent en/of Parochie van de Heilige Drie-Eenheid, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 3] en/of die een of meer (onbekende) mededader(s) en/of verdachte, waarbij die [medeverdachte 3] of diens mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van een glazen deur en/of een vitrinekast, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk

behulpzaam is geweest door opzettelijk op of omstreeks 29 januari 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, die [medeverdachte 3] (met een door hem, verdachte, bestuurde bromfiets/scooter), naar voornoemd museum te vervoeren en/of tijdens het uitvoeren van (voornoemde) diefstal op die [medeverdachte 3] te blijven wachten en/of die [medeverdachte 3] weer vanaf voornoemd museum te vervoeren (ten einde de vlucht [van die [medeverdachte 3] en/of verdachte] mogelijk te maken);

Art. 310 Wetboek van Strafrecht

Art. 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Art. 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Art. 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Meer Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2013 tot en met 13 februari 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, een Monstrans (waardevol historisch kunstwerk van de huiskerk 'Het Boompje' en/of met een verzekerde waarde van 250.000 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde Monstrans wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Art. 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht