Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7470

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
C/16/369669 / HA ZA 14-404
Formele relaties
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2015:3023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/466
RI 2015/89
INS-Updates.nl 2015-0127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/369669 / HA ZA 14-404

Vonnis van 8 oktober 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LAGE LANDEN TRADE FINANCE B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LAGE LANDEN FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseressen,

advocaat mr. T.T. van Zanten te Utrecht,

tegen

LAMBERTUS BOUDEWIJN ARCHIBALD VAN LOGTESTIJN

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V. en [B] B.V.,

wonende te[vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. N.W.M. van den Heuvel te Breda.

Partijen zullen hierna DLL Factoring, DLL FS en de curator genoemd worden, en DLL Factoring en DLL FS gezamenlijk ook DLL c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 mei 2014, met producties

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties

  • -

    het tussenvonnis van 27 augustus 2014

  • -

    de aktes van DLL c.s. en de curator van 10 september 2014

  • -

    het tussenvonnis van 24 september 2014

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de periode 16 februari 2007-24 mei 2012 heeft DLL FS financial-leaseovereenkomsten gesloten met [A] B.V. (hierna: [A]), met als zekerheden pandrechten op de door [A] met behulp van de financiering van DLL FS verworven transportmiddelen. Op 27 maart 2012 heeft DLL Factoring, een zustervennootschap van DLL FS, een factoringovereenkomst gesloten met [A] en [B] B.V. (hierna: [A] [vestigingsplaats]), met als zekerheid, voor de in het kader van deze overeenkomst door DLL Factoring aan [A] en [A] [vestigingsplaats] (hierna gezamenlijk ook: [A] c.s.) verschafte financiering, kort gezegd, een pandrecht op alle vorderingen van [A] c.s. op derden. Artikel 2 sub k van de factoringovereenkomst bepaalt:

“De Klant [[A] c.s., toevoeging rechtbank] aanvaardt dat DLL [DLL FS, toevoeging rechtbank] slechts bereid is deze Factoringovereenkomst aan te gaan indien een zogenaamde akte wederzijdse zekerhedenregeling zal worden ondertekend door DLL, haar zustervennootschappen en Rabobank De Zuidelijke Baronie, waarin DLL, haar zustervennootschappen en Rabobank De Zuidelijke Baronie zich over en weer borg stellen voor elkaar. Doel van deze wederzijdse zekerhedenregeling is dat bij uitwinning van zekerheden een eventuele overwaarde in de zekerheden van de een tot dat overwaardebedrag kan worden gebruikt als dekking van een tekort van de ander en vice versa.”

2.2.

Eveneens op 27 maart 2012 hebben DLL Factoring, DLL FS, Rabobank De Zuidelijke Baronie (hierna: de Rabobank), die ook financiering verschafte aan [A] c.s. en daarvoor van deze zekerheden had verkregen, en, onder meer [A] c.s., een wederzijdse zekerhedenregeling (hierna: het overwaardearrangement) gesloten. De considerans van dit overwaardearrangement bepaalt:

“dat de Debiteur [[A] c.s. en anderen, toevoeging rechtbank] ermee instemt dat de Financiers [DLL c.s. en de Rabobank, toevoeging rechtbank] nu of in de toekomst jegens elkaar zekerheid stellen en zekerheid verkrijgen voor de huidige en toekomstige verplichtingen van Debiteur jegens iedere Financier”

Artikel 2 lid 1 bepaalt:

“Iedere Financier stelt zich hierbij borg jegens de andere Financiers tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de andere Financiers (zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk) van de Debiteur te vorderen hebben of mochten krijgen, uit welke hoofde dan ook, met dien verstande dat de zich borgstellende Financier uiteindelijk voor niet meer aansprakelijk is dan het bedrag van de Overwaarde [netto-opbrengst van de eigen zekerheden, na voldoening daaruit van de eigen vordering, met uitzondering van de hierna bedoelde eigen regres- of subrogatievorderingen, toevoeging rechtbank] dat zij uit hoofde van een regres- of subrogatievordering daadwerkelijk kan verhalen.”

