Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7397

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
16-659841-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. Verdachten zwijgen. Medeplegen W+O op basis van handelingen en voorbereidingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/659841-14 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 december 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1995] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Huis van Bewaring De Zwaag

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 december 2014, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 30 augustus 2014 samen met anderen met geweld een diefstal heeft gepleegd, waarbij verdachte en/of zijn medeverdachten op de aangever hebben geschoten;

feit 2: op 30 augustus 2014 samen met anderen geprobeerd heeft in te breken in een bedrijfspand, waarbij verdachte en/of zijn medeverdachten op de aangever hebben geschoten;

feit 3: op 30 augustus 2014 samen met anderen een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van diefstal en de onder feit 2 ten laste gelegde poging medeplegen van diefstal gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft bepleit dat (het medeplegen van) de onder 1 en 2 ten laste gelegde geweldshandelingen en het onder feit 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte een vuurwapen bij zich had en daarmee geschoten heeft.

Evenmin kan worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het gepleegde geweld. Het opzet op de samenwerking ten aanzien van de poging inbraak en de diefstal is daartoe onvoldoende. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat men te voren gesproken had over (het gebruik van) een vuurwapen, dan wel dat verdachte wist of kon weten dat een van zijn mededaders over een vuurwapen beschikte.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van (het medeplegen van) de onder 1 en 2 ten laste gelegde geweldshandelingen en het onder feit 3 tenlastegelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900 2014240336 en A, B, C, D en E, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 440). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

[aangever] kwam samen met [A] op 30 augustus 2014 rond 13.00 uur aan bij het bedrijfspand aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Op de toegangsdeur zaten drie sloten. Deze zijn geopend door [aangever]. Vervolgens zijn ze een ruimte ingestapt die op een halletje lijkt. Na drie stappen naar rechts hangen rubberen deuren in de vorm van flappen. [aangever] liep naar de flappen, liep er door heen en deed twee stappen. Vervolgens zag hij voor zich iets bewegen. Hij zag voor zich een persoon met een bivakmuts op. Hij zag dat de persoon een pistool op hem richtte. Achter deze persoon zag hij twee schimmen bewegen.1 Hij zag drie mannen geheel in het zwart gekleed en met bivakmutsen op.2 Hij hoorde een mannenstem roepen: “Politie, ga op de grond liggen”. [aangever] draaide zich om, om te vluchten. Op dat moment hoorde hij een knal en voelde langs zijn rechter onderbeen een windbeweging.3

[A] liep vlak achter [aangever]. Op het moment dat [aangever] binnen was hoorde hij iemand roepen: “politie, politie, ga liggen.” Direct daarna hoorde hij een schot.4

[getuige] zag op 30 augustus 2014 rond 13.00 uur/13.15 uur dat drie jongens in het weiland bij het perceel [adres] te [vestigingsplaats] liepen. De jongens waren allen donker gekleed en droegen bovenkleding met een capuchon welke zij over hun hoofd droegen. De jongens liepen in de richting van het volgende weiland.5

Door de speurhond van verbalisant [verbalisant 1] werd een geurspoor opgepakt op het punt waar getuige [getuige] drie mannen in het weiland zag lopen. De speurhond volgde het geurspoor door de weilanden tot aan een sloot, gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats].

Op aanwijzing van de speurhond werden op diverse plaatsen langs de route van het geurspoor twee zwarte handschoenen en drie stuks bovenkleding aangetroffen.

Verbalisant [verbalisant 1] zag aan de overkant van de sloot een loopspoor via platgetrapte struiken. Verbalisant volgde het loopspoor dat eindigde bij een hek aan het einde van de [adres].6 Voornoemde bovenkleding betrof een drietal zwarte truien, alle voorzien van een capuchon.7

Uit onderzoek van het NFI volgt dat op één van voornoemde truien sporen zijn aangetroffen waaruit volgt dat er een relatie is tussen de trui en een schietproces.8

Door de speurhond van verbalisant [verbalisant 2] werd een geurspoor opgepakt vanaf het punt waar de speurhond van verbalisant [verbalisant 1] een geurspoor oppakte. De speurhond van [verbalisant 2] volgde het geurspoor in tegengestelde richting, in de richting van een sloot. Uit de bijgevoegde plattegrond volgt dat schuin aan de overkant van de sloot het perceel [adres] te [vestigingsplaats] lag. Op aanwijzing van de speurhond werden op diverse plaatsen in het water langs de route van het geurspoor een tas met gereedschap en een witte recorder en een zwarte trainingsbroek aangetroffen.9

Voornoemde recorder betrof een harddisk recorder (DVR, merk Anchen CCTV System)10 en werd door aangever [aangever] herkend als zijn eigendom.11

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zagen op 30 augustus 2014 omstreeks 14.09 uur dat er drie mannen in de bosjes op de [adres] te [vestigingsplaats] stonden. De mannen droegen allen een donkere broek en een t-shirt. Even later werden de drie voornoemde mannen aangehouden door collega’s. De mannen bleken te zijn: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] (hierna te noemen: verdachten).12 Verdachten waren alle drie volledig nat en hadden allen stukjes gras en takjes op hun kleding.13

Door de speurhond van verbalisant [verbalisant 1] werd een geurspoor opgepakt op het punt waar verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de drie verdachten in de bosjes op de [adres] te [vestigingsplaats] zagen. De speurhond volgde het geurspoor verder de struiken in. Het spoor eindigde op de [adres] te [vestigingsplaats]. 14

Op de benedenverdieping van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] bevond zich in een hal achter de hoofdingang een ruimte met een kluisdeur. Aan de andere zijde van deze ruimte, zat een gat in de muur.15 Voor het gat in de muur van de kluisruimte lagen diverse hand- en breekgereedschappen, een slijptol en een sleuvenfrees. De kluisdeur van de kluisruimte vertoonde slijpsporen. Naast de kluisdeur lagen slijpschijven.16

Op 31 augustus 2014 werd op ca. 9 meter afstand van het perceel [adres] te [vestigingsplaats], in de struiken een gereedschapskoffer met het opschrift “[naam]” aangetroffen. In de koffer bevonden zich een groot model boorhamer en diverse beitels.17 Uit het huurcontract van [naam] blijkt dat voornoemde boorhamer en beitels op 30 augustus 2014 te 09.25 uur zijn verhuurd aan (mede)verdachte [verdachte].18

Uit het verrichte vergelijkend werktuigsporenonderzoek volgt dat de afgevormde indruksporen bij het gat in de muur mogelijk veroorzaakt zijn met de puntbeitel van de aangetroffen breekhamer.19

Op de vloer voor het gat in de muur van de ruimte in het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] lagen diverse verhuisdozen. Op één van deze dozen waren diverse schoensporen zichtbaar.20 Deze ruimte met het gat in de muur is gelegen in de ruimte achter de ruimte waar de diverse munitie onderdelen zijn aangetroffen.21

Uit het verrichte sporenonderzoek volgt met betrekking tot deze sporen het volgende:

- een spoor komt overeen met het profiel en de afmeting van de zool van de rechterschoen van (mede)verdachte [medeverdachte 1] en is veroorzaakt met de rechterschoen van (mede)verdachte [medeverdachte 1];

- een spoor komt overeen met het profiel en de afmeting van de zool van de rechterschoen van (mede)verdachte [verdachte] en is mogelijk veroorzaakt met de rechterschoen van (mede)verdachte [verdachte];

- twee sporen komen overeen met het profiel en de afmetingen van de zolen van de linker- en rechterschoen van (mede)verdachte [medeverdachte 2] en zijn zeer waarschijnlijk veroorzaakt met de schoenen van (mede)verdachte [medeverdachte 2].22

Op de vloer voor het gat in de muur van de ruimte in het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] werd een snoeischaar aangetroffen.23 Op de snoeischaar werd onder andere het DNA profiel van (mede)verdachte [medeverdachte 2] aangetroffen. De kans dat het aangetroffen DNA profiel afkomstig is van een ander dan verdachte is kleiner dan 1 op 1 miljard.24

In het kozijn van de doorgang naar de loods werd een beschadiging aangetroffen. Naast deze beschadiging lag een projectiel op de vloer. Even verderop lag een mantel van een projectiel. Voorts werd onder de verwarming een huls aangetroffen, met het opschrift “S&B 9 mm Luger”. Tezamen vormden de aangetroffen delen een 9 MM volmantel patroon.25

Voornoemde huls is vermoedelijk verschoten met een semi-automatisch werkend pistool van het kaliber 9 mm Parabellum.26

Uit onderzoek aan het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] volgt dat, indien de daders niet in het bezit waren van een sleutel, zij het pand alleen konden betreden via het raam aan de achterzijde op de eerste verdieping.

Op de 1e verdieping waren alle ramen, op een na afgesloten. Aan het raam was geen braakschade zichtbaar. Er was een handgreep zichtbaar, passend bij het naar binnen klimmen.27

Bewijsoverwegingen

Schietincident

Op basis van de verklaringen van [aangever] en [A], de aangetroffen beschadiging in het kozijn van de doorgang naar de loods en de diverse munitieonderdelen, welke op korte afstand werden aangetroffen van voornoemde beschadiging, en tezamen een 9 MM volmantel patroon vormden, staat vast dat er een schot werd gelost nadat [aangever] de drie sloten had geopend, het halletje was binnen gegaan en met twee stappen de volgende ruimte betreden had, .

Verdachten

De rechtbank overweegt dat aangever [aangever] drie, in het donker geklede mannen met bivakmutsen zag. De door de speurhonden aangegeven geursporen beslaan nagenoeg de gehele vluchtroute, lopende van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] tot aan de plaats waar de drie verdachten op de [adres] in de bosjes werden gezien. Getuige [getuige] zag kort na het incident drie mannen met donkere bovenkleding voorzien van capuchon op voornoemde vluchtroute. Voornoemde vluchtroute liep door weilanden, struiken en via een sloot. Op de vluchtroute werden onder andere 3 capuchontruien en diverse handschoenen aangetroffen. Verdachten droegen ten tijde van hun aanhouding slechts een T-shirt als bovenkleding, verder waren zij nat en hadden stukjes gras en takjes op hun kleding. Een van de capuchontruien is gebruikt/gedragen bij een schietproces.

Voorts werd in het pand het DNA van verdachte [medeverdachte 2] aangetroffen en zijn in het pand bij de kluisruimte schoensporen aangetroffen welke te herleiden zijn tot de aangehouden verdachten.

Het dossier bevat voorts geen enkel aanknopingspunt waaruit volgt dat zich ten tijde van het tenlastegelegde op enig moment, naast [aangever] en [A], andere personen dan voornoemde verdachten in het pand op de [adres] bevonden.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde feiten en omstandigheden vast staat dat de aangehouden verdachten de drie personen zijn die bij de kluisruimte in het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] waren en door [aangever] zijn gezien, direct voordat er geschoten werd.

Het gegeven dat op basis van het schotrestenonderzoek voor wat betreft de sporen op de handen en kleding van verdachten niet vastgesteld kan worden dat er een relatie is met een schietproces, anders dan een relatie met een schietproces waarbij gemarkeerde politiemunitie aan de orde is, doet daar niet aan af. Immers, verdachten hebben zich van hun bovenkleding en handschoenen ontdaan en zijn door struiken en sloten gevlucht, waardoor eventuele aanwezige sporen gewist werden.

Medeplegen

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten.

Verdachten, van wie er twee in Friesland woonachtig zijn, zijn samen naar het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] gegaan. Om bij een eventuele betrapping niet herkend te worden droegen verdachten bivakmutsen. Men was kennelijk op de hoogte van de situatie, i.c. de kluisruimte, in het pand en heeft om toegang tot deze te krijgen het benodigde gereedschap gehuurd en meegenomen. In het pand hebben zij geprobeerd de kluisdeur open te breken en hebben zij een gat in de muur van de kluisruimte gemaakt.

Op het moment dat [aangever] bij het pand aankwam en met enig lawaai de drie sloten heeft geopend en het pand betrad, zijn de verdachten er niet vandoor gegaan. Zij hebben gezamenlijk de ruimte verlaten waar zij een gat in de muur maakten en zijn alle drie naar de ruimte gegaan waar [aangever] binnenkwam. Een van hen heeft direct een vuurwapen op [aangever] gericht en een schot in de richting van die [aangever] gelost op het moment dat deze er vandoor ging. Verdachten zijn daarna op de vlucht geslagen. De gehuurde boorhamer is buiten het pand in de struiken achtergelaten. Voorts hebben verdachten zich tijdens hun vlucht ontdaan van onder andere de capuchontruien, handschoenen, een broek en een uit het pand meegenomen harddisk recorder.

Verdachten hebben een tot in detail voorbereid crimineel plan opgesteld, waarbij men in alle facetten, zoals voorbereiding, uitvoering, de aanwezigheid van derden en vlucht, had voorzien. Uit het handelen van verdachten op het moment dat [aangever] en [A] bij het pand verschenen, leidt de rechtbank af dat zij gezamenlijk in de richting van [aangever] en [A] zijn gegaan met een bivakmuts op en een getrokken wapen.

Verdachten hebben zich bij de politie beroepen op hun zwijgrecht. Verdachte heeft ook ter terechtzitting zich beroepen op zijn zwijgrecht en op geen enkel punt ook maar enige helderheid willen verschaffen.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er vanaf het begin tot het eind, ook voor wat betreft de ten laste gelegde geweldshandeling, sprake was van een zeer nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1

op 30 augustus 2014 te [vestigingsplaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) een harddisk recorder (DVR, merk Anchen cctv System) toebehorende aan [aangever], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen aldaar:

- met een vuurwapen een schot op het lichaam, althans in de richting van die [aangever] heeft afgevuurd;

ten aanzien van feit 2

op 30 augustus 2014 te [vestigingsplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) weg te nemen goederen en/of geld naar zijn/hun gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of inklimming, met zijn mededader(s),

- dat pand heeft betreden en

- met een boorhamer, althans met een stuk gereedschap, die kluis heeft getracht open te breken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld tegen [aangever], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen met een vuurwapen een schot op het lichaam, althans in de richting van die [aangever] heeft afgevuurd;

ten aanzien van feit 3

op 30 augustus 2014 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten pistool en munitie van categorie III, te weten een scherpe patroon, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van de feiten

De verdediging heeft de toepassing van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de verdediging stelt, er geen sprake is van een voortgezette handeling, nu de feiten niet voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. De enkele omstandigheid dat de feiten met elkaar in verband staan, is daartoe onvoldoende.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of inklimming;

feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een jeugddetentie van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat geen standpunt ingenomen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten ingebroken in een bedrijfspand en heeft daar met hen een kluisruimte opengebroken en een DVD recorder weggenomen. Verdachten hebben, nadat [aangever] het pand betreden had, vrijwel direct op hem geschoten. Verdachte en zijn medeverdachten zijn daarbij goed voorbereid te werk gegaan en hebben het geheel zorgvuldig, tot in detail gepland en een semi automatisch wapen gebruikt, hetgeen duidt op een professionele aanpak.

Het moet voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring zijn geweest dat er tijdens de confrontatie met drie gemaskerde mannen vrijwel direct, en terwijl hij zich omdraaide om te vluchten, op hem geschoten werd. Dergelijke feiten hebben een enorme impact op de slachtoffers daarvan en zorgen voorts voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan en heeft op geen enkel moment de verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.

Daarnaast zorgen inbraken voor financiële schade en overlast bij de benadeelden.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een vuurwapen en munitie. Deze goederen vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Tegen het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie dient dan ook streng te worden opgetreden.

De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 12 december 2014. De reclassering onthoudt zich daarin van een strafadvies, omdat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept en niet open staat voor begeleiding vanuit de reclassering. De reclassering adviseert jeugdstrafrecht toe te passen.

toepassing jeugdstrafrecht

De officier van justitie en de verdediging hebben verzocht om, conform het advies van de reclassering, toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank recht kan doen overeenkomstig de bepalingen van het jeugdstrafrecht ten aanzien van verdachten zoals verdachte die ten tijde van de verdenking 18 jaar was, indien daartoe grond is in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank overweegt dat het advies van de reclassering gebaseerd is op informatie afkomstig van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering in verband met vroegere jeugdstrafzaken. Hoewel uit deze informatie aanknopingspunten te vinden zijn dat er bij verdachte sprake is van een verstoorde ontwikkeling en hij mogelijk zou kunnen profiteren van het pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht, wordt dit niet nader geconcretiseerd. Verdachte heeft immers geweigerd mee te werken aan een trajectconsult en een persoonlijkheidsonderzoek, waardoor er geen actuele informatie is betreffende de persoon van verdachte. Daarnaast blijkt dat de jeugdreclassering geen mogelijkheden ziet verdachte te begeleiden. Ook voor begeleiding door de volwassenreclassering wordt geen ruimte gezien. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven geen hulp nodig te hebben. Hij rekent er op dat de gemeente hem bij terugkeer uit detentie zal begeleiden.

Daarnaast is van belang dat verdachte reeds ruim drie maanden verblijft in een Penitentiaire Inrichting voor volwassenen. Op geen enkel moment, ook niet ter terechtzitting, is er enig signaal geweest waaruit afgeleid kan worden dat plaatsing van verdachte in een JJI wenselijk dan wel noodzakelijk is.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om af te wijken van het toepassen van het meerderjarigenstrafrecht.

De rechtbank overweegt dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feiten, een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

De rechtbank houdt daarbij rekening met de nog jeugdige leeftijd van verdachte.

Gelet op de persoon van verdachte, zijn proceshouding, de duur van de op te leggen gevangenisstraf en hetgeen ter terechtzitting is besproken ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een voorwaardelijk strafdeel.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 2.200.00 ter zake immateriële schade voor feit 1 en 2.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toegewezen kan worden, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en met toepassing van de maatregel tot schadevergoeding.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, gesteld dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dient te worden. De verdediging heeft de vordering niet betwist.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt de door [aangever] geleden immateriële schade vast op een bedrag van € 1000,00. Voornoemde schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten en verdachte is aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt zodat de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 1.000,00 zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 30 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of inklimming;

feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] van € 1.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 30 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever], € 1.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 30 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Glerum , voorzitter, mrs. E.A.A. van Kalveen en A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 december 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 30 augustus 2014 te [vestigingsplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) een harddisk recorder (DVR, merk Anchen cctv System), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en/of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en / of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen aldaar:

- met een vuurwapen een schot op het lichaam, althans in de richting van die [aangever] heeft afgevuurd;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 30 augustus 2014 te [vestigingsplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres]) weg te nemen een kluis (met inhoud), althans goederen en/of geld naar zijn/hun gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen