Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:750

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
16.659928-13(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld op 25 oktober 2013 bij een pinautomaat in Naarden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659928-13(P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats 1],

verblijvende in het HvB Karelskamp te Almelo.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 6 februari 2014, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.H.T. Gijssel, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van de standpunten die door de raadsman van verdachte naar voren zijn gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 oktober 2013 te Naarden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, op de openbare weg te weten de Ten Boschstraat, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld te weten 150 euro en/of een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij

en/of zijn mededader

- die [slachtoffer] een (schouder)duw heeft/hebben gegeven en/of

- een pistool, althans een soorgelijk voorwerp, op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht, althans heeft/hebben getoond en/of (vervolgens) heeft/hebben gezegd "ga de steeg in, ga daar naartoe", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde, onder verwijzing naar de aangifte2, de aanvullende verklaring van aangeefster3 en de bekennende verklaring van verdachte4, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank volstaat, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de genoemde bewijsmiddelen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 25 oktober 2013 te Naarden op de openbare weg, te weten de Ten Boschstraat, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten 150 euro, en een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij of zijn mededader

- die [slachtoffer] een (schouder)duw heeft gegeven en

- een pistool, althans een soortgelijk voorwerp, op die [slachtoffer] heeft gericht en (vervolgens) heeft gezegd "ga de steeg in, ga daar naartoe", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden dat hij zich gedurende een door de reclassering bepaalde periode zal melden bij de reclassering, zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht en dat hij zal deelnemen aan gedragsinterventies bestaande uit een GI-RN Arbeidsvaardigheden en een GI-RN Cognitieve Vaardigheden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dat het voorarrest niet te boven gaat.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Verdachte heeft samen met zijn mededader op klaarlichte dag een jonge vrouw bij een pinautomaat van haar zojuist gepinde geld en pinpas beroofd. Zij hadden die beroving samen enige tijd van te voren beraamd en voorbereid, waarbij zij een waterpistool zilver gespoten hebben. Het slachtoffer is met genoemd pistool bedreigd. Daarnaast is ook daadwerkelijk geweld toegepast in de vorm van een forse schouderduw.

Het handelen van verdachte heeft bij het slachtoffer zijn sporen nagelaten. Het heeft sterke gevoelens van angst en onzekerheid bij het slachtoffer teweeggebracht. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan.

De door de officier gevorderde gevangenisstraf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de aard en ernst van de door verdachte gepleegde mishandelingen, reden waarom de rechtbank tot een zwaardere straf komt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 27 december 2013;

  • -

    een rapport over de persoon van verdachte d.d. 11 december 2013, uitgebracht door Reclassering Nederland.

De reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte intensieve begeleiding nodig heeft. Zij heeft de rechtbank geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsplicht en het volgen van trainingen. De rechtbank kan zich daarin vinden en zal dienovereenkomstig beslissen.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.387,50 , bestaande uit kosten vervanging bankpas, het gestolen geld, kosten van een zeilwedstrijd, waar de benadeelde partij wel bij aanwezig is geweest maar waar zij niets aan gehad heeft en een dag onbetaald verlof na het zeilevenement.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de ontvreemde € 150,- onder verdachte in beslag genomen is en aan de benadeelde partij terug gegeven kan worden. De kosten van de zeildagen kunnen niet op verdachte worden verhaald, omdat niet duidelijk geworden is in hoeverre de benadeelde partij daaraan deelgenomen heeft en omdat bovendien dat bedrag al inbegrepen is in de immateriële schade. Het onbetaald verlof komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de benadeelde partij dat verlof al opgenomen had.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.000,- als immateriële schade.

Het ontvreemde geld is niet geretourneerd aan de benadeelde partij en dat bedrag komt derhalve voor schadevergoeding door verdachte in aanmerking. Ook de kosten van de vervanging van de bankpas zijn toewijsbaar. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vergoeding voor onbetaald verlof en voor de kosten van de zeildagen niet voor toewijzing – als geleden materiele schade – vatbaar zijn, nu de benadeelde partij het zeilevenement bijgewoond heeft en de dag onbetaald verlof opgenomen heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij op die punten niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. De rechtbank brengt echter in de hoogte van het bedrag aan immateriële schade tot uitdrukking dat ten gevolge van de beroving het zeilevenement noch de dag verlof zo gelopen zijn als benadeelde partij zich had voorgesteld. De vordering zal wat de materiële schade betreft tot een bedrag van € 157,50 worden toegewezen.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd van 2 jaar:

* zich gedurende een door de reclassering bepaalde periode zal melden bij de reclassering, zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zal deelnemen aan een gedragsinterventie bestaande uit een GI-RN Arbeidsvaardigheden en een GI-RN Cognitieve Vaardigheden;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats 2], van een bedrag van € 1.157,50 (zegge: eenduizendhonderdzevenenvijftig euro en vijftig eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 25 oktober 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.157,50 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. van de Streek, voorzitter, mrs. A. van Holten en C.A. de Beaufort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2014.

Mr. E.H. Ruitenbeek was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2013045155, doorgenummerd 1 tot en met 127.

2 Pagina 27-29.

3 Pagina 30.

4 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 6 februari 2014