2.3.

Op 28 december 2012 is [A] c.s. in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curator als zodanig.

2.4.

DLL c.s. en de Rabobank hebben daarop hun zekerheden uitgewonnen. DLL Factoring hield daarbij een overwaarde over (vlg. Overwaarde in het overwaardearrangement) en DLL FS een tekort. DLL FS heeft DLL Factoring daarop aangesproken op de door DLL Factoring in het kader van het overwaardearrangement afgegeven borgtocht.

3. Het geschil

3.1.

DLL c.s. vordert dat de rechtbank, bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, voor recht verklaart dat DLL Factoring haar regresvordering die voortvloeit uit de door DLL Factoring ten gunste van DLL FS in het kader van het overwaardearrangement afgegeven borgstelling, kan verhalen op de opbrengst van de uitwinning van de ten gunste van DLL Factoring gevestigde zekerheden, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

3.2.

De curator voert verweer. Het door DLL Factoring ingeroepen regresrecht was volgens hem ten tijde van de faillietverklaring van [A] c.s. toekomstig, en is dat nog steeds, en zal volgens hem, in geval van betaling door DLL Factoring aan DLL FS uit hoofde van de borgtocht, ook niet gezegd kunnen worden rechtstreeks voort te vloeien uit een vóór de faillissementen tussen DLL Factoring en [A] reeds bestaande rechtsverhouding (voor zover relevant). De vorderingen van DLL c.s. stuiten volgens hem daarom af, kort gezegd, op het fixatiebeginsel (o.a. artikelen 23 en 24 Fw).

3.3.

DLL c.s. weerspreekt het verweer van de curator met, samengevat, de stelling dat voor zover de regresvordering van DLL Factoring op [A] als op de dag van faillietverklaring van [A] nog toekomstige vordering zou moeten worden aangemerkt, geldt dat deze zal voortvloeien, in geval van betaling door DLL Factoring aan DLL FS uit hoofde van de borgtocht, uit een vóór het faillissement van [A] tussen DLL Factoring en [A] reeds bestaande rechtsverhouding, en dat om in elk geval die reden het fixatiebeginsel niet aan haar verhaal in de weg staat. DLL c.s. verwijst in dit verband naar artikelen 3:231 BW, 132 lid 2 Fw, 483e j° 490b Rv, 57 lid 4 Fw en 128 Fw, en het wettelijk systeem volgens hetwelk toekomstige vorderingen die voortvloeien uit een op de dag van faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding, kwalificeren als faillissementsvorderingen (HR 19 april 2013, NJ 2013, 291 (Koot Beheer/Tideman q.q.)) en in voorkomend geval ook in aanmerking komen voor verrekening in faillissement (artikel 53 Fw). DLL c.s. noemt verder nog artikel 136 lid 2 Fw (en het in de parlementaire geschiedenis daarbij genoemde HR 15 februari 1921, NJ 1929, 1372).

3.4.

Partijen verzoeken de rechtbank om in het kader van hun geschil de navolgende prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad (artikel 392 Rv):

  1. Is de regresvordering van een borg of een garantiegever in het kader van een overwaardearrangement te beschouwen als een ten tijde van het aangaan van het overwaardearrangement reeds bestaande vordering onder opschortende voorwaarde van inroeping van de borgtocht of de garantie?

  2. Is het mogelijk voor een pandhouder om staande het faillissement van diens pandgever verhaal te nemen op de opbrengst van de uitwinning van de betreffende voorafgaande aan dat faillissement gevestigde pandrechten, voor een vordering die is ontstaan op of na de dag van faillietverklaring van de pandgever, en is daarvoor noodzakelijk dat die vordering (rechtstreeks) voortvloeit uit een op de dag van faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding tussen de pandhouder en de schuldenaar dan wel een voordien door de schuldenaar verrichte handeling?

  3. Kwalificeert de verhouding hoofdschuldenaar-borg als rechtsverhouding waaruit, in geval van betaling door de borg, de wettelijke regresvordering (rechtstreeks) voortvloeit en/of kwalificeert instemming van de hoofdschuldenaar met de borgtocht als een handeling als hiervoor (vraag 1) bedoeld?

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben genoegzaam aannemelijk gemaakt dat recente rechtspraak van de Hoge Raad (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, JOR 2014/172 (ASR/Achmea) en HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7157, JOR 2012/346 (Staatssecretaris van Financiën/X)) en onder meer hof Den Bosch (hof Den Bosch 16 augustus 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BS8956, JOR 2012/329 (ABN Amro Commercial Finance/Schreurs q.q.) onzekerheid heeft doen ontstaan in de (internationale) financieringspraktijk in Nederland over, kort gezegd, de faillissementsbestendigheid van overwaardearrangementen. Literatuur naar aanleiding van deze rechtspraak, en (andere) lagere rechtspraak, zijn verdeeld, (eerdere) rechtspraak van de Hoge Raad wordt verschillend uitgelegd, en er zijn naast de onderhavige procedure diverse gerechtelijke procedures in eerste aanleg aanhangig over deze kwestie(s). DLL c.s. stelt dat de Rabobankgroep, waartoe zij behoort, reeds te maken heeft met naar schatting honderden overwaardearrangementen op jaarbasis. Om deze redenen acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat, in zoverre, is voldaan aan de vereisten van artikel 392 lid 1 Rv.

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat de door [A] c.s. aan DLL Factoring verschafte pandrechten mede strekken tot zekerheid van elkaars kredietschulden aan DLL Factoring (in zoverre is sprake van derdenpandrecht). Ook zijn partijen het erover eens dat de uit hoofde van het overwaardearrangement (in de visie van partijen: voortgevloeide of) voort te vloeien regresvordering niet meer dan een wettelijke regresvordering is. Het is dus geen (voorwaardelijk) vorderingsrecht dat als zodanig is bedongen tussen DLL Factoring en [A] (zoals aan de orde in HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7575, JOR 2004/222 (Bannenberg q.q./NMB-Heller)) en waarvan het ontstaansmoment eventueel contractueel is vervroegd, voor zover mogelijk, ten opzichte van het ontstaansmoment van wettelijke regresvorderingen.

4.3.

Op grond van de hiervoor in 4.1 genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad moet (thans) worden aangenomen dat het wettelijk regresrecht van de borg toekomstig is tot het moment van betaling door de borg aan de schuldeiser. De rechtbank zal partijen niet volgen in hun voorstel om deze kwestie andermaal, nu bij wege van prejudiciële vraag, aan de Hoge Raad voor te leggen. Hetgeen partijen in hun aktes van 10 september 2014 hierover hebben aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.4.

De overige door partijen – in samenspraak met de rechtbank – voorgestelde vragen zal de rechtbank voorleggen aan de Hoge Raad. Het antwoord op deze vragen is beslissend voor het geschil tussen partijen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verzoekt de Hoge Raad om bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen te beantwoorden:

  1. Is het mogelijk voor een pandhouder om staande het faillissement van diens pandgever verhaal te nemen op de opbrengst van de uitwinning van de betreffende voorafgaande aan dat faillissement gevestigde pandrechten, voor een vordering die is ontstaan op of na de dag van faillietverklaring van de pandgever, en is daarvoor noodzakelijk dat die vordering (rechtstreeks) voortvloeit uit een op de dag van faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding tussen de pandhouder en de schuldenaar dan wel een voordien door de schuldenaar verrichte handeling?

  2. Kwalificeert de verhouding hoofdschuldenaar-borg als rechtsverhouding waaruit, in geval van betaling door de borg, de wettelijke regresvordering (rechtstreeks) voortvloeit en/of kwalificeert instemming van de hoofdschuldenaar met de borgtocht als een handeling als hiervoor (vraag 1) bedoeld?

5.2.

bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van dit vonnis zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad, Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage,

5.3.

bepaalt dat de griffier afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad zendt,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2014.1

1 type: JWF 4231 coll: PJN 4256