Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7600

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
C/16/367527 / KL ZA 14-139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter beslist dat gedaagde binnen 7 dagen meerdere rectificerende mails moet versturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/367527 / KL ZA 14-139

Vonnis in kort geding van 23 mei 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H. den Besten te Almere,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.P. Maris te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 april 2014 met 5 producties

  • -

    het faxbericht van 7 mei 2014 van [eiser] met 1 productie

  • -

    de akte aanvulling eis van 9 mei 2014 van [eiser]

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad tot oktober 2012.

2.2.

[eiser] heeft een eigen makelaarskantoor ‘ [makelaarskantoor 1] ’. [gedaagde] is oud-directeur van [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) en thans werkzaam bij [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ).

2.3.

In de periode vanaf oktober 2012 tot augustus 2013 heeft [gedaagde] meerdere e-mails verstuurd naar [eiser] alsmede zijn familie en vrienden waarin [gedaagde] uitweidt over [eiser] en hetgeen in de periode van hun relatie heeft plaatsgevonden.

2.4.

Op 12 augustus 2013 heeft [eiser] een e-mail gestuurd naar [gedaagde] waarin hij kort gezegd vermeldt dat zij dient te stoppen met het verzenden van lastermails naar zijn familie, vrienden en ex-vrouw en zo niet, hij aangifte zal doen bij de politie en haar werkgever zal inlichten.

2.5.

Op 8 maart 2014 heeft [A] , directeur van [bedrijf 3] , een e-mail gestuurd naar [eiser] . In deze e-mail staat het volgende vermeld:

“Beste [eiser] ,

Vrijdag 21 februari j.l. kreeg ik een heel vervelend telefoontje van jouw ex vriendin/partner [gedaagde] . Zij belde mij om mij te waarschuwen voor jouw gedragingen, zowel prive als zakelijk.

Zij vertelde mij over jou het volgende:

  • -

    Er is door twee partijen tegen jou al aangifte gedaan wegens oplichting;

  • -

    Je hebt grote schulden en hebt vanaf het begin de huur van je kantoor nog niet betaald;

  • -

    Je leent geld van mensen zonder ze terug te betalen;

  • -

    Je leeft een losbandig leven en je gaat met vrouwelijke cliënten naar bed, ook in mijn project;

  • -

    Je bent een “swinger”

  • -

    Je bent betrokken bij wietplantages

Omdat wij elkaar al vele jaren kennen, had ik al direct mijn twijfels over dit verhaal. In al die jaren heb ik jou leren kennen als een eerlijke hardwerkende mand, die zijn afspraken altijd correct nakomt.(…)”

2.6.

Op 13 maart 2014 heeft [eiser] aangifte gedaan bij de politie Flevoland vanwege smaad en/of laster door [gedaagde] . In het proces-verbaal van aangifte staat – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“(…) [gedaagde] [vzr: [gedaagde] ] is blijkbaar sinds oktober 2012 bezig met mij zwart te maken. Toen is onze relatie beëindigd. Mijn familie, vrienden maar ook zakenrelatie werden en worden door haar benaderd ze verteld de meest vreemde dingen over mij.

[gedaagde] heeft door haar werk veel contacten in de zakelijke wereld en een groot netwerk om haar heen. Zij benader[t] mijn huidige zakelijke contacten, maar ik ben bang dat ze ook bij mogelijke toekomstige klanten mijn naam zo zwart maakt dat ik steeds minder werk krijg in de toekomst.

Ongeveer twee weken geleden zijn er werkelijk twee klanten zonder opgaaf van reden bij mij weggegaan. Ik weet van deze beide klanten dat ze kennis hebben aan [gedaagde] .

Op 8 maart 2014 ontving ik via mijn mail (…) het volgende: Mail ontvangen op 8 maart 2014 van [bedrijf 3] . (…)

Tevens is bij mij het volgende verhaal binnen gekomen van een klant van mij genaamd mevrouw [B] . Zij heeft een schriftelijk[e] verklaring op mijn verzoek opgemaakt.(…) Mevrouw [B] wil hierover wel een getuigenverklaring afleggen. Het blijkt dat [gedaagde] bij een netwerk bijeenkomst heeft verteld dat ik een frauduleuze makelaar zou zijn.

(…)

Wat [gedaagde] allemaal heeft verteld aan [A] is allemaal gelogen. Niks van wat z[ij] aan hem heeft verteld is de waarheid. Van de oplichting is mij niks bekend. Doordat [gedaagde] dit rond verteld ondervind ik zowel zakelijk als privé hinder van haar verhalen. Ik kan u vertellen dat zelfs mijn twee kinderen alt huis komen met verhalen die ze op school hebben gehoord. Op deze school zitten veel kinderen van ondernemers en mogelijk wordt er toch over mij gesproken, en komt dit mijn kinderen ter oren.

Ik kan u vertellen dat ik ook angst heb voor haar. Ik kan u vertellen dat toen onze relatie uitging ze letterlijk tegen mij het volgende heeft gezegd: “als ik jou niet kan hebben krijgt niemand jou, ik sloop je zakelijk en privé, ik doe alles wat daar voor nodig is”. (…)

Ook heeft ze aan mijn ouders verteld via de mail dat wij in een vorig leven een relatie hebben gehad. dat wij in die relatie samen van een klif zijn gesprongen en zo gezamenlijk de dood zijn ingegaan. Blijkbaar heeft ze de illusie dat wij nu heden 2014 nog steeds bij elkaar horen te zijn. Ik maak mij zorgen om haar gedrag. (…)”

2.7.

Op 14 maart 2014 heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd naar [F] van [bedrijf 5] waarin onder meer staat vermeld:

“(…) [eiser] is afgelopen zomer bij mijn opdrachtgever [bedrijf 2] geweest. De dames van het secretariaat dachten dat mijn kantoordirecteur in elkaar geslagen zou worden.(…) [eiser] stond te flippen voor de balie. Hij was namelijk in elkaar geslagen (…) door zijn voormalig zakenpartner [C] . [D] sloeg hem toen een gebroken neus. Vervolgens wordt heel Lelystad gebeld omdat [eiser] denkt dat ik hierachter zit.(…)

[eiser] heeft afgelopen vrijdagavond twee keer de voicemail van [E] ingesproken. Ik heb de voicemails gehoord. Wat een dreigementen zeg. Daar word je eng van.(…) Ik heb [A] proberen te waarschuwen. [A] heeft mijn naam en dat wat ik gezegd heb bij [eiser] neergelegd. Nou, als ik er binnenkort niet meer ben .. dan ben ik of van de Ketelmeerbrug afgeduwd, of afgevoerd in een kofferbak van die turk van Urk.(…)

(…) Maar de slachtoffers die [eiser] maakt, dat kan ik niet meer aan. Het is mij echt te veel. Het is geen rancune. Ik heb slechts mijn netwerk opengesteld en al deze slachtoffers weten mij nu te vinden.(…)

Ik heb [A] gebeld. Dat heb ik de politie ook verteld. Mijn fout. [A] heeft mijn naam genoemd bij [eiser] . Acht, dit is zo erg. Dat kan ik niet omschrijven. Ik ben mijn leven vanaf nu niet meer zeker.

(…)

[F] , behoed [G] voor deze afspraak. [eiser] wordt een dezer dagen opgepakt. Laat de [bedrijf 1] hier buiten.”

2.8.

Op 18 maart 2014 heeft [eiser] in een e-mailbericht gericht aan de heer [E] [vzr: registeraccountant bij [bedrijf 2] ] verzocht antwoord te geven op de in de mail van 14 maart 2014 van [gedaagde] geuite beschuldigingen, in het bijzonder de vragen of [eiser] ooit met speeksel op zijn mond een dreigende houding jegens hem [vzr: [E] ] heeft aangenomen aan de balie, of [eiser] ooit zijn voicemail met dreigende teksten heeft volgesproken en of [gedaagde] ooit aangifte heeft moeten doen wegens bedreiging op aanzeggen van [E] .

2.9.

Op 19 maart 2014 heeft de heer [E] per e-mail aan [eiser] het volgende bericht:

“Beste [eiser] ,

Het antwoord op de drie door jou gestelde vragen is nee. Ik kan je bevestigen dat [gedaagde] dit op persoonlijke titel heeft gedaan en dat [bedrijf 2] daar afstand van neemt. Het moge daarom duidelijk zijn dat wij het volstrekt ongepast vinden dat [gedaagde] onze naam in deze heeft gebruikt. Een gesprek hierover met [gedaagde] heeft inmiddels plaatsgevonden. Wij beraden ons op passende maatregelen. (…)”

2.10.

Op 14 april 2014 heeft [makelaarskantoor 2] een e-mail gestuurd naar [eiser] met de volgende inhoud, voor zover relevant:

“Beste [eiser] ,

Een aantal weken geleden ben ik telefonisch benaderd door mevrouw [gedaagde] . Ik heb mevrouw [gedaagde] naar mijn weten slechts een keer vluchtig ontmoet in jouw bijzijn en heb verder geen enkele connectie met haar.

Mevrouw [gedaagde] belde mij om mij te waarschuwen om niet met je samen te werken. Ze suggereerde dat je te maken hebt met wietplantages, huurfraude, dat je fraude zou hebben gepleegd met het bouwdepot van je woning in Dronten en dat je een gevaarlijke man zou zijn. Ik moest dus vooral bij je wegblijven als mijn reputatie mij lief was.

Ik heb haar verteld dat ik je nog niet heel lang ken maar dat mij van enige onbetrouwbaarheid nog nimmer iets is gebleken. Jij bent immers altijd alle afspraken die wij op welk gebied dan ook gemaakt hebben altijd nagekomen en we hebben ook vaak gesprekken gehad over de morele dilemma’s die wij in ons werk soms tegenkomen en ook in die gesprekken is de uitkomst altijd geweest dat het belang van de klant altijd centraal staat (vaak zelfs ten koste van jezelf).

Naar aanleiding van dit gesprek met mevrouw [gedaagde] heb ik je geconfronteerd met de reputatieschade die zijn aanricht. Aangezien ze mij niet kent is het te verwachten dat ik zeker niet de enige ben die zij met deze verdachtmakingen heeft benaderd.

Zij wist ook niets van de aard van onze samenwerking. Ze heeft wel een klok horen luiden maar ze wist niet waar de klepel hangt. (…)”

2.11.

Op 7 mei 2014 heeft [H] van [bedrijf 4] per e-mail het volgende aan [eiser] bericht:

“(…) Helaas is mij op diverse netwerkbijeenkomsten en horeca gelegenheden ter ore gekomen dat je in wiet zou zitten en dat je fraude zou plegen inzake huurcontracten. Het gerucht gaat dat jou ex-vriendin [gedaagde] dit binnen Lelystad op verschillende manieren verspreid. Dit soort geruchten waar of niet, schaden de verkoop van het appartement. Mensen zullen minder snel bij je komen en niet geassocieerd willen worden met je. Mevrouw [gedaagde] is oud directeur van de [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] . Die kent zoveel mensen dat ik van mening ben dat jou reputatie beschadigd is en dat ik daardoor nog minder snel de woning kan verkopen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na vermeerdering van eis - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] :

I. te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie in De Telegraaf, Flevopost en Almere Vandaag op een zaterdag binnen vier weken na het vonnis met de volgende tekst:

“Ik [gedaagde] , wonende te [woonplaats] wil hierbij het volgende rectificeren: Na een kortlopende relatie met de heer [eiser] van [makelaarskantoor 1] heb ik het niet kunnen verkroppen dat deze relatie tot een einde kwam. Hierdoor heb ik verschillende zakenrelaties, familieleden en vrienden van de heer [eiser] benaderd met de mededeling geen zaken en/of omgang te hebben met de heer [eiser] . Als argumenten voerde ik aan dat de heer [eiser] in de drugs zit, onbetrouwbaar zou zijn en niet binnen de lijntjes zou kleuren op allerlei gebied. Deze argumenten zijn door mij verzonnen en nergens op gebaseerd. Dit heb ik gedaan met de reden de heer [eiser] zowel zakelijk als privé kapot te willen maken.

Hierbij wil ik ten eerste oprechte excuses maken aan de heer [eiser] van [makelaarskantoor 1] , zijn gezin en familie.

