Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7570

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
3097928 UT VERZ 14-3722 RHM/1527
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de nalatenschap moet worden vereffend volgens de wet. De kantonrechter oordeelt dat niet is aangetoond dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is om alle schulden van de nalatenschap de voldoen. Er is derhalve geen sprake van het uitzonderingsgeval uit artikel 4:202 lid 1 sub a BW. Een en ander betekent dat de taak van de executeur op grond van artikel 4:149 lid 2 sub d BW is geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0349
RN 2016/4

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3097928 UT VERZ 14-3722 RHM/1527

Beschikking van 27 augustus 2014

inzake

[verzoekster]

gemachtigde: mr. C.H.P. Groot-van Ederen, werkzaam bij Rensen advocaten,

gevestigd te Alkmaar,

verder te noemen verzoekster,

tegen

[verweerster]

gemachtigde: mr. G.J.M. Gussenhoven, werkzaam bij Immix advocaten,

gevestigd te Zeist,

verder te noemen verweerster.

Verzoekster en verweerster zijn de erfgenamen in de nalatenschap van:

[erflater] , geboren te [geboorteplaats] op [1936] , overleden te [woonplaats] op 11 december 2013, laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] , verder te noemen erflater.

1 Procedure

Verzoekster heeft op 21 mei 2014 een verzoekschrift ingediend waarin, kort gezegd, wordt gevraagd verweerster als executeur te schorsen, althans te ontslaan.


Verweerster vraagt in het op 4 juli 2014 ingediende verweerschrift de verzoeken af te wijzen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 21 juli 2014. Hierbij zijn verzoekster met

mr. Breederveld, als vervanger van mr. Groot-van Ederen, verschenen en verweerster met haar advocaat. Voorts waren daarbij aanwezig de heer [A] , echtgenoot van verzoekster, en mr. C. Waanders, kantoorgenoot van mr. Gussenhoven. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Nadien heeft de kantonrechter kennis genomen van de brief van verzoekster van 23 juli 2014 en de reactie daarop van verweerster bij brief van 29 juli 2014.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting van 1 augustus 2014. Hierbij zijn verzoekster met haar advocaat en verweerster met haar advocaat verschenen. Voorts was daarbij aanwezig de heer [A] , echtgenoot van verzoekster.

Nadien is het faxbericht van verzoekster van 31 juli 2014 door de rechter ontvangen. Hiervan is door de kantonrechter echter geen kennis genomen, nu het stuk niet met partijen is besproken en evenmin duidelijk is of de wederpartij hiervan voor de zitting kennis heeft kunnen nemen.

2 Feiten

Erflater heeft op 21 november 2013 bij testament voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt.

In dat testament heeft hij partijen tot enig erfgenamen benoemd. Verweerster is in dat testament tot executeur benoemd. Zij heeft haar benoeming aanvaard.

De nalatenschap is door partijen beneficiair aanvaard.

3 Overwegingen van de kantonrechter

3.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de nalatenschap moet worden vereffend overeenkomstig de voorschriften van afdeling 3 titel 6 boek 4. Artikel 4:149 lid 1 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat de taak van de executeur eindigt wanneer de nalatenschap overeenkomstig de wet moet worden vereffend. In beginsel moet de nalatenschap worden vereffend volgens de wet wanneer zij door één of meer erfgenamen benificiair is aanvaard. Een uitzondering hierop bestaat in het geval er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen (artikel 4:202 lid 1 sub a BW).

3.2.

Het is daarom van belang dat eerst een beslissing wordt genomen over de vraag of de nalatenschap moet worden vereffend, nu dat consequenties heeft voor de vraag of de taak van de door erflater benoemde executeur, zijnde verweerster, is geëindigd. Vaststaat dat partijen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard zodat de vraag is of bovengenoemde uitzondering zich voordoet.

3.3.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is. Zij legt het wettelijk criterium zo uit dat het evident moet zijn dat alle schulden van de nalatenschap ruimschoots kunnen worden voldaan met de goederen van de nalatenschap. Daarover zou dus geen discussie mogelijk moeten zijn, aldus verzoekster. Uit de verstrekte overzichten van de nalatenschap blijkt volgens verzoekster een verwevenheid met andere vermogensbestanddelen. Daarbij komt dat er sprake is van (hypothecaire) geldleningen waarbij erflater hoofdelijk aansprakelijk is. Daar waar het de hypothecaire geldlening rustend op de woning van verzoekster betreft, wordt gevreesd voor excutoriale verkoop en daarmee voor een aanzienlijke restschuld die ook ten laste van de nalatenschap komt. Verzoekster concludeert dat de definitieve samenstelling en waarde van de nalatenschap zodanig onduidelijk is, dat niet is aangetoond dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen.

3.4.

Verweerster voert het volgende aan. De samenstelling van de nalatenschap is weliswaar complex, in die zin dat er sprake is van verschillende goederen die te gelde moeten worden gemaakt om de schulden te voldoen, maar duidelijk is dat met de goederen alle schulden ruimschoots kunnen worden voldaan, zodat sprake is van het uitzonderingsgeval neergelegd in artikel 4:202 lid 1 sub a BW en haar taak als executeur niet is geëindigd. Ter onderbouwing van haar standpunt is een overzicht overgelegd van de bestanddelen van de nalatenschap. Daaruit volgt dat het saldo van de nalatenschap ruim twee miljoen zal zijn, aldus verzoekster. Voorts heeft verweerster aangevoerd dat als de standpunten van verzoekster worden gevolgd er weliswaar bepaalde schulden zouden bestaan ten laste van de nalatenschap, maar dat tegenover deze schulden ook vorderingen van dezelfde grootte ten behoeve van de nalatenschap zouden ontstaan. Derhalve maakt dit geen verschil voor het saldo van de nalatenschap. In dit verband heeft zij onder andere gewezen op het standpunt met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van moeder waarin is vastgesteld dat de kinderen waren overbedeeld tot een bedrag ter hoogte van de waarde van de bedrijfspanden minus de hypothecaire geldlening die daarop rust. Dit heeft gevolgen voor de nalatenschap van erflater. Verzoekster stelt nu wel dat de hypothecaire geldleningen ten aanzien van de bedrijfspanden ten laste van erflater zouden komen en dus een schuld van de nalatenschap betreffen, maar dat maakt anderzijds ook dat de kinderen voor een veel groter deel zouden zijn overbedeeld namelijk voor de waarde van de bedrijfspanden, niet verminderd met de hypothecaire geldlening. In dat geval neemt de vordering van de vader op de kinderen toe, evenzeer als de schuld door deze hypothecaire geldlening zou oplopen. Het gaat dan ook om communicerende vaten, aldus verweerster.

3.5.

De kantonrechter overweegt als volgt. Indien beneficiair is aanvaard, is de erfgenaam niet verplicht een schuld van de nalatenschap uit zijn eigen vermogen te voldoen. Daarom is uitgangspunt bij beneficiaire aanvaarding dat vereffend moet worden volgens de wet. Dit biedt de schuldeisers van de nalatenschap bepaalde waarborgen. Zo dient de vereffening eerst te worden voltooid, derhalve kort gezegd, eerst de schuldeisers worden voldaan, voordat verdeling van een eventueel resterend overschot kan plaatsvinden. Slechts in het geval er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen, vervalt de verplichting om te vereffenen volgens de wet. Dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is om alle schulden te voldoen zal, blijkens de parlementaire geschiedenis bij boek 4 BW, niet gemakkelijk kunnen worden aangenomen zonder dat maatregelen zijn genomen die redelijkerwijs waarborgen dat er geen onbekende schuldeisers meer zijn. Derhalve is niet slechts relevant dat de bekende activa de bekende passiva ruimschoots overtreffen, maar moet ook voldoende vaststaan dat geen ‘nieuwe’ passiva opduiken. Gelet op het voorgaande dient bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voormeld geval rekening te worden gehouden met de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap.

3.6.

Verweerster heeft bij brief van 29 juli 2014 een actueel overzicht overgelegd van de waarde van de nalatenschap. Daaruit blijkt dat de bezittingen van de nalatenschap samengevat bestaan uit:

onroerende goederen € 3.305.000,--;

vastgoed € 416.113,--;

banktegoeden € 224.702,--;

inboedel € 10.000,--;

schilderijen p.m.;

effecten € 155.014,--;

vervoersmiddelen en vaartuigen € 552.427,--;

vorderingen € 44.654,--;

participaties oliebronnen p.m.

De schulden bestaan samengevat uit, schulden bij:

ABN AMRO € 182.435,--;

Van Lanschot p.m.

Kodiak € 67.600,--;

De kinderen vanwege overlijden moeder € 1.986.058,--;

[naam] € 52.078,--;

Ibiza Yachting € 7.177,--

Club Nautico p.m.

Belastingdienst, waaronder schattingen € 173.918,--

erfbelasting en inkomstenbelasting i.v.m. inkeer

3.7.

De kantonrechterechter stelt vast dat verweerster bij de onroerende goederen de waarde van de woonboot te Nieuwersluis heeft opgenomen voor een bedrag van € 1.050.000,-- terwijl tussen partijen vaststaat dat nog onduidelijk is of deze woonboot tot de nalatenschap behoort.

Voorts staat vast dat bepaalde tot de nalatenschap behorende onroerende goederen nog verkocht moet worden. Derhalve is onduidelijk wanneer deze worden verkocht, terwijl onbetwist (door verweerster) is gesteld dat de (aanzienlijke) kosten die verband houden met die onroerende goederen doorlopen. Eveneens is onduidelijk wat de verkoop van het onroerend goed uiteindelijk zal opleveren. Tot slot staat daarbij tussen partijen vast dat ermee rekening moet worden gehouden dat onroerend goed met gebruikmaking van het recht van executie zal worden verkocht, hetgeen de waarde drukt.

Uit het overzicht volgt ook dat een aantal posten p.m. zijn opgenomen zodat thans niet vast staat wat de waarde van die posten is. Dat geldt ook voor de opgenomen schuld aan de belastingdienst nu deze post is geschat. Tevens zijn in het overzicht geen kosten opgenomen voor de afwikkeling van de nalatenschap.

De kantonrechter overweegt tot slot dat door verweerster niet is gesteld en evenmin is gebleken dat maatregelen zijn genomen die redelijkerwijs waarborgen dat er geen onbekende schuldeisers meer zijn.

3.8.

Uit het voorgaande volgt dat de nalatenschap veel bestanddelen bevat. Op dit moment staat niet vast of alle genoemde activa tot de nalatenschap behoren. Het feit dat de woonark wellicht niet tot de nalatenschap blijkt te behoren, betekent al dat het positieve saldo van de nalatenschap op basis van de opstelling van verweerster zou worden gehalveerd. Daarbij staat evenmin vast wat de waarde van de verschillende bestanddelen zal zijn. Dit laatste geldt zowel voor de activa als voor de passiva. Gezien het aantal posten waarvoor dit geldt, de bedragen die zijn gemoeid met deze nalatenschap en het feit dat de kosten doorlopen, betekent dit dat onduidelijk is of en tot welk bedrag alle nu bekende schulden zullen worden afgelost. Gelet daarop en nu is gesteld noch gebleken dat is gewaarborgd dat de opstelling ook alle schuldeisers vermeldt, overweegt de kantonrechter dat het voor de schuldeisers van de nalatenschap niet zeker is of zij ten volle kunnen worden voldaan.

3.9.

De kantonrechter oordeelt dan ook dat verweerster niet heeft aangetoond dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Dat betekent dat er geen sprake is van het uitzonderingsgeval uit artikel 4:202 lid 1 sub a BW zodat de nalatenschap vereffend moet worden volgens de wet. Daarmee is de taak van verweerster als executeur op grond van artikel 4:149 lis 1 sub d BW geëindigd. Voorts betekent dat dat partijen op grond van artikel 4:195 lid 1 BW gezamenlijk vereffenaar zijn.

3.10.

Verzoekster vraagt om haar uitsluitend de bevoegdheden van de vereffenaar toe te kennen op grond van artikel 4:198 BW. Zij voert daartoe aan dat verweerster haar vertrouwen heeft geschonden, maar dat verweerster heeft verklaard, verzoekster wel te vertrouwen.

3.11.

De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 4:198 BW bepaalt, kort gezegd, dat de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uitoefenen, tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Uitgangspunt is derhalve dat partijen gezamenlijk vereffenaar zijn. De kantonrechter oordeelt dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, mede gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting geen aanleiding geeft om in deze zaak van het uitgangspunt af te wijken. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3.12.

Het verzoek om, kort gezegd, verzoekster als executeur te schorsen, danwel te ontslaan zal worden afgewezen omdat uit het voorgaande blijkt dat de taak van de executeur is geëindigd.

Beslissing

De kantonrechter wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.E.M. van Abbe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van mr. R.H.M. den Ouden, griffier, in het openbaar uitgesproken op

27 augustus 2014.