Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7491

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
3071706 UT VERZ 14-3213 en 3071655 UT VERZ 14-3212
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking op een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en mentor en benoeming van een nieuwe bewindvoerder en mentor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bewindsbureau

locatie Utrecht

zaaknummers : 3071706 UT VERZ 14-3213 en 3071655 UT VERZ 14-3212

BM nummer : 11893

MB nummer : 2670

Beschikking op een verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en mentor en benoeming van een nieuwe bewindvoerder en mentor d.d. 17 juli 2014

Op verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [adres],

hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: mr. G. de Gelder,

met betrekking tot:

[betrokkene],

wonende te [adres],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

hierna te noemen: betrokkene,

gemachtigde: mr. R.K. Uppal.

1 De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 6 mei 2014;

  • -

    de reactie van de bewindvoerder d.d. 21 mei 2014;

  • -

    de reactie van de mentor d.d. 26 mei 2014;

  • -

    het aanvullende verzoekschrift d.d. 30 juni 2014.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 4 juli 2014. Van het verhandelde ter terechtzitting is proces-verbaal opgesteld.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 1987 is betrokkene wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld.

2.2.

Bij beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 27 februari 2012 is de curatele van betrokkene opgeheven. Bij diezelfde beschikking is er een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene en een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene. Thans is de Stichting Bewindvoering en Beheer Cliëntengelden Werkmaatschappij Verstandelijk Gehandicapten (SBBC), postadres: Postbus 30, 3910 AA Rhenen, bewindvoerder (hierna te noemen: bewindvoerder) en [mentor], werkzaam ten kantore van Buro voor Professioneel Mentorschap, postadres: Postbus 158, 3400 AD Woerden, mentor (hierna te noemen: mentor).

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoek strekt tot ontslag van de bewindvoerder en mentor en benoeming van verzoeker tot opvolgend bewindvoerder en mentor.

Ter onderbouwing van zijn verzoek tot ontslag van de mentor voert verzoeker aan dat er sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan de mentor behoort te worden ontslagen. Allereerst stelt dat de mentor geen onafhankelijke positie inneemt ten opzichte van de zorgverlener Zideris. Nadat bij verzoeker en zijn familie het vermoeden rees dat er problemen waren, kreeg hij van de zorgverlener geen informatie meer en heeft verzoeker contact gezocht met de mentor. De mentor heeft verzoeker geen informatie gegeven en – zonder voorafgaand overleg met de familie en zonder onderzoek te doen – de kant van de zorgverlener gekozen. Voorts stelt verzoeker dat de mentor vertrouwelijke informatie van hem heeft doorgespeeld naar (medewerkers van) de zorgverlener.

Ten tweede voert verzoeker aan dat de mentor zijn taak heeft veronachtzaamd. Betrokkene krijgt niet de vereiste en noodzakelijke zorg. Zo heeft de mentor geen onderzoek laten uitvoeren ondanks dat er signalen waren – o.a. van de huisarts – dat het niet goed ging met betrokkene. Voorts krijgt noch verzoeker, noch zijn familie informatie van de mentor en de zorgverlener. Verder deelt verzoeker mee dat de mentor de zorgverlener de vrijheid heeft gegeven zelf beslissingen te nemen. De zorgverlener is voornemens betrokkene te verhuizen naar Rhenen, waardoor ze niet meer in de buurt van de familie zou wonen.

Verder is verzoeker van mening dat er van gewichtige redenen sprake is daar de mentor de band tussen betrokkene en haar familie en de relatie tussen de familie en de zorgverlener schaadt. De stelling van de mentor dat verzoeker niet naar betrokkene heeft omgekeken, klopt niet. De mentor weigert volgens verzoeker contact met hem en zijn familie en daarnaast heeft de mentor weinig tot geen empathie voor de thans 94-jarige moeder van betrokkene, die betrokkene haar hele leven heeft verzorgd. De mentor heeft een bezoekbeperking ingesteld en opdracht gegeven aan de zorgverlener om de politie in te schakelen als de moeder zich daar niet aan houdt. Het voorstel van verzoeker om particuliere begeleiding te financieren heeft de mentor direct afgewezen. Verzoeker is van mening dat de mentor de zaak op de spits drijft door te dreigen verzoeker de toegang te ontzeggen. Er is een klachtprocedure door de mentor aanhangig gemaakt bij de kantonrechter, terwijl verzoeker alleen heeft gezegd voornemens te zijn klacht in te dienen. De mentor verschuilt zich voorts achter verklaringen van de zorginstelling die (bovendien) in strijd met de waarheid zijn afgelegd.

Daarnaast is er volgens verzoeker sprake van gewichtige reden, omdat de mentor een negatief beeld schetst van hem en zijn familie en alleen maar reageert met interpretaties van gebeurtenissen en veronderstellingen. Verzoeker verwijt het de mentor nooit een poging tot de-escalatie te hebben ondernomen.

Tot slot voert verzoeker als gewichtige reden aan dat wat betreft de persoon van de mentor het wettelijke uitgangspunt is dat de voorkeur moet worden gegeven voor naaste familieleden van betrokkene.

3.2.

Met betrekking tot het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder stelt verzoeker dat er sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan de bewindvoerder dient te worden ontslagen. Deze gewichtige redenen bestaan onder andere uit het feit dat de taak van de bewindvoerder nauw verweven is met de taak van de mentor.
Ook met betrekking tot de persoon van de bewindvoerder volgt uit de wet volgt dat de voorkeur moet worden gegeven voor naaste familieleden van betrokkene. Ten tijde van de onderbewindstelling was er geen naast familielid dat deze taak op zich kon nemen en daarom is gekozen voor SBBC als bewindvoerder. Dat is nu anders. Tot slot voert verzoeker als gewichtige reden aan dat hij vermoedt dat de huidige bewindvoerder kosten in rekening brengt en dat de benoeming van hem als bewindvoerder een kostenbesparing met zich meebrengt, nu hij geen bewindvoerdersvergoeding in rekening wil brengen.

3.3.

Namens betrokkene heeft mr. Uppal ter zitting meegedeeld dat hij geen gewichtige redenen heeft geconstateerd. Volgens hem heeft de mentor voldoende gedaan om inzicht te krijgen in de leefomstandigheden van betrokkene. Ook zijn volgens hem de begeleiding en de medewerkers van de instelling van betrokkene tevreden over het functioneren van de mentor. De klachten van verzoeker missen volgens mr. Uppal feitelijke grondslag; hij ziet derhalve geen reden om tot ontslag van de bewindvoerder en mentor over te gaan.

Daarnaast plaatst mr. Uppal vraagtekens bij de geschiktheid van verzoeker tot bewindvoerder en mentor.

3.3.

De mentor heeft verweer gevoerd. Hij is van mening dat uit hetgeen door verzoeker is aangevoerd, geen gewichtige redenen zijn te herleiden. Volgens de mentor staat hij juist open communicatie voor, maar heeft hij besloten om op dit moment geen informatie te geven, gezien de door verzoeker veroorzaakte onrust en zijn dwingende houding, ook naar de hulpverlening toe. Op deze wijze kan een stabiele situatie voor betrokkene zoveel mogelijk worden gegarandeerd. Gelet daarop heeft hij de kantonrechter ook verzocht om een mondelinge behandeling ter zitting, zodat de ontstane situatie met verzoeker kon worden besproken.

Verder deelt de mentor mee actieve bemoeienis te hebben gehad met de moeder van betrokkene, nadat bleek van misbruik van betrokkene en agressief gedrag.

Ten slotte is de mentor van mening dat verzoeker niet geschikt is om bewindvoerder en mentor te worden, omdat is gebleken dat hij met iedereen in conflict komt, nadat hij de laatste maanden in beeld is gekomen. Op deze manier zal hij de belangen van betrokkene niet voldoende kunnen behartigen.

3.4.

De bewindvoerder heeft meegedeeld van mening te zijn dat er geen gronden zijn voor zijn ontslag en dat hem ook niet is gebleken van redenen voor ontslag van de mentor. Gezien hetgeen hij heeft vernomen van Zideris, lijkt het hem niet verstandig dat verzoeker bewindvoerder en mentor wordt.

4 De beoordeling

- Algemeen

4.1.

Op grond de artikelen 448, tweede lid, en 461 tweede lid, boek I Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen de bewindvoerder respectievelijk de mentor op verzoek van de belanghebbenden door de kantonrechter worden ontslagen wegens – voor zover hier relevant – gewichtige redenen.

Terecht wordt door verzoeker aangevoerd dat voor de benoeming van een bewindvoerder en/of mentor in eerste instantie moet worden bezien in hoeverre een familielid tot bewindvoerder en/of mentor kan worden benoemd. Nadat was gebleken dat onder meer verzoeker geen bewindvoerder en mentor kon of wilde worden, is er voor betrokkene een professionele bewindvoerder en een professionele mentor benoemd. Het is derhalve allereerst de vraag in hoeverre er reden is om de bewindvoerder en de mentor te ontslaan. Als dat het geval zou zijn, is daarna de vraag wie tot bewindvoerder en mentor kan worden benoemd en dan zou de wettelijk bepaalde voorkeur voor benoeming van familieleden weer een rol gaan spelen. Het enkele feit dat verzoeker als familielid inmiddels bereid is om bewindvoerder en mentor te worden, is geen gewichtige reden voor ontslag van de benoemde professionele bewindvoerder en mentor.

4.2.

Nu hetgeen verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek heeft aangevoerd, zich primair richt tegen de mentor, zal de kantonrechter allereerst beoordelen in hoeverre er gewichtige redenen zijn om de mentor te ontslaan.

- Het verzoek tot ontslag van de mentor

4.3.

Uit hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht volgt niet dat er sprake is van gewichtige redenen voor ontslag van de mentor. Daartoe is het volgende redengevend.

4.4.

Ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde gronden voor ontslag dat de mentor zich onvoldoende onafhankelijk opstelt ten opzichte van Zideris en er niet op toeziet dat betrokkene de juiste zorg krijgt, is het volgende van belang.

Uit de verklaring van mevrouw [X] van Zideris van 26 april 2014 blijkt dat de moeder van betrokkene curator was over betrokkene, maar dat dat steeds lastiger werd met het ouder worden van de moeder. De moeder van betrokkene is op dit moment 94 jaar. Bij de moeder is een proces van dementie op gang gekomen. Zideris heeft in 2011 contact opgenomen met de zus van betrokkene. Daaruit is gebleken dat de verdere familie niet bij de zorg voor betrokkene kon of wilde worden betrokken. Zij hadden contact met betrokkene op verjaardagen in de familie en op feestdagen als betrokkene bij haar moeder was. Na een jaar aandringen vanuit Zideris heeft de moeder uiteindelijk besloten een verzoek tot omzetting van de curatele en benoeming van een professioneel bewindvoerder en mentor te tekenen. Verzoeker heeft toen, mede namens [A] en [B], aangegeven dat persoonlijke omstandigheden hen verhinderden in deze enige verantwoordelijkheid te dragen. Op 27 februari 2012 is conform het verzoek van de moeder beslist door de kantonrechter.

4.5.

De mentor heeft blijkens de verklaring van [X] vanaf zijn aanstelling regelmatig contact gehad met de persoonlijk begeleiders van betrokkene. Dat was onder meer nodig, omdat de moeder van betrokkene in het contact met betrokkene steeds vaker handelde tegen het belang van betrokkene. Zo had de huisarts aangegeven dat betrokkene niet te lang mocht wandelen, maar de moeder nam haar desalniettemin mee op lange wandelingen waar betrokkene erg moe van terug kwam. Toen was ontdekt dat de moeder betrokkene rectaal toucheerde en haar teennagels veel te ver had afgeknipt, zijn in overleg met de mentor maatregelen getroffen om betrokkene te beschermen, zoals vaste bezoektijden voor de moeder, de afspraak dat de moeder niet alleen met de betrokkene op haar kamer zou zijn en ook niet meer samen met haar zou wandelen, nadat de moeder met haar was verdwaald. Uiteindelijk heeft de moeder, toen betrokkene haar niet na een bezoek naar haar huis mocht brengen, geslagen, geschopt en gespuugd. Om de veiligheid van en de rust voor betrokkene – en de andere bewoners en het verzorgend personeel – te kunnen waarborgen, heeft de mentor daarop besloten om het contact tussen betrokkene en de moeder alleen nog maar te laten plaatsvinden bij de moeder thuis en in aanwezigheid van twee begeleiders.

De gezondheidstoestand van betrokkene is blijkens de verklaring van [X] in de loop van de jaren steeds verder achteruit gegaan en zij had steeds meer zorg nodig. Het afgelopen jaar is betrokkene incontinent geworden voor urine, met name ’s nachts, en ze heeft steeds meer moeite met lopen. Zij valt ’s nachts af en toe in haar kamer, wat de begeleiding niet direct hoort. Zij staat vaak zo wankel op haar benen dat zij door twee begeleiders moet worden ondersteund. Er lijkt op basis van bezoeken aan de huisarts sprake te zijn van een verouderingsproces, mogelijk beginnende dementie en artrose (betrokkene is 65 jaar oud). In dat verband is in januari 2014 in overleg met de mentor besloten om betrokkene aan te melden voor een andere woonplek waar haar meer passende zorg kan worden geboden.

4.6.

Niet is gebleken dat de mentor bij die aanmelding voor een andere woonplek voor betrokkene zijn rol onvoldoende invulling heeft gegeven. Het enkele feit dat verzoeker het niet eens is met deze aanmelding, is daarvoor onvoldoende, nu deze keuze kennelijk het resultaat is van een proces van achteruitgang bij betrokkene, waardoor de benodigde zorg niet meer op de huidige plaats kan worden geboden. Dat de mentor er niet voor heeft gezorgd dat noodzakelijk medisch onderzoek van betrokkene heeft plaatsgevonden, is evenmin gebleken. Daarbij is allereerst van belang dat niet is komen vast te staan dat de huisarts van betrokkene het handelen van de zorginstelling onjuist zou vinden. Verzoeker stelt dat de huisarts zou hebben gemeld dat ten onrechte geen nader onderzoek van betrokkene had plaatsgevonden, maar de raadsman van betrokkene heeft eveneens contact gehad met de huisarts en ter zitting gesteld dat hij dat beeld niet heeft gekregen. Ook overigens is er kennelijk regelmatig contact met de huisarts over betrokkene, zodat niet duidelijk is waarom de huisarts – als er nader medisch onderzoek had of zou moeten plaatsvinden – daar vanuit zijn verantwoordelijkheid niet voor heeft gezorgd. Daarbij is ten slotte niet komen vast te staan dat – als nader medisch onderzoek ten onrechte achterwege is gebleven – de mentor daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

4.7.

Ten aanzien van de stelling dat de mentor het contact tussen de moeder en betrokkene schaadt, is het volgende van belang.

Met een proces van geestelijke achteruitgang van de moeder van betrokkene, is het contact tussen betrokkene en haar moeder steeds belastender geworden voor betrokkene. De mentor heeft blijkens hetgeen hiervoor onder 4.5 is vermeld, het contact steeds verder moeten beperken ter bescherming van betrokkene. Verzoeker heeft niet concreet en onderbouwd aangegeven welke andere maatregelen de mentor redelijkerwijs had moeten treffen, teneinde de veiligheid van betrokkene en – uiteindelijk – haar medebewoners en de medewerkers van de instelling te waarborgen, nog daargelaten in hoeverre dat zou betekenen dat de mentor zodanige keuzes heeft gemaakt dat er gewichtige redenen zijn voor zijn ontslag.

4.8.

Voor wat betreft de stelling dat de mentor het contact van de familie met de betrokkene en de instelling schaadt, overweegt de kantonrechter het volgende.

Allereerst is daarbij van belang dat het feitelijk gaat om het contact tussen de verzoeker en betrokkene alsmede de instelling. Met uitzondering voor wat betreft de moeder en verzoeker, alsmede zijn echtgenote is niet gebleken dat de mentor beperkingen heeft gesteld aan of anderszins invloed heeft uitgeoefend op het contact van de familie met de betrokkene en instelling.

4.9.

Uit hetgeen in deze procedure naar voren is gekomen, blijkt dat verzoeker tot februari 2014 voor de mentor of de instelling geen zichtbare rol speelde in het leven van betrokkene. Noch mevrouw [X], die in de instelling werkt sinds 1990, noch mevrouw [Y], begeleidster van betrokkene, hebben hem vóór 2014 ooit ontmoet of gezien. Het contact met de familie – anders dan de moeder – vond plaats via [zus], de zus van betrokkene. Dat geldt eveneens voor de mentor.

Het eerste contact met verzoeker vindt plaats nadat Zideris aan [zus] heeft gemeld voornemens te zijn betrokkene over te plaatsen. Verzoeker stuurt aan e-mail aan mevrouw [X] en geeft aan dat het hier zou gaan om een ‘rigoureus voornemen’ en verzoekt ‘met klem’ om niet over te gaan tot uitvoering van dit voornemen en verzoekt ook ‘met klem’ om betrokkene niet op de hoogte te brengen. Hij verzoekt vervolgens om een gesprek, dat heeft plaatsgevonden 17 februari 2014. Na dit gesprek mailt verzoeker aan de mentor dat hij alsnog beschikbaar is als mentor en bewindvoerder en dat hij van de rechtbank ook heeft vernomen welke procedure hij daarvoor moet volgen. Hij wil graag op korte termijn een afspraak maken, teneinde dit door te spreken. De mentor reageert daarop positief en verzoekt om een kopie van de verklaring die hij indertijd heeft ingediend bij de instelling van het mentorschap na einde curatele. Aan dat verzoek wil verzoeker niet voldoen. Op vrijdag 28 februari 2014 mailt verzoeker onder meer dat hij een procedure bij de rechtbank in gang zal zetten om tot wijziging van bewindvoerder en mentor te komen.

In de verdere correspondentie worden de kwalificaties van de mentor door verzoeker steeds negatiever. Er is volgens verzoeker onder meer sprake van ‘ernstig plichtsverzuim’, ‘tekort schieten in professioneel toezicht’ en ‘stuitende vooringenomenheid’. De communicatie met Zideris wordt door verzoeker eveneens steeds meer belast. Verzoeker stuurt aan mevrouw [X] aangetekende brieven op 2 en 26 april 2014, de laatste behelst een aansprakelijkheidstelling. Verzoeker betrekt derden bij zijn stellingname in de zin dat hij op 2 april 2014 een brief stuurt naar de Nederlandse Beroepsvereniging van Professionele Mentoren. De echtgenote van verzoeker, die huisarts is, neemt contact op met de huisarts van betrokkene en zorgt begin april 2014 voor een verwijsbrief voor het maken van röntgenfoto’s en doen van een bloedcontrole. De mentor wordt hiervan niet op de hoogte gesteld. Op 10 april 2014 besluit de mentor om de afspraak voor nader onderzoek te annuleren, nadat hij van de persoonlijk begeleider van betrokkene heeft vernomen dat er een afspraak in het ziekenhuis is gepland door verzoeker en na contact met de huisarts. Uit dit contact bleek dat de huisarts in het gesprek met de echtgenote van verzoeker niets wist van deze familierelatie. Hij brengt verzoeker hiervan op de hoogte. Desalniettemin gaan verzoeker en zijn echtgenote op 11 april 2014 naar de instelling toe en nemen betrokkene mee voor onderzoek, waarbij zij mevrouw [Y], leidinggevende, blijkens haar verklaring zwaar onder druk zetten.

Mevrouw [X] verklaart dat verzoeker meerdere malen verschillende mensen binnen de instelling heeft gedreigd met het inschakelen van de Inspectie en dat hij ze – als ze niet meewerkten – aansprakelijk zou stellen voor verwaarlozing van betrokkene.

4.10.

Uit het voorgaande kan niet worden afgeleid dat de mentor debet is geweest aan de verslechtering van de relatie tussen verzoeker en de instelling waar betrokkene verblijft. Veeleer is dat een gevolg van de opstelling van verzoeker, waarbij verzoeker kennelijk ook een onjuist beeld heeft van zijn positie als familielid in de situatie dat er een mentor is benoemd. Evenmin is gebleken dat de mentor het contact tussen verzoeker en betrokkene – onevenredig – heeft beperkt. In dit verband is ook van belang dat de mentor het belang van betrokkene in acht moet nemen en dat de naaste familieleden in zoverre een afgeleid belang hebben in de zin dat het in algemene zin voor een rechthebbende van belang is om contact te onderhouden met familie. Er is voorts geen rechtsregel op grond waarvan een mentor verplicht is naaste familieleden alle informatie te geven waarom zij verzoeken. Ook daarbij is het belang van de betrokkene doorslaggevend.

Het stond de mentor ten slotte vrij om de toezichthoudend kantonrechter te verzoeken om een behandeling ter zitting te bepalen in verband met de klachten van verzoeker – kennelijk – met de gedachte op deze wijze enige duidelijkheid te kunnen scheppen.

4.11.

Resumerend zal het verzoek tot ontslag van de mentor wegens gewichtige redenen worden afgewezen.

- Het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder

4.12.

Er zijn door verzoeker geen inhoudelijke gronden aangevoerd voor ontslag van de bewindvoerder. Dit verzoek hangt vooral samen met het verzoek tot ontslag van de mentor. Nu het verzoek tot ontslag van de mentor niet zal worden gehonoreerd, kan dat geen grond zijn voor ontslag van de bewindvoerder. Dat de bewindvoerder kosten in rekening brengt en dat verzoeker niet voornemens is dat te doen, is – mede gezien de verdere omstandigheden, waaruit volgt dat er gerede twijfel is in hoeverre het in het belang is van betrokkene dat verzoeker bewindvoerder zal worden – onvoldoende om de bewindvoerder te ontslaan. Ook het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder zal de kantonrechter derhalve afwijzen.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.