Daarnaast neem ik alle valse aantijgingen, zoals hierboven beschreven, jegens de heer [eiser] en aan [makelaarskantoor 1] terug en beweer bij deze dat deze aantijgingen nergens op gebaseerd zijn en dus pure verzinsels van mij zijn geweest. ik beloof hierbij dat ik nimmer meer negatief me zal uitlaten jegens de heer [eiser] , zijn gezien, familie en zakenrelaties. Tevens zal ik alle personen, bedrijven die ik heb benaderd persoonlijk mijn rectificatie aanbieden.”

Dit onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,= voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen met een maximum van € 100.000,=;

II. te veroordelen om de in productie 5 genoemde e-mailadressen eveneens met voornoemde rectificatie zoals vermeld onder I. bekend te maken via een e-mail en cc aan [eiser] ( [eiser] @live.nl) onder verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag voor iedere dag dat [gedaagde] na het betekende vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,=;

III. te veroordelen in de kosten van de procedure;

IV. te verbieden om aan derden over [eiser] negatieve uitlatingen te doen op welke wijze dan ook onder verbeurte van een dwangsom van € 1.500,= per overtreding na betekening van het vonnis met een maximum van € 50.000,=.

3.2.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering het volgende aangevoerd. Na beeindiging van de affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde] in oktober 2012 heeft [gedaagde] , die werkzaam was als oud-directeur van de [bedrijf 1] , negatieve uitingen over [eiser] verspreid richting (zakelijke) relaties. [gedaagde] schrijft daarin onder meer dat er aangifte wegens oplichting jegens [eiser] zou zijn gedaan, [eiser] grote schulden heeft, de huur van het kantoor niet is betaald, [eiser] geld leent van mensen zonder dit terug te geven, [eiser] een losbandig leven leidt en met vrouwelijke clienten naar bed gaat, [eiser] een wietplantage in zijn woning heeft en [eiser] een frauduleus makelaar is. Op 13 maart 2014 heeft [eiser] aangifte gedaan jegens [gedaagde] wegens smaad en/of laster. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen verzocht om haar acties te staken, maar dit heeft geen resultaat gehad. [gedaagde] handelt door bovenstaande handelswijze onrechtmatig jegens [eiser] en [eiser] lijdt hierdoor schade.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. In de eerste plaats stelt [gedaagde] rauwelijks te zijn gedagvaard. [gedaagde] betwist voorts dat zij degene is geweest die de geruchten heeft verspreid die in Lelystad de ronde doen over [eiser] . Daarnaast betwist [gedaagde] dat [eiser] enige schade heeft geleden en tot slot is [gedaagde] van mening dat een rectificatie in de Telegraaf niet in het belang is van [eiser] , omdat hij zichzelf hiermee alleen maar meer schade toebrengt, voor zover hij al schade lijdt. Voor wat betreft de vordering onder II. stelt [gedaagde] zich voorts nog op het standpunt dat het overgrote deel van de door [eiser] aangeleverde adressanten er niets mee te maken heeft. Voor wat betreft de vordering onder IV. stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de eis te onbepaald nu niet duidelijk is wat al dan niet onder negatieve uitlatingen moet worden verstaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Algemeen

4.1.

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling een schriftelijke aanvulling van eis ingediend. [gedaagde] heeft tegen de eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt, zodat de voorzieningenrechter bij de beoordeling uit zal gaan van de aldus vermeerderde eis.

4.2.

Het spoedeisende belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.3.

Toewijzing van de vordering tot rectificatie vormt een beperking op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat aan [gedaagde] op grond van artikel 10 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM) toekomt. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de beantwoording van de vraag of dit zich hier voordoet staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van [eiser] dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige en potentieel schadelijke beschuldigingen die afbreuk doen aan zijn geloofwaardigheid en goede naam, en aan de andere kant het belang van [gedaagde] dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend, en/of waarschuwend moet kunnen uitlaten ter voorlichting van anderen omtrent de misstanden die hen zouden kunnen raken. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle terzake dienende omstandigheden van het geval (zie ook HR 18 januari 2008, NJ 2008, 274).

4.4.

Van een onrechtmatige aantasting van eer of goede naam van [eiser] is in beginsel sprake indien de krenkende mededelingen onjuist zijn en [gedaagde] dit wist of haar verweten kan worden dat zij niet wist dat de door haar gedane mededelingen onjuist waren. In dat geval kan zij niet met succes een beroep doen op een rechtvaardigingsgrond in die zin dat zij bijvoorbeeld in het algemeen belang heeft gehandeld.

4.5.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen verwezen naar een aantal e-mailberichten die hij heeft ontvangen van zijn (zakelijke) relaties.

E-mailberichten van [A] ( [bedrijf 3] ) en [makelaarskantoor 2]

4.6.

[eiser] heeft een tweetal e-mailberichten (r.o. 2.5 en 2.10) overgelegd, die hij onlangs heeft ontvangen van zakelijke relaties, waarin aan hem wordt medegedeeld dat [gedaagde] telefonisch contact met hen heeft opgenomen om hen te waarschuwen voor [eiser] . [eiser] heeft niet met zoveel woorden vermeld welke onderdelen van de berichten volgens hem onrechtmatig zijn en waarom. De voorzieningenrechter gaat er echter vanuit dat [eiser] vindt dat hij in ieder geval ten onrechte wordt beschuldigd van oplichting/fraude, het hebben van grote schulden en het zich bezighouden met wietplantages. [gedaagde] heeft op zich niet betwist dat zij de uitlatingen, zoals omschreven in de beide e-mailberichten, heeft gedaan maar zij betwist dat zij hiermee onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [gedaagde] heeft zij enkel verwoord wat haar in Lelystad ter ore is gekomen over [eiser] en wilde zij slechts telefonisch informeren bij de betreffende personen of die informatie bij hen ook bekend was.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Nu [gedaagde] niet betwist dat zij de in de beide e-mailberichten vermelde uitlatingen heeft gedaan tegenover de desbetreffende personen ligt het op haar weg om aannemelijk te maken dat de door haar gedane uitlatingen voldoende worden gestaafd met feitenmateriaal of, in het geval sprake is van onjuiste mededelingen, zij dit niet wist en ook niet aan haar verweten kan worden dat zij niet wist dat de door haar gedane mededelingen onjuist waren. Van enig ondersteunend bewijs dat de door haar gedane mededelingen over [eiser] juist zijn, is de voorzieningenrechter niet gebleken, zodat er voorshands vanuit moet worden gegaan dat deze mededelingen onjuist zijn. De vraag die dan rest ter beantwoording is of [gedaagde] wist of in ieder geval had moeten weten dat de door haar gedane mededelingen onjuist waren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van [gedaagde] in ieder geval had mogen worden verwacht dat als haar dergelijke geruchten ter ore komen, zij gelet op haar positie als oud-directeur van de [bedrijf 1] waardoor mag worden aangenomen dat zij (in ieder geval) onder de ondernemers van Lelystad een bepaalde status geniet, zij deze geruchten niet lichtvaardig verspreidt, maar enig onderzoek doet naar de juistheid hiervan alvorens zij zich hierover jegens derden uitlaat. Gesteld noch gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Dit mag aan haar toegerekend worden en zij kan zich derhalve niet verschuilen achter haar stelling dat zij ‘slechts’ de door haar vernomen geruchten heeft medegedeeld. [eiser] heeft er (als makelaar) belang bij om gevrijwaard te blijven van (mogelijk) schadelijke gevolgen van diffamerende uitlatingen van [gedaagde] . De stelling dat [eiser] daadwerkelijk schade moet hebben geleden, zoals door [gedaagde] betoogd, is rechtens onjuist. De voorzieningenrechter is derhalve voorshands van oordeel dat [gedaagde] gelet op het hiervoor overwogene de grens van het toelaatbare heeft overschreden en jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld.

E-mailbericht aan [bedrijf 5]

4.8.

