Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7489

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
C/16/374804 / KL ZA 14-295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter veroordeelt gedaagden om, binnen tien dagen na betekening van dit vonnis, zorg te dragen voor de verwijdering en het voorts verwijderd houden van een website van tekstmateriaal en al het foto-, video- en overig beeldmateriaal waarin de naam van persoon voorkomt en/of waarmee direct dan wel indirect verwezen wordt naar de persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/374804 / KL ZA 14-295

Vonnis in kort geding van 26 september 2014

in de zaak van

[eiser],

zowel pro se als in zijn hoedanigheid van

wettelijk vertegenwoordiger van

het minderjarige kind [minderjarige],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. C.R. Rutte te Alkmaar,

tegen

1. de stichting

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid met de Stichting, gedaagden sub 2. tot en met 6. zullen gezamenlijk de bestuursleden worden genoemd en waar nodig afzonderlijk worden aangeduid met de eigen naam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met daarbij producties 1 tot en met 22

  • -

    de brief van 10 september 2014 van de zijde van de Stichting met daarbij 19 producties

  • -

    de brief van 11 september 2014 van de zijde van [eiser] met daarbij producties 23 tot en met 35

  • -

    de brief van 11 september 2014 van de zijde van [eiser] met daarbij producties 36 en 37

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 september 2014

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van de Stichting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige] is het inmiddels achtjarige kind van [eiser] en [A]. [eiser] en [A] zijn gehuwd geweest en dit huwelijk is op [2010] ontbonden door echtscheiding. [minderjarige] is geboren op [2006].

2.2.

Tot december 2008 heeft [minderjarige] met zijn beide ouders in gezinsverband geleefd. In december 2008 heeft [eiser] de echtelijke woning verlaten, waarna er nog tot 13 augustus 2009 een omgangsregeling was tussen [eiser] en [minderjarige]. Deze omgangsregeling is toen door [A] gestopt.

2.3.

In september 2009 is [eiser] bij de rechtbank Amsterdam een procedure gestart om weer omgang met [minderjarige] te verkrijgen.

2.4.

Uiteindelijk heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 27 november 2013 bepaald dat [eiser] zou worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij [eiser] zou hebben.

2.5.

Van deze beschikking is [A] in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van het hof Amsterdam van 18 maart 2014 is de bestreden beschikking bekrachtigd ten aanzien van het gezag over en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige].

2.6.

Het hof heeft in zijn beschikking onder meer het volgende overwogen:

“4.3. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende. [minderjarige] heeft vanaf zijn geboorte in 2006 tot december 2008 in gezinsverband met de ouders geleefd. In die periode deelden de ouders de zorg voor [minderjarige]. Gesteld noch gebleken is dat de man in die periode ongeschikt was om [minderjarige] te verzorgen. Wel was sprake van relatieproblematiek en een verstoorde verhouding met de ouders van de man. Ook beschuldigen partijen elkaar ervan in die periode agressief jegens de ander te zijn. Nadat de relatieproblemen tussen partijen verder waren geëscaleerd, heeft de man in december 2008 de woning verlaten. Vervolgens heeft de man nog enige tijd regelmatig omgang met [minderjarige] gehad. In mei 2009 heeft de vrouw een convenant opgesteld waarin de wens van partijen is opgenomen om samen in goede harmonie de omgang van [minderjarige] met de man te regelen. Op 13 augustus 2009 haalde de man [minderjarige] vroeger van de crèche op dan de afspraak was. Naar aanleiding hiervan heeft de vrouw de omgang stopgezet. Op verzoek van de man is bij beschikking van de rechtbank van 21 oktober 2009 bij wijze van voorlopige voorziening een verdeling van de zorg- en opvoedtaken bepaald als hiervoor onder 2.2 weergegeven. De rechtbank heeft in deze beschikking overwogen dat partijen het erover eens zijn dat in het kader van de zorg- en opvoedingstaken een regeling voor de duur van de echtscheidingsprocedure dient te worden vastgesteld. Weliswaar verlangde de vrouw dat voorwaarden aan de omgang werden gesteld, maar deze werden destijds kennelijk ingegeven door haar wens om te weten waar [minderjarige] verbleef en de vrees voor contact tussen [minderjarige] en de ouders van de man. Uit deze beschikking blijkt niet dat er in die tijd reden was, of dat van de zijde van de vrouw feiten en omstandigheden nar voren zijn gebracht die aanleiding gaven voor zorgen omtrent de verzorging van [minderjarige] door de man. Na deze beschikking is de omgang vanaf 5 november 2009 weer op gang gekomen. De vrouw is vervolgens gestart met het maken van een logboek. In dit logboek geeft de vrouw een “letterlijke weergave van alarmerende bevindingen omtrent de omgang van [minderjarige] met [eiser]”. Zij beschrijft hierin een groot aantal eigen bevindingen op grond waarvan - naar haar zeggen - bij haar de overtuiging is ontstaan dat [minderjarige] door de man is mishandeld en/of seksueel is misbruikt. Na omgang op 14 maart 2010 is de vrouw op 15 maart 2010 naar de spoedeisende hulp van het AMC gegaan omdat [minderjarige] klaagde over nekpijn. Op 16 maart 2010 rapporteerde [B], arts-assistent kindergeneeskunde van het AMC, aan de huisarts dat hij lichamelijk onderzoek, ook anogenitaal, geen bijzonderheden waren waargenomen en niet duidelijk was geworden of hier sprake was van toegebracht letsel. Wel heeft [B], op grond van het verhaal van de vrouw over alarmerende signalen waarvoor op dat moment geen concrete aanwijzingen werden gevonden, contact opgenomen met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK). Het AMK adviseerde de vrouw om met de man over de gerezen verdenkingen in gesprek te gaan of zelf een AMK-melding te doen. Volgens een door de vrouw overgelegde verklaring van haar zus is [minderjarige] op 18 maart 2010 met zijn tante naar de speeltuin geweest. [minderjarige] is vervolgens op l9 maart 2010 opnieuw wegens nekklachten onderzocht bij de spoedeisende hulp van het AMC, waarbij een nekcontusie is vastgesteld. Over het ontstaan van dit letsel is niets verklaard, zodat niet is komen vast te staan of dit is ontstaan tijdens de omgang met de man op 14 maart of wellicht tijdens het speeltuinbezoek op 18 maart. De vrouw heeft daarop echter de omgang stopgezet. In de daaropvolgende procedure tussen partijen is een onderzoek door de Raad gelast. In het rapport van de Raad van 8 juli 2010 wordt uiteen gezet dat de Raad geen aanwijzingen heeft kunnen vinden voor mishandeling en seksueel misbruik van [minderjarige] door de man. Dat dit rapport, zoals de vrouw heeft gesteld, thans niet meer actueel is, doet niet af aan deze constatering.

4.4.

Op grond van hetgeen onder 4.3 is weergegeven, kan reeds de conclusie getrokken worden dat tot en met juli 2010 geen objectiveerbare, door derden bevestigde, aanwijzingen voorhanden zijn dat [minderjarige] door de man is mishandeld en/of seksueel misbruikt. De aanwijzingen waarnaar de vrouw telkens verwijst, zijn de aanwijzingen die zij zelf in haar logboek heeft opgenomen. De vrouw heeft daarnaast verklaringen van de buitenschoolse opvang en de Kung Fu instructeurs van [minderjarige] overgelegd. Deze verklaringen geven aan dat [minderjarige] voorheen meer kwetsbaar was dan tijdens het opstellen van de verklaring. Wat de oorzaak daarvan is, wordt echter niet duidelijk, laat staan dat hieraan de door de vrouw getrokken conclusie kan worden verbonden dat dit vaststellingen van derden zijn omtrent misbruik en/of mishandeling. Ook de brieven, steunbetuigingen en rapportages van de door de vrouw ingeschakelde deskundigen (de zedenpolitie, [C]. dr. [D] (hierna: [D]), de heer [E], mevrouw [F] geven geen objectiveerbare aanwijzingen voor misbruik en mishandeling en kunnen deze ook niet geven. Deze stukken zijn immers alle opgesteld op grond van uitsluitend door de vrouw geleverde en/of geïnterpreteerde stukken, zonder dat [minderjarige] zelf door de desbetreffende personen is gehoord, laat staan onderzocht en bovendien op een moment dat er (in sommige gevallen al langere tijd) geen omgang meer was tussen [minderjarige] en de man en partijen al geruime tijd in een escalerend conflict verkeerden. Weliswaar heeft jeugdarts [G] op 28 juni 2010 een verwijsbrief geschreven omdat [minderjarige] symptomen van een posttraumatische stress stoornis vertoonde, maar een diagnose als zodanig heeft zij niet gesteld, terwijl de vrouw bovendien geen gebruik gemaakt heeft van deze verwijzing, Om te kunnen vaststellen of er sprake is van mogelijke traumatisering van [minderjarige] waardoor het contact tussen hem en de man mogelijk schadelijk zou kunnen zijn, heeft de rechtbank onderzoek door Fora en begeleide omgang gelast. Door tegenwerking van de vrouw heeft tijdens het door de rechtbank gelaste FORA onderzoek geen interactie tussen de man en [minderjarige] kunnen plaatsvinden zodat deze ook niet geobserveerd kon worden. Aan begeleide contacten via het Omgangshuis en de Opvoedpoli heeft zij evenmin mee willen werken. Uiteindelijk heeft via het NIFP wel een onderzoek van [minderjarige] zij het niet in interactie met de man door drs. [H] (hierna: [H]) kunnen plaatsvinden. Uit dit onderzoek komen geen aanwijzingen naar voren dat [minderjarige] misbruikt of mishandeld is.

(…)

4.10.

Naar het oordeel van het hof luidt de conclusie op grond van het voorgaande, de rapportages van [H] en de overige talrijke stukken in het dossier, dat er onvoldoende objectiveerbare feiten zijn gebleken die wijzen op mishandeling en/of misbruik van [minderjarige] door de man. De grieven van de vrouw de zijn gericht tegen overwegingen van de rechtbank die uitgaan van het ontbreken van dergelijke aanwijzingen, falen derhalve eveneens.

4.11.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het goed met [minderjarige] gaat en dat hij het naar zijn zin heeft bij elk van de ouders. Gebleken is daarnaast dat zowel de man als de vrouw in staat zijn om de verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. Uit de onderzoeken van [I] en [H] komt niet naar voren dat de persoonlijkheidsstructuur van de man maakt dat hij ongeschikt is om de verzorgende rol als vader voor [minderjarige] op zich te nemen. Sinds 28 november 2013 heeft geobserveerde interactie tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden, waarbij het beeld is bevestigd dat er geen belemmeringen zijn bij de man om de verzorging van [minderjarige] op zich. te nemen. Uit voormelde onderzoeken door [H] en [I] is evenmin naar voren gekomen dat de persoonlijkheidsstructuur van de vrouw maakt dat zij ongeschikt is om de verzorgende rol als moeder voor [minderjarige] op zich te nemen. Voor beantwoording van de vraag waarom het partijen desondanks niet is gelukt om, in het belang van [minderjarige], een uitweg uit de gerezen impasse te vinden, zijn in de rapportages van [H] en [I] naar het oordeel van het hof duidelijke aanknopingspunten te vinden. Uit bedoelde rapportages komt naar voren dat tussen partijen enorme verschillen bestaan in de kijk op elkaar en hun gemeenschappelijk verleden, terwijl daarin eigenschappen van zowel de man als de vrouw worden genoemd die het welhaast onmogelijk lijken te maken de gerezen kloof te overbruggen. Er is sinds de plaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin sprake van een in snel tempo opbouwend contact tussen de man en [minderjarige], waarbij de observatie van gezinsvoogd en pleegouders is dat [minderjarige] hier goed op reageert. Hoewel de vrouw thans stelt dat zij wil meewerken aan omgang tussen de man en [minderjarige] als hij weer bij haar komt wonen, heeft het hof onvoldoende vertrouwen erin dat zij deze toezegging gestand zal doen zolang de vrouw zich op het standpunt blijft stellen dat [minderjarige] ernstig door de man is getraumatiseerd, terwijl vooralsnog niet is gebleken dat de aan dit standpunt ten grondslag liggende overtuiging van de vrouw op dit punt aan het wankelen is geraakt. In het verleden zijn pogingen tot contactherstel via de Raad, FORA, Omgangshuis, Opvoedpoli en BJAA gestrand, omdat de vrouw telkens nieuwe voorwaarden stelde en/of obstakels opwierp. Tot aan de beschikking van de rechtbank op 27 november 2013 heeft de vrouw op geen enkele wijze blijk gegeven van een welwillende houding ten opzichte van omgang tussen de man en [minderjarige], laat staan dat zij op enig moment een actieve houding heeft aangenomen om omgang tussen de man en [minderjarige] te bewerkstelligen. Het hof is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het standpunt van de vrouw op dit punt thans daadwerkelijk is gewijzigd. In zijn beoordeling betrekt het hof verder het advies van de Raad ter zitting in hoger beroep. De Raad is van mening dat het proces waarin [minderjarige] nu verkeert onomkeerbaar is. Hij heeft contact met de man, er hebben al overnachtingen plaatsgevonden en het is niet in zijn belang dat dit stopt. De Raad wijst op signalen dat de vrouw [minderjarige] nog steeds niet kan steunen in het contant met de man. Zo heeft zij hem voorafgaand aan het kort geding van 8 januari 2014 een brief laten schrijven dat hij bij haar wil zijn en niet hij de man (door de vrouw overgelegd als productie 93). De man heeft volgens de Raad daarentegen, door mee te werken aan de tijdelijke plaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin teneinde een verantwoorde plaatsing bij hem voor [minderjarige] mogelijk te maken, en door tegen [minderjarige] positief over de vrouw te spreken, vooralsnog laten zien dat hij de vrouw de rol kan geven die in het leven van [minderjarige] nodig is. Het hof acht het gelet op het voorgaande in het belang van [minderjarige] dat hij zijn hoofdverblijf bij de man heeft, nu de man geschikt is om de verzorgende rol voor [minderjarige] op zich te nemen en de man in staat is gebleken om [minderjarige] de ruimte te geven voor omgang met de vrouw. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking ten aanzien van de hoofdverblijfplaats bekrachtigen. Het verzoek van de vrouw dienaangaande wordt afgewezen.”

2.7.

Op 7 april 2014 is de [gedaagde sub 1] opgericht, met gedaagden 2 tot en met 6 als bestuursleden. [gedaagde sub 2] is voorzitter van deze stichting. Hij is ook de vader van [A] en de opa van [minderjarige]. [gedaagde sub 3], de zus van [A] en de tante van [minderjarige], is secretaris. [gedaagde sub 4] is de echtgenoot van [gedaagde sub 3], de zwager van [A] en de oom van [minderjarige].

2.8.

De Stichting onderhoudt een website met de domeinnaam “[domeinnaam].nl” waarmee zij in de publiciteit treedt. [gedaagde sub 3] is geregistreerd als houder van deze website (hierna aangeduid als de website of de website van de Stichting).

2.9.

De doelstelling van de Stichting is onder meer, voor zover hier van belang:

“a. financiële middelen genereren voor de juridische, maatschappelijke en eventueel politieke actie en inzet om de rechten te bevorderen van [minderjarige] en andere kinderen die nu slachtoffer zijn van kindermishandeling en seksueel misbruik in familiale context, of die dat in de toekomst (door onvoorbereid ouderschap) zullen worden, in het bijzonder met betrekking tot de fundamentele rechten van het kind op waardigheid, geborgenheid en positieve relaties;

(…)

Uit diverse casussen, waaronder die van [minderjarige], blijkt dat er ernstige omissies in het Nederlandse beleid ten aanzien van kindermishandeling en seksueel misbruik van kinderen in de familiale sfeer. Dit kost niet alleen circa 200 levens per jaar, maar levert ook veel schade op aan toekomstige kinderen.”

2.10.

De website vermeldt verder:

“Een week voor Sinterklaas, werd een uitstekende moeder – bevestigd door deskundigen en jeugdzorg – door de rechter per direct uit het gezag over [minderjarige] ontheven, zonder dat ooit feitenonderzoek is gedaan naar haar geobjectiveerde zorgen over de omgang van vader met het kind en nadat de rechter de omgang tussen vader en kind ruim drie-en-half jaar geschorst had. Zie o.m. [minderjarige] zelf.

Als gevolg hiervan werd [minderjarige], die net als zijn moeder van niets wist en ’s morgens nog huppelend van zijn moeder afscheid nam, voor de ogen van ouders, kinderen en leerkrachten afgevoerd en ondergebracht in een voor hem en zijn moeder onbekend crisisopvanggezin. Dit zonder afscheid te kunnen nemen van zijn moeder, zonder een gepakt koffertje, zonder zijn vertrouwde slaapknuffels. Zonder dat hij wist wanneer en of hij zijn moeder, familie vrienden en vriendjes ooit terug zal zien.

Na de scheiding van zijn ouders in 2010 en na een aanvankelijke beperkte bezoekregeling met vader onder voorwaarden, verzette het kind zich heftig tegen verdere contacten met zijn vader. Een bezoekregeling werd in juni 2010 door de rechter geschorst. Niettemin werd nadien door de overheid en de rechtbank op allerlei manieren getracht tegen de wil van het kind een bezoekregeling met zijn vader af te dwingen.

Zelfs in het pleeggezin in december 2013, geïsoleerd van zijn moeder, familie en vrienden heeft het kind zijn wil nog kenbaar gemaakt: “Wanneer [minderjarige] begin december 2013 werd gevraagd of hij nog vragen had aan de pleegzorgwerker of GM gaf [minderjarige] aan dat hij graag naar zijn moeder wilde en niet naar zijn vader omdat deze hem vreselijk pijn heeft gedaan. Zijn hele lichaam deed er pijn van.”

2.11.

Verder zijn op de website de volgende teksten te vinden:

“[minderjarige] zelf aan het woord

[minderjarige] heeft altijd zijn stem laten horen aan de mensen die hij vertrouwt, opgetekend in onder meer het logboek, en ook aan diverse professionals (zie compilatie rechterzijde). Sinds 28 november 2013 mag [minderjarige] (7 jaar) niet meer vrij spreken met zijn moeder, zijn geboortefamilie, zijn school, zijn vriendjes en zijn hobby- en sportclub, de mensen van wie hij houdt en die hij vertrouwt. Hij maakte daarom een aantal tekeningen, die hij zijn moeder mee gaf tijdens het ene uur per week dat [minderjarige] en zijn moeder elkaar onder toezicht mochten zien. Een compilatie.

“[minderjarige] geeft uit zichzelf aan dat X (voornaam vader) slecht is. Als ondergetekende om verduidelijking vraagt, zegt [minderjarige] dat X slechte dingen doet. Ondergetekende geeft aan dat zij niet weet wat hij met slechte dingen bedoelt. [minderjarige] zegt vervolgens dat X hem slaat. (…) Als [minderjarige] wordt gevraagd of hij zijn vader zou willen zien, antwoordt hij met ‘nee’. (…)” Uit spelsessie gedragsdeskundige van de Raad voor de Kinderbescherming met [minderjarige] (toen 3 jaar) op 16 juni 2010

“Spontaan, zonder enige aanleiding, vertelt [minderjarige] dat hij bang is voor X (vader). (…) Zonder dat direct op de opmerking van [minderjarige] wordt ingegaan geeft hij aan dat hij niet meer naar X wil. Met een dun en angstig stemmetje vraagt hij of onderzoekster ervoor kan zorgen dat hij niet weer naar X hoeft.” Uit het Psychologisch Rapport aan de Rechtbank, 14 juni 2013

Compilatie uit het logboek:

“Wie helpt mij dat ik mijn vader niet hoef te zien?”

“Ik wil een beetje weinig naar X.”

“Niemand mag aan mij zitten.”

“Ik voelde me beschaamd bij papa, en toen verdrietig. Maar toen ik bij jou was was ik weer blij.”

“X, jij hebt mij geslagen, dat mag niet. Jij bent niet mijn baas. Het gaat over liefde en niet over stoute mensen!”

“Zie je dat mama, mijn hartje kijkt weer blij.”

“Slaan en pijn doen vind ik slechte dingen.”

“X zijn vriendjes doen mij ook pijn. Maar hun kinderen niet.”

“X heeft mij ook weleens op mijn kop geslagen. Toen had ik pijn. Gelukkig maar een klein beetje. Zo veel als tussen mijn vingers.”

“Mama, die mevrouw die mijn kamer wou zien die doet niets voor mij, die gelooft hém.”

“Ik ben te jong om dit allemaal mee te moeten maken.” 25 februari 2013

“Mama, jij doet nooit plakband op mijn mond, andere mama’s wel?” “Nee, natuurlijk niet, hoe kom je daar bij?” “Dat deed papa bij mij toen ik klein was. Hij deed er plaksel bij dat er later af ging. Dat deed pijn.”

“Ik weet niet meer precies alle kaartjes, maar er zat er een bij ‘door wie wordt je gepest’. Die heb ik niet bij X gedaan, omdat X veel ergere dingen doet dan pesten en ik hem niet meer heb gezien. Wat X deed zat er niet bij.”

“De mevrouw zei: “Alles wat jij vertelt blijft binnen dit hokje”, maar daar geloof ik geen bal van.”

“Ik vind het raar dat de onderzoekers steeds weer opnieuw onderzoek doen. Ze weten toch dat ik niet naar X wil. Dat heb ik al verteld toen ik klein was. Ik vind het ook raar dat de mevrouw ‘papa’ zegt. Ze weet toch dat ik dat niet wil. Dat moeten ze toch al na één keer weten. Ze zijn zeker een beetje dom.”

2.12.

Op de website van de Stichting staan foto’s van [minderjarige] en tekeningen van zijn hand.

2.13.

Op de website van de Stichting wordt opgeroepen een petitie te ondertekenen:

“[minderjarige] werd op 28 november 2013, een week voor Sinterklaas, onder schooltijd plotsklaps door jeugdzorg uit zijn klas weggevoerd en mag sindsdien, tegen zijn uitdrukkelijke wil en zonder deugdelijke reden, niemand uit zijn leven meer vrijelijk zien. Zijn mama niet, zijn familie niet, zijn vriendjes niet en ook zijn eigen school niet. Wat moet hier verborgen blijven?

Help ons [minderjarige] zijn leven terug te geven en teken de petitie! (NB Vergeet niet de link in de ontvangen mail te bevestigen. Geen bevestigingsmail ontvangen? Check (online) spambox ajb)

En deel alsjeblieft ook de video en de petitie op Facebook en Twitter, dank!

Wat [minderjarige] wil wordt duidelijk uit zijn onderstaande tekeningen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. gedaagden te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, zorg te dragen voor de verwijdering van de gehele publicatie op de website [domeinnaam].nl, bestaande uit al het zich thans op deze website bevindende tekstmateriaal en foto-, video- en overig beeldmateriaal, alsmede het voorts van voornoemde website verwijderd houden van deze gehele publicatie, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

II. gedaagden te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede Justitie te bepalen termijn, ervoor zorg te dragen dat na de verwijdering van het zich thans op de website [domeinnaam].nl bevindende tekstmateriaal en foto-, video- en overig beeldmateriaal, dit materiaal evenmin nog via welke webpagina, welke social media, welke zoekopdracht en welke zoekmachine dan ook, inclusief het cachegeheugen van deze zoekmachines, op het internet te vinden zal zijn, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

Subsidiair

III. gedaagden te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, zorg te dragen voor de verwijdering en het voorts verwijderd houden van al het tekstmateriaal enerzijds en al het foto-, video- en overig beeldmateriaal anderzijds, op de website vww.[minderjarige].nl, waarin de naam van [minderjarige] voorkomt en/of waarmee direct dan wet indirect verwezen wordt naar [minderjarige] en/of [eiser], een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

IV. gedaagden te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, ervoor zorg te dragen dat na de verwijdering van het zich thans op de website [domeinnaam].nl bevindende tekstmateriaal en foto-, video- en overig beeldmateriaal, waarin de naam van [minderjarige] voorkomt en/of waarmee direct dan wel indirect verwezen wordt naar [minderjarige] en/of [eiser], dit materiaal evenmin nog via welke webpagina, welke social media, welke zoekopdracht en welke zoekmachine dan ook, inclusief het cachegeheugen van deze zoekmachines, op het internet te vinden zal zijn, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

In alle gevallen

V. gedaagden te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een te bepalen termijn, te verwijderen en verwijderd te houden van het internet, waaronder

mede verstaan social media, de door de Stichting geïnitieerde petitie alsmede alle commentaren daarop en alle overige uitlatingen welke zijdens de Stichting op het internet zijn gedaan, waaronder mede verstaan op Youtube en andere soortgelijke mediakanalen geplaatste video’s, ten aanzien van de gestelde mishandeling en het seksueel misbruik van [minderjarige], zodanig dat dergelijke uitlatingen nergens meer - via welke webpagina, welke social media, welke zoekopdracht en welke zoekmachine dan ook, inclusief het cachegeheugen van de zoekmachines - op het internet te vinden zullen zijn, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000, 00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

VI. gedaagden te veroordelen zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, te onthouden van het doen van enige uitlating, online dan wel offline, die [eiser] in verband brengt met het plegen van strafbare feiten, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

VII. gedaagden te veroordelen zich met onmiddellijke ingang na betekening dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, te onthouden van het doen van enige uitlating, online dan wel offline, die [minderjarige] in verband brengt met het slachtoffer zijn van kindermishandeling en/of seksueel misbruik in familiale context, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

VIII. gedaagden het verbod op te leggen, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, om met gebruikmaking van de naam “[minderjarige]”, al dan niet verwerkt in de naam van een rechtspersoon en/of domeinnaam, thema’s als kindermishandeling en seksueel misbruik van kinderen in zijn algemeenheid, al dan niet in familiale context, in de openbaarheid aan de orde te stellen, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

IX. gedaagde sub 3, h.o.d.n. Grow ‘n’ Up, te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de domeinnaam [domeinnaam].nl om niet over te dragen aan [eiser], een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde sub 3 ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

X. gedaagden te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de statutaire doelstelling van de Stichting zodanig te wijzigen dat daarin niet langer is opgenomen de naam van [minderjarige] in combinatie met het slachtoffer zijn van kindermishandeling en seksueel misbruik, een en ander op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagden ten aanzien van deze veroordeling in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,00, althans een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van een in goede justitie te bepalen bedrag;

XI. gedaagden te veroordelen tot het betalen van de door [eiser] te maken nakosten ter incassering van zijn vordering, indien hij in dezen in het gelijk wordt gesteld, welke forfaitair zijn vastgesteld op € 131,00 (exclusief BTW), en in het geval dat betekening dient plaats te vinden van het te dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met een bedrag ad € 68,00 (exclusief BTW);

XII. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Stichting voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen.

Ontvankelijkheid

4.2.

De Stichting heeft gesteld dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen voor zover deze namens [minderjarige] (hierna het kind) zijn ingesteld. [eiser] heeft volgens de Stichting niet vermeld dat hij optreedt in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger. Daarnaast zou het in deze zaak de aangewezen weg zijn om een bijzonder curator te benoemen, aldus de Stichting.

4.3.

Ter zitting heeft [eiser] verklaard ook op te treden in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van het kind. [eiser] heeft deze hoedanigheid niet vermeld in de kop van de dagvaarding, waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat [eiser] alleen voor zichzelf optreedt. Uit het gestelde in het lichaam van de dagvaarding blijkt echter zonneklaar dat [eiser] zijn vorderingen mede in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van het kind instelt. Uiteindelijk gaat het om de vraag of de Stichting voldoende in de gelegenheid is geweest om hier haar verweer op af te stemmen en naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat het geval. De voorzieningenrechter verbetert de partijaanduiding.

4.4.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot benoeming van een bijzonder curator. Het kind heeft er belang bij om niet publiekelijk te worden weggezet als slachtoffer van seksueel misbruik en/of mishandeling, terwijl het belang van [eiser] daarin is gelegen dat hij niet als dader van seksueel misbruik en/of mishandeling wordt geportretteerd. Deze belangen zijn niet conflicterend.

4.5.

De Stichting heeft betoogd dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen voor zover die zijn gericht tegen de individuele bestuurders van de Stichting. Volgens de Stichting zou gesteld noch gebleken zijn dat hen een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.

4.6.

De bezwaren tegen de vorderingen zoals die tegen de individuele bestuursleden zijn ingesteld zijn inhoudelijk van aard en zullen, indien gehonoreerd, tot afwijzing leiden van de vordering voor zover gericht tegen de individuele bestuursleden. Deze bezwaren leiden niet tot niet-ontvankelijkheid en zullen hieronder inhoudelijk worden behandeld.

Inhoudelijk

4.7.

Vooropgesteld moet worden dat de onderhavige vorderingen met betrekking tot de openbaarmaking strekken tot een inperking van het aan de Stichting op grond van artikel 10 lid 1 EVRM toekomend grondrecht op de vrijheid van meningsuiting. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van dat artikel, kan het recht op de vrijheid van meningsuiting slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

4.8.

Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de inhoud en verspreiding van de publicatie onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW geacht moeten worden. Voor een antwoord op de vraag of de door de Stichting geplaatste teksten en afbeeldingen onrechtmatig zijn, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen.

4.9.

Het belang van de Stichting is om in het openbaar mishandeling en seksueel misbruik van kinderen in familiale context aan de kaak te stellen, daar aandacht voor te vragen en over dit onderwerp te kunnen informeren. Zoals hierboven al overwogen is het belang van het kind om niet publiekelijk als slachtoffer van mishandeling en/of misbruik te worden weggezet en het belang van [eiser] om niet lichtvaardig in het openbaar als dader te worden aangewezen.

4.10.

Welk belang de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waarbij onder meer, maar niet uitsluitend, de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801, bevestigd in HR 18 januari 2008, LJN BB3210):

  • -

    de aard van de gepubliceerde verdenking en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenking betrekking heeft;

  • -

    de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

  • -

    de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenking steun vond in het toen beschikbare feitenmateriaal;

  • -

    de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de hiervoor genoemde omstandigheden;

  • -

    de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op redelijk spoedig succes bereikt had kunnen worden;

4.11.

Uit hetgeen op de website van de Stichting en andere onder het beheer van de Stichting en/of haar individuele bestuursleden staande internetonderdelen staat, is eenvoudig op te maken dat het kind van [eiser] en [A] wordt aangewezen als slachtoffer van mishandeling en seksueel misbruik in familiale context. Door zijn unieke naam, het vermelden van zijn leeftijd en zelfs zijn achternaam is het kind zonder meer te identificeren. Door directe en indirecte verwijzingen wordt ook duidelijk dat [eiser] door de Stichting wordt aangewezen als dader. Hoewel de Stichting stelt een algemeen belang te dienen en op te komen voor alle kinderen die slachtoffer zijn of kunnen worden, verwijst zij enkel naar dit ene kind waarbij van dit kind uitvoerig naam en beeld (foto, video, maar ook persoonlijke tekeningen van het kind) worden tentoongespreid.

4.12.

Het in verband brengen van het kind (als slachtoffer) en van [eiser] (als dader) met mishandeling en/of seksueel misbruik in familiale context is een bijzonder ernstige uitlating die ernstige gevolgen voor zowel het kind als [eiser] kunnen hebben. Door de publiekelijke toegankelijkheid van de publicaties van de Stichting op het internet zal het kind de rest van zijn leven op elk willekeurig moment door elke willekeurige derde er mee geconfronteerd (kunnen) worden dat hij volgens de Stichting slachtoffer zou zijn van seksueel misbruik en mishandeling in familiale context, meer precies door zijn vader. [eiser] zal de rest van zijn leven achtervolgd worden door de beschuldiging dat hij zijn zoon zou hebben mishandeld en seksueel misbruikt met alle mogelijke consequenties van dien.

4.13.

De uitlatingen van de Stichting over de mishandeling en het seksueel misbruik worden door de Stichting niet gepresenteerd als beschuldigingen maar als feiten. Alsof vast zou staan dat het kind mishandeld en/of seksueel misbruikt zou zijn door [eiser], zijn vader. Hiervan is tot op de dag van vandaag echter geen sprake. Het hof heeft in zijn beschikking van 18 maart 2014 overwogen dat er geen objectiveerbare, door derden bevestigde aanwijzingen voorhanden zijn dat het kind door [eiser] is mishandeld en/of seksueel misbruikt. De aanwijzingen waarnaar [A] in al die procedures telkens naar verwees, waren haar eigen aanwijzingen opgetekend in het door haar bijgehouden logboek. Het hof heeft verder overwogen dat de verklaringen van derden die [A] heeft overgelegd in die procedures zijn opgesteld op basis van uitsluitend door haar verstrekte en/of geïnterpreteerde informatie, zonder dat het kind door die derden zelf is gehoord, laat staan onderzocht.

Ook in deze procedure is niet gebleken van objectiveerbare aanwijzingen die de stelling dat [eiser] het kind zou hebben mishandeld en/of seksueel misbruikt ondersteunen, laat staan bewijzen. De uitlatingen van de Stichting vinden geen steun in de feiten.

4.14.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de wijze waarop de Stichting zich heeft uitgelaten onnodig grievend jegens zowel het kind als [eiser]. Het in de context van mishandeling en seksueel misbruik plaatsen van teksten, afbeeldingen en tekeningen van de hand van het kind vormt een grove inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Daarnaast is het de Stichting te verwijten dat zij haar ‘feiten’ onvolledig en daardoor onzorgvuldig presenteert. De Stichting plaatst haar welgevallige citaten uit rapporten, zonder dat de lezer deze in de juiste context kan plaatsen. De lezer wordt hierdoor eenzijdig en onvolledig geïnformeerd.

4.15.

De stelling dat het verhaal van dit kind al “op straat zou liggen” en dus al publiekelijk bekend zou zijn, is niet te volgen. In het anonimiseringsproces van één rechterlijke uitspraak is op detail iets fout gegaan, waardoor de naam van het kind op één plek in de uitspraak is blijven staan. Na constatering van deze omissie, is de fout rechtgezet en is de naam van het kind volledig uit de uitspraak verdwenen. Voor zover in de media over het verhaal van dit kind is bericht, is dat gedaan met gefingeerde namen. Dat de casus van dit kind hierdoor al publiekelijk bekend zou zijn is onwaarschijnlijk, door [eiser] betwist en door de Stichting niet onderbouwd. Dat de Raad voor de Kinderbescherming deze casus zou willen gebruiken voor de opleiding van zijn medewerkers betekent niet dat de bij deze casus betrokken personen met naam en toenaam zullen worden genoemd.

4.16.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Stichting onrechtmatig handelt jegens zowel het kind als [eiser], door het kind en [eiser] publiekelijk in verband te brengen met mishandeling en/of seksueel misbruik in familiale context.

4.17.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de bestuurders van de Stichting daarbij een persoonlijk verwijt valt te maken. Zij zijn degenen die de teksten en afbeeldingen van het kind op internet hebben geplaatst. Juist ook vanwege de persoonlijke betrokkenheid van verschillende (zo niet alle) bestuursleden, hadden zij zich het belang van vooral het kind aan moeten trekken en daarnaar moeten handelen. De bestuursleden hebben ongenuanceerde en ongefundeerde uitlatingen op het internet geplaatst of laten plaatsen die een willekeurige lezer doen aannemen dat het kind is mishandeld en/of seksueel misbruikt door zijn vader. Zij hadden zich de ernst van de uitlatingen over de mishandeling en/of het seksueel misbruik van het kind door zijn vader in samenhang met het gebrek aan objectieve ondersteuning voor de inhoud van die uitlatingen moeten realiseren en daaraan de consequentie moeten verbinden om zich te onthouden van de uitlatingen in de vorm waarin die op het internet zijn verschenen. Op grond hiervan acht de voorzieningenrechter de vorderingen, voor zover toewijsbaar, ook jegens de individuele bestuursleden toewijsbaar.

De vorderingen

4.18.

De primaire vorderingen sub I. en II. zullen worden afgewezen. Dat de uitlatingen van de Stichting die het kind en/of [eiser] in verband brengen met mishandeling en/of seksueel misbruik in de familiale sfeer maakt nog niet dat de volledige inhoud van de website als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd. Deze vordering strekt te ver.

4.19.

Omdat de uitlatingen van de Stichting (en de bestuursleden) die het kind en/of [eiser] in verband brengen met mishandeling en/of seksueel misbruik in de familiale sfeer wel als onrechtmatig worden gekwalificeerd, is de subsidiair geformuleerde vordering onder III. toewijsbaar met dien verstande dat aan de Stichting en haar bestuursleden een termijn van tien dagen gegund zal worden om voor verwijdering zorg te dragen.

4.20.

De vordering sub IV is toewijsbaar (met inachtneming van tien dagen in plaats van 48 uur) met dien verstande dat deze vordering beperkt zal worden tot webpagina’s en social media onder beheer van de Stichting en/of haar individuele bestuursleden. Een veroordeling om ervoor zorg te dragen dat de onrechtmatige informatie niet meer op het internet te vinden zal zijn via welke zoekopdracht en welke zoekmachine dan ook, inclusief het cachegeheugen van deze zoekmachines is te onbepaald en strekt te ver. Daardoor zouden de Stichting en haar bestuursleden veroordeeld worden tot het onmogelijke.

4.21.

De vordering sub V. met betrekking tot de verwijdering van de petitie is toewijsbaar met dezelfde beperking als ten aanzien van de vordering sub IV. is overwogen.

4.22.

De vordering sub VI. is toewijsbaar met dien verstande dat ‘strafbare feiten’ wordt beperkt tot het plegen van mishandeling en/of seksueel misbruik in de familiale sfeer. De rechtmatigheid van deze uitlatingen/publicaties lagen hier ter beoordeling voor en een bredere veroordeling strekt te ver.

4.23.

De vordering sub VII. is toewijsbaar met dien verstande dat deze beperkt wordt tot mishandeling en/of seksueel misbruik in de familiale sfeer in plaats van ‘al dan niet in de familiale sfeer’.

4.24.

De vordering sub VIII. zal worden afgewezen, nu de implicaties van een dergelijk verbod niet te overzien zijn, terwijl van het afzonderlijke belang bij dit verbod naast hetgeen wel toegewezen wordt niet is gebleken.

4.25.

De vordering sub IX. zal worden afgewezen. Het enkele houderschap van de domeinnaam [domeinnaam].nl is niet onrechtmatig en het strekt op dit moment te ver om [gedaagde sub 3] te veroordelen tot het om niet aan [eiser] overdragen van deze domeinnaam.

4.26.

De vordering sub X. zal worden afgewezen. Ter zitting hebben de bestuursleden gesteld dat zij al bezig zijn met het verwijderen van de naam van het kind op de website van de Stichting en dat het verzoek tot een statutenwijziging met hetzelfde resultaat op dit moment bij de notaris ligt.

4.27.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

4.28.

De Stichting zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 202,88

- griffierecht 282,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.300,88

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt gedaagden om, binnen tien dagen na betekening van dit vonnis, zorg te dragen voor de verwijdering en het voorts verwijderd houden van de website

[domeinnaam].nl van al het tekstmateriaal en al het foto-, video- en overig beeldmateriaal waarin de naam van [minderjarige] voorkomt en/of waarmee direct dan wel indirect verwezen wordt naar [minderjarige] en/of [eiser],

5.2.

veroordeelt gedaagden om, binnen tien dagen na betekening van dit vonnis, zorg te dragen dat na de verwijdering van het zich thans op de website [domeinnaam].nl bevindende tekstmateriaal en foto-, video- en overig beeldmateriaal waarin de naam van [minderjarige] voorkomt en/of waarmee direct dan wel indirect verwezen wordt naar [minderjarige] en/of [eiser], dit materiaal evenmin nog via welke webpagina en welke social media die onder beheer staan van de Stichting of haar individuele bestuursleden, op het internet te vinden zal zijn,

5.3.

veroordeelt gedaagden om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden van het internet – te weten die onderdelen van het internet die onder beheer staan van de Stichting of haar individuele bestuursleden, waaronder mede wordt verstaan social media – de door de Stichting geïnitieerde petitie alsmede alle commentaren daarop en alle overige uitlatingen welke zijdens de Stichting op het internet zijn gedaan, waaronder mede verstaan op Youtube en andere soortgelijke mediakanalen geplaatste video’s, ten aanzien van de gestelde mishandeling en het seksueel misbruik van [minderjarige],

5.4.

veroordeelt gedaagden zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van het doen van enige uitlating, online dan wel offline, die [eiser] in verband brengt met het plegen van mishandeling en/of seksueel misbruik in familiale context,

5.5.

veroordeelt gedaagden zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van het doen van enige uitlating, online dan wel offline, die [minderjarige] in verband brengt met het slachtoffer zijn van kindermishandeling en/of seksueel misbruik in familiale context,

5.6.

veroordeelt gedaagden om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hiervoor onder 5.1 tot en met 5.5 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoen, tot een maximum van € 100.000,- in totaal is bereikt,

5.7.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.300,88,

5.8.

veroordeelt gedaagden, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.P. de Ridder en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2014.