Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7553

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
16/661557-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging woninginbraak. Valsheid in geschrifte (vervalsen van een loonstrook).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661557-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 september 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [1971] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting heeft mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht, namens verdachte het woord gevoerd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, op het volgende neer dat verdachte :

  1. op 5 juni 2014 te [woonplaats] al dan niet samen met anderen heeft geprobeerd in te breken in een woning aan de [adres] ;

  2. in de periode van 6 september 2013 tot en met 2 december 2013 te IJsselstein valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, bewezen wordt verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het onder feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging bepleit om de ten laste gelegde periode uitsluitend bewezen te verklaren voor wat betreft de pleegdatum 9 oktober 2013.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- De aangifte van [aangever 1] ;2

- De bekennende verklaring van verdachte.3

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- De aangifte van [aangever 2] ;4

- De op naam van [verdachte] gestelde loonstrook;5

- De bekennende verklaring van verdachte.6

De rechtbank is van oordeel, zoals ook door de verdediging bepleit, dat van de ten laste gelegde periode alleen de datum 9 oktober 2013 bewezen kan worden, daar verdachte op die dag met gebruikmaking van de vervalste loonstrook een kredietaanvraag heeft gedaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen:

1.

hij op 05 juni 2014 te [woonplaats] en Utrecht ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen,met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan het perceel [adres] , weg te nemen een hoeveelheid vaten geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, tezamen en in vereniging met anderen als volgt heeft gehandeld: zijnde en hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders naar de woning voornoemd toegegaan en vervolgens een hard/scherp voorwerp op/tegen/in de (voor)deur gestoken/geduwd/gepord, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 9 oktober 2013te IJsselstein en Utrecht opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste loonstrook ( [bedrijf] ), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en

onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat de loonstrook voornoemd als bewijs diende voor een geldend dienstverband en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte, geen dienstverband had overeenkomstig de voornoemde loonstrook;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

Feit 1

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft trachten te verschaffen door middel van braak.

Feit 2

Valsheid in geschrifte.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 1 en 2 bewezen geachte, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 61 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair te vervangen door 20 dagen hechtenis.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich geconformeerd aan de straf zoals gevorderd door de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging woninginbraak en het vervalsen van een loonstrook.

De verdachte heeft met zijn poging tot woninginbraak schade veroorzaakt en heeft daarbij alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Daarnaast veroorzaken woninginbraken niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners.

Door gebruik te maken van een vervalste loonstrook heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat een kredietverstrekker in dergelijke stukken mag stellen. Verdachte heeft moeite gedaan en kosten gemaakt om op een geraffineerde, strafbare wijze aan geld te komen en heeft daarbij slechts oog gehad voor zijn eigen belang.

Dit alles weegt in het nadeel van verdachte. In het voordeel van verdachte weegt dat hij ten aanzien van beide feiten volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn motieven en handelwijze.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 juli 2014 van 5 pagina’s waaruit onder meer blijkt dat verdachte in 2010 voor het laatst is veroordeeld.

Het opmaken van een reclasseringsrapport is niet mogelijk gebleken, aangezien verdachte aan de reclassering heeft aangegeven onder te duiken in Turkije omdat hij in Nederland bedreigd zou worden.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat de rechtbank hetzelfde bewezen heeft verklaard als door de officier van justitie gevorderd, bestaat er aanleiding om bij de straftoemeting aan te sluiten bij wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 61 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf van 40 uren, subsidiair te vervangen door 20 dagen hechtenis.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft trachten te verschaffen door middel van braak.

Feit 2

Valsheid in geschrifte.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 61 (eenenzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

De algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 (veertig) uren;

Beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.

Heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Wijna, voorzitter,

mr. J.F. Haeck en R.L.M. van Opstal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2014.

Mr. R.L.M. van Opstal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 juni 2014 te De Meern en/of Utrecht, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een

woning, gelegen aan het perceel [adres] , weg te nemen een hoeveelheid

vaten, in elk geval enig goed/geld, geheel of ten dele toebehorende aan een

ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s) en zich daarbij

de toegang tot die woning te verschaffen en / of die / dat weg te nemen

goederen/geld onder zijn / hun bereik te brengen door middel van braak en/of

verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of

hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) naar de

woning voornoemd toegegaan en/of (vervolgens) (met kracht) een hard/scherp

voorwerp op/tegen/in de (voor)deur gestoken/geduwd/gepord, zijnde de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 6 september 2013 tot en met 2 december 2013

te IJsselstein en/of Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) loonstrook

( [bedrijf] ), - zijnde een geschrift dat bestemd was

om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en

onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat de loonstrook voornoemd als

bewijs diende voor een geldend dienstverband en bestaande die valsheid of

vervalsing hierin dat hij, verdachte, geen dienstverband had overeenkomstig

de voornoemde loonstrook;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende einddossier met nummer PL091A-2014144724 (paginanummers 1 tot en met 247) bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , pag. 10 en 11.

3 Processen-verbaal van verhoor verdachte, pag. 128 – 137, pag. 139 – 143 en pag. 144 -147.

4 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pag. 149 en 150.

5 Pagina 151.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 163 - 170.