Op 14 maart 2014 heeft [gedaagde] aan [F] van [bedrijf 5] een e-mailbericht verstuurd (r.o. 2.7). [eiser] heeft ook hier niet vermeld welke onderdelen van dit bericht volgens hem onrechtmatig zijn, en waarom. De voorzieningenrechter gaat er evenwel van uit dat gelet op de vragen die [eiser] per mail aan de heer [E] heeft gestuurd (r.o. 2.8) dat de onrechtmatigheid volgens hem betrekking heeft op de volgende zinsneden: “ [eiser] is afgelopen zomer bij mijn opdrachtgever [bedrijf 2] geweest. De dames van het secretariaat dachten dat mijn kantoordirecteur in elkaar geslagen zou worden.(…) [eiser] stond te flippen voor de balie. (…) [eiser] heeft afgelopen vrijdagavond twee keer de voicemail van [E] ingesproken. Ik heb de voicemails gehoord. Wat een dreigementen zeg. Daar word je eng van.”

4.9.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling niet met zoveel woorden betwist dat, zoals door [eiser] gesteld, hetgeen zij heeft geschreven onjuist is. De voorzieningenrechter acht tevens van belang dat de heer [E] [ [E] , toev. vzr], schriftelijk heeft ontkend dat de door [gedaagde] geschetste gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende komen vast te staan dat hetgeen [gedaagde] heeft geschreven niet op waarheid berust en dat zij hiermee kennelijk geen ander doel heeft gehad dan het bewust beschadigen van het imago van [eiser] . [eiser] heeft er (als makelaar) belang bij om gevrijwaard te blijven van (mogelijk schadelijke gevolgen van) diffamerende uitlatingen van [gedaagde] . [gedaagde] heeft hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter de grens van het betamelijke overschreden en onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.

Overige e-mailberichten

4.10.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij diverse e-mails heeft overgelegd die [gedaagde] in de periode december 2012 tot en met augustus 2013 aan hem en zijn familie en vrienden heeft verstuurd, om aan te tonen dat [gedaagde] de door haar vanaf begin 2014 gedane uitlatingen in Lelystad over [eiser] doelbewust heeft verzonnen met geen enkel ander doel dan hem privé en zakelijk te schaden. [gedaagde] betwist daarentegen dat zij degene is die dergelijke geruchten in Lelystad verspreidt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het kader van deze procedure onvoldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] degene is die op (grote schaal) onjuiste en onnodig grievende mededelingen over [eiser] verspreidt in Lelystad. De door [eiser] in dit verband overgelegde berichten betreffen ‘indirect’ bewijs. Gelet op de betwisting van [gedaagde] is dit onvoldoende. Ook de hiervoor reeds behandelde e-mailberichten van en aan de heren [A] , [F] en [I] leveren hiertoe onvoldoende bewijs op. Uit het feit dat [gedaagde] deze drie personen heeft benaderd, kan immers niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat [gedaagde] deze uitlatingen over [eiser] op uitgebreide schaal in Lelystad heeft gedaan. Hiervoor is wellicht nadere bewijslevering noodzakelijk. Daarvoor leent een kort gedingprocedure zich evenwel niet.

Ten aanzien van het gevorderde

4.11.

Voor toewijzing van de vordering tot het plaatsen van een rectificatie in de Telegraaf, Flevopost en Almere Vandaag zoals gevorderd onder I. acht de voorzieningenrechter geen plaats. Op grond van hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht, is onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] zich richting een breed publiek op onrechtmatige wijze heeft uitgelaten jegens [eiser] . Er is geen sprake geweest van een openbare publicatie, noch is aannemelijk geworden dat [gedaagde] zich tot meer dan de hier genoemde personen heeft gewend. Een openbare rectificatie is daarmee buiten proportioneel en zal eerder tot het oprakelen van het conflict leiden dan tot herstel van de reputatie van [eiser] .

4.12.

De vordering onder II. tot het versturen van een rectificatie aan alle in productie 5 vermelde personen komt niet voor toewijzing in aanmerking. In de onderhavige procedure is alleen ten aanzien van de heren [F] ( [bedrijf 5] ), [A] ( [bedrijf 3] ) en [makelaarskantoor 2] voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] zich onrechtmatig heeft uitgelaten over [eiser] . [gedaagde] heeft in dat verband nog wel gesteld reeds een brief ter verontschuldiging te hebben gestuurd aan de heer [A] . Dit wordt door [eiser] echter bij gebrek aan wetenschap betwist. Of deze brief al dan niet is ontvangen door [A] is niet komen vast te staan. Aangezien de onderhavige procedure zich niet leent voor nadere bewijslevering zal er voorshands van worden uitgegaan dat de brief van [gedaagde] niet door [A] is ontvangen. Gelet op deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] gehouden is een (nieuwe) rectificatie aan [A] te doen toekomen. Voor wat betreft de overige in productie 5 genoemde e-mailadressen overweegt de voorzieningenrechter dat, los van de vraag of hetgeen [gedaagde] jegens hen heeft medegedeeld onrechtmatig is, [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard deze berichten uit 2012 en 2013 te hebben overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat [gedaagde] vanaf begin 2014 (op grote schaal) in Lelystad onjuiste mededelingen over hem verspreidt en daarmee zijn bedoeld ter staving van het onder I. gevorderde. Maar ook indien het wel de bedoeling van [eiser] is geweest om de betreffende e-mailberichten ten grondslag te leggen aan het onder II. gevorderde, komt dit niet voor toewijzing in aanmerking vanwege een gebrek aan spoedeisend belang. Het staat [eiser] evenwel vrij om onderhavig vonnis aan zijn relaties te doen toekomen. Aangezien de voorzieningenrechter te allen tijde tot toewijzing van het mindere kan overgaan, zal de vordering onder II. alleen worden toegewezen ten aanzien van de heer [F] , de heer [A] en [makelaarskantoor 2] .

4.13.

Een rectificatie dient zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter te beperken tot het rechtzetten van eerdere onjuiste/onrechtmatige mededelingen. Daarbij dient de formulering zo objectief mogelijk te zijn en zich te beperken tot feiten, in die zin dat de onjuistheid van de gewraakte mededeling enerzijds en de werkelijke stand van zaken anderzijds daaruit duidelijk blijken. De rectificatie dient derhalve te luiden zoals hierna vermeld.

4.14.

De vordering onder IV. wordt afgewezen. Een vordering tot het zich onthouden van het doen van negatieve uitlatingen op welke wijze dan ook is te onbepaald en levert een te vergaande beperking op de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] op.

4.15.

Nu beide partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren op hierna vermelde wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] om binnen 7 dagen na verzoek daartoe van de zijde van [eiser] , een rectificatie te verzenden aan de geadresseerde van haar e-mail van 14 maart 2014 02:57 uur (de heer [F] , productie 1 van [eiser] ), met een kopie aan [eiser] , met de navolgende inhoud:

"Onderwerpregel: rectificatie

In mijn e-mail van 14 maart 2014 02:57 uur heb ik mij onrechtmatig uitgelaten over de heer [eiser] . Op last van de rechtbank Midden-Nederland, bij vonnis van 23 mei 2014, verzoek ik u die e-mail als niet verzonden te beschouwen.

[gedaagde] ”

5.2.

gebiedt [gedaagde] om binnen 7 dagen na verzoek daartoe van de zijde van [eiser] , een rectificatie te verzenden aan de heer [A] ( [bedrijf 3] ), met een kopie aan [eiser] , met de navolgende inhoud:

“Onderwerpregel: rectificatie

In mijn telefoongesprek van 21 februari 2014 heb ik mij onrechtmatig uitgelaten over de heer [eiser] . Op last van de rechtbank Midden-Nederland, bij vonnis van 23 mei 2014, verzoek ik u hetgeen ik u in dat gesprek heb medegedeeld als niet gezegd te beschouwen.

[gedaagde] ”

5.3.

gebiedt [gedaagde] om binnen 7 dagen na verzoek daartoe van de zijde van [eiser] , een rectificatie te verzenden aan de heer [I] ( [makelaarskantoor 2] ), met een kopie aan [eiser] , met de navolgende inhoud:

“Onderwerpregel: rectificatie

In mijn telefoongesprek van dd. heb ik mij onrechtmatig uitgelaten over de heer [eiser] . Op last van de rechtbank Midden-Nederland, bij vonnis van 23 mei 2014, verzoek ik u hetgeen ik u in dat gesprek heb medegedeeld als niet gezegd te beschouwen.

[gedaagde] ”

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.1

1 type: RC(Mcoll: