Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7459

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
C-16-373289 - FA RK 14-4755
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking.

1. Erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing of adoptie naar Nederlands recht?

De rechtbank dient ambtshalve de vraag te beantwoorden of sprake is van een buitenlandse adoptiebeslissing ingevolge het Haags Adoptie Verdrag 1993 – welke adoptiebeslissingen van rechtswege worden erkend – dan wel dat sprake is van een voor erkenning vatbare buitenlandse adoptiebeslissing zoals bedoeld in de artikelen 10:108 en 10:109 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Gewone verblijfplaats minderjarige gedurende de adoptieprocedure?

De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige gedurende de adoptieprocedure nog in de Verenigde Staten van Amerika was gelegen.

Aan de definitieve adoptiebeslissing gaat in de Verenigde Staten van Amerika meestal een proefperiode vooraf. Gedurende deze proefperiode verblijft de minderjarige met toestemming van de rechter bij de adoptiefouders. Indien de beslissing op het adoptieverzoek na deze proefperiode negatief uitvalt, dan dient de minderjarige terug te keren naar zijn (oorspronkelijke) woonplaats in de Verenigde Staten van Amerika. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat het verblijf van de minderjarige in Nederland als een voorlopige situatie moet worden beschouwd tot aan de definitieve adoptiebeslissing.

Naar het oordeel van de rechtbank doet deze zienswijze ook recht aan de bedoeling van de wetgever om de erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing mogelijk te maken voor adoptiefouders die de procedures correct hebben gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/373289 / FA RK 14-4755

adoptie

Tussenbeschikking van 10 december 2014

in de zaak van

[verzoeker],

en

[verzoekster],

echtelieden,

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaat mr. M. Koomen.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Verzoekers hebben op 16 juli 2014 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot – onder meer – adoptie naar Nederlands recht van de hierna te noemen minderjarige.

1.2.

Nadien heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 14 oktober 2014.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluit van 25 februari 2011 aan verzoekster toestemming verleend voor het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie.

2.2.

De minderjarige [minderjarige] (blijkens de overgelegde stukken en het verzoekschrift ook genaamd: [naam] of [naam]) is geboren op [2012] te [geboorteplaats], Florida, de Verenigde Staten van Amerika, als dochter van [biologische moeder]. De biologische vader van de minderjarige is onbekend.

2.3.

Blijkens het (in kopie) overgelegde stuk ‘Statement of [biologische moeder]’ (en de hierna te noemen gerechtelijke uitspraken) heeft de biologische moeder de minderjarige ter adoptie afgestaan.

2.4.

Bij uitspraak van The Circuit Court of The Thirteenth Judicial Circuit in and for Hillsborough County, Florida, van 4 september 2012, is (onder meer) de minderjarige aan verzoekers toevertrouwd.

2.5.

Blijkens de overgelegde uitspraak van The Circuit Court of The Thirteenth Judicial Circuit in and for Hillsborough County, Florida, van 24 april 2013, is naar het recht van Florida, de Verenigde Staten van Amerika, uitgesproken de adoptie door verzoekers van de minderjarige. Hierbij is de naam van de minderjarige gewijzigd in:

[minderjarige].

2.6.

De minderjarige wordt sinds drie weken na haar geboorte door verzoekers verzorgd en opgevoed.

2.7.

De minderjarige heeft met het doel van adoptie haar geboorteland mogen verlaten.

De minderjarige had ten tijde van het verzoek tot adoptie naar het recht van Florida, de Verenigde Staten van Amerika, haar gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten van Amerika. Ten tijde van voornoemde beslissing verbleef zij in Nederland. Verzoekers hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat nog geen eindbeschikking zal worden gegeven, maar een tussenbeschikking. Hiertoe wordt overwogen dat de rechtbank voornemens is niet geheel overeenkomstig het verzoek te beslissen. Daarnaast is onduidelijk welke namen de minderjarige oorspronkelijk had, hetgeen van belang is voor de vaststelling van de geboortegegevens van de minderjarige. Gelet hierop zal de rechtbank overwegen wat zij voornemens is om te beslissen en verzoekers in de gelegenheid stellen om hun standpunt hierover kenbaar te maken.

Erkenning buitenlandse adoptiebeslissing

3.2.

Allereerst dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of in de onderhavige zaak sprake is van een buitenlandse adoptiebeslissing ingevolge het Haags Adoptie Verdrag 1993 – welke adoptiebeslissingen van rechtswege worden erkend – dan wel dat sprake is van een voor erkenning vatbare buitenlandse adoptiebeslissing zoals bedoeld in de artikelen 10:108 en 10:109 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Indien sprake is van een voor erkenning vatbare buitenlandse adoptiebeslissing dan komt de rechtbank niet meer toe aan een adoptie naar Nederlands recht, zoals is verzocht.

3.3.

De rechtbank is gebleken dat het verzoek tot het verkrijgen van een beginseltoestemming is ingediend voor 1 april 2008 en daarmee voordat het Haags Adoptie Verdrag 1993 in de Verenigde Staten van Amerika gold. Gelet hierop beschikken verzoekers niet over een verklaring in de zin van artikel 23 van dit verdrag en kan de adoptiebeslissing niet van rechtswege worden erkend.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is van een voor erkenning vatbare adoptiebeslissing als bedoeld in artikel 10:109 BW. Dit geldt alleen ten aanzien van verzoekster. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

De beginseltoestemming van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is alleen aan verzoekster verleend. Artikel 2 van de Wobka (Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie) verbiedt het opnemen van een buitenlands kind zonder voorafgaande beginseltoestemming. Ingevolge artikel 10:109 lid 1 sub a BW wordt een buitenlandse adoptiebeslissing alleen erkend indien de bepalingen van de Wobka in acht zijn genomen. Hieruit volgt dat ten aanzien van verzoekster wel is voldaan aan deze voorwaarde voor erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing, terwijl ten aanzien van verzoeker hieraan niet is voldaan.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van verzoekster ook overigens voldaan aan de bepalingen van artikel 10:109 BW.

In dit kader merkt de rechtbank op dat de minderjarige weliswaar ten tijde van de adoptiebeslissing feitelijk bij verzoekers in Nederland verbleef, maar dat dit een proefperiode betrof. Aan de definitieve adoptiebeslissing gaat in de Verenigde Staten van Amerika meestal een proefperiode vooraf. Gedurende deze proefperiode verblijft de minderjarige met toestemming van de rechter bij de adoptiefouders. Indien de beslissing op het adoptieverzoek na deze proefperiode negatief uitvalt, dan dient de minderjarige terug te keren naar zijn (oorspronkelijke) woonplaats in de Verenigde Staten van Amerika. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat het verblijf van de minderjarige in Nederland als een voorlopige situatie moet worden beschouwd tot aan de definitieve adoptiebeslissing. Gelet hierop was de gewone verblijfplaats van de minderjarige gedurende de adoptieprocedure nog in de Verenigde Staten van Amerika gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze zienswijze ook recht aan de bedoeling van de wetgever om de erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing mogelijk te maken voor adoptiefouders die de procedures correct hebben gevolgd.

3.6.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank voornemens om voor recht verklaren dat de buitenlandse adoptiebeslissing wordt erkend ten aanzien van verzoekster.

Adoptie naar Nederlands recht

3.7.

Nu de erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing geen betrekking heeft op verzoeker, komt de rechtbank toe aan het verzoek om de adoptie van de minderjarige door verzoeker naar Nederlands recht uit te spreken.

3.8.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de biologische moeder heeft ingestemd met de adoptie van de minderjarige. De rechtbank is van oordeel, gelet op de overgelegde stukken en het rapport van de Raad van 14 oktober 2014, dat er geen bezwaren bestaan tegen de verzochte adoptie naar Nederlands recht. De adoptie wordt in het kennelijke belang van de minderjarige geacht en ook overigens is voldaan aan de voorwaarden welke zijn gesteld in de artikelen 1:227 en 1:228 BW. De rechtbank is dan ook voornemens om het verzoek toe te wijzen.

Naam

3.9.

Bij de adoptiebeslissing is de naam van de minderjarige, naar het recht van Florida, de Verenigde Staten van Amerika, gewijzigd in: [minderjarige]. Deze naamswijziging komt op grond van artikel 10:24 BW voor erkenning in aanmerking.

Geboortegegevens

3.10.

Aangezien het overgelegde Certification of Birth (nr. [nummer]) niet voor inschrijving in de registers van de burgerlijke stand vatbaar is, zal de rechtbank de geboortegegevens van de minderjarige op grond van artikel 1:25c lid 1 en lid 3 BW, voor zoveel mogelijk vaststellen. De rechtbank gaat hierbij uit van de overgelegde stukken. Voor de rechtbank is echter onduidelijk welke namen de minderjarige oorspronkelijk had.

Blijkens het verzoekschrift gaan verzoekers uit van de namen: [naam]. Blijkens de uitspraak van The Circuit Court of The Thirteenth Judicial Circuit in and for Hillsborough County, Florida, van 4 september 2012 zijn de namen van de minderjarige: [minderjarige]. Blijkens de brief van 24 augustus 2012 van de Centrale Autoriteit in Nederland is de naam van de minderjarige: [naam]. En blijkens de verklaring van de biologische moeder van 6 augustus 2012 (in kopie) is de naam van de minderjarige: [naam]. De combinatie van voornamen waarvan verzoekers uitgaan, leidt de rechtbank niet af uit de overgelegde stukken. Hoewel de voornaam ‘[naam]’ volgens verzoekers een misslag in de uitspraak van 4 september 2012 betreft, is de rechtbank op basis van de thans overgelegde stukken voornemens om de oorspronkelijke namen van de minderjarige vast te stellen als: [minderjarige]. Mogelijk kan de oorspronkelijke naam van de minderjarige op basis van de stukken ook worden vastgesteld als: [naam].

Ten slotte is de rechtbank voornemens om op basis van de overgelegde stukken de naam van de biologische moeder van de minderjarige vast te stellen als [biologische moeder], in afwijking van het petitum van het verzoekschrift waar de naam [naam] is vermeld.

4 Beslissing

De rechtbank houdt de behandeling van de zaak PRO FORMA aan tot 23 december 2014,

met verzoek aan de advocaat om zich voor deze datum uit te laten over het voornemen van de rechtbank om voor recht te verklaren dat de buitenlandse adoptiebeslissing wordt erkend ten aanzien van verzoekster, alsmede om zich uit te laten over de oorspronkelijke namen van de minderjarige.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.C. Stijnen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Verouden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2014.