Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7513

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
2063486 UC EXPL 13-7187 - 1111
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing loonvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1078

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2063486 UC EXPL 13-7187 - 1111

Vonnis van 17 december 2014

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.J. Vaessen,

tegen:

de besloten vennootschap

CSU Personeel B.V.,

gevestigd te Uden,

verder ook te noemen CSU Personeel,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R.M. Dessaur.

Verloop van de procedure

Verwezen wordt naar het vonnis van 18 december 2013.

[eiser] heeft een akte uitlating na tussenvonnis, tevens vermindering van eis, genomen.

De Hoge Raad heeft op 6 juni 2014 een prejudiciële beslissing gegeven.

[eiser] heeft een akte genomen.

CSU Personeel heeft een akte uitlating na arrest Hoge Raad genomen.

Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

Beoordeling

1.

Bij meergenoemd vonnis van 18 december 2013 is CSU Personeel veroordeeld tot betaling van € 3.368,84 bruto c.a. en heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over het geoordeelde in rechtsoverweging 5.1 alsmede de beslissing ten aanzien van het loon over de periode 15 december 2009 tot en met 28 januari 2010 geschorst in afwachting van de ontvangst van een (prejudiciële) beslissing van de Hoge Raad.

2.

Bij akte uitlating na tussenvonnis tevens vermindering van eis heeft [eiser] de kantonrechter gemeld dat een minnelijke regeling is getroffen over het door [eiser] gevorderde loon over de periode 11 van het jaar 2009 en dat de eis zoals geformuleerd in de dagvaarding onder 1, c wordt ingetrokken.

3.

Bij meergenoemde prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad, kort samengevat, beslist dat in het in artikel 7:629 lid 3 aanhef en onder c BW bedoelde geval de aanspraak op het in artikel 7:629 lid 1 BW bedoelde loon geheel komt te vervallen, derhalve ook over het deel van de werktijd waarvoor de werknemer arbeidsongeschikt is.

4.

Bij meergenoemde akte heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hij kennis heeft genomen van het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2014 en meent hij dat hij niet anders kan dan zich te refereren aan het oordeel van de Hoge Raad. Wel wenst [eiser] op te merken dat hij persoonlijk van mening is dat het oordeel van de artsen dat inhoudt dat hij in de periode van 15 juli 2009 tot 7 juli 2010 belastbaar was voor de arbeid, niet juist is.

5.

Bij akte uitlating na arrest heeft CSU Personeel het standpunt ingenomen dat het arrest van de Hoge Raad in lijn is met het door haar zelf ingenomen standpunt ten aanzien van de vanaf 15 december 2009 ingezette volledige loonstop. Verder wordt aangevoerd dat CSU Personeel zich zou verzetten tegen een standpunt van [eiser] dat een beroep op het algeheel verval van de loondoorbetalingsverplichting onder de omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

6.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

6.1.

Door zich te refereren aan het oordeel van de Hoge Raad moet ook worden aangenomen dat [eiser] niet het standpunt inneemt dat denkbaar is dat een beroep op het algeheel verval van de loondoorbetalingsverplichting onder bepaalde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW.

Bijgevolg dient het deel van de vordering van [eiser] dat betrekking heeft op de zogenoemde loonstop te worden afgewezen.

6.2.

Nu CSU Personeel grotendeels in het ongelijk is gesteld dienen de kosten van de procedure voor haar rekening te komen. De Hoge Raad heeft de kosten van de prejudiciële beslissing op de voet van art. 393 lid 10 Rv begroot op € 1.800,- aan de zijde van [eiser]. Gelet op de uitkomst van de beantwoording van de prejudiciële vraag door de Hoge Raad en omdat [eiser], die in deze zaak blijkens de inleidende dagvaarding op toevoeging procedeert, blijkens de parlementaire geschiedenis voor een aparte toevoeging in aanmerking kan komen voor de procedure bij de Hoge Raad, blijven de gemaakte kosten voor rekening van [eiser].

De beslissing

De kantonrechter

wijst af de loonvordering over de periode 15 december 2009 tot 28 januari 2010.

veroordeelt CSU Personeel in de kosten van de procedure die tot op heden aan de zijde van [eiser] tot de datum van het wijzen van dit vonnis begroot zijn op € 92,82 aan explootkosten, € 75,- aan griffiekosten en € 625,- aan salaris van de gemachtigde van [eiser].

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het eventueel meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.J.M. de Laat en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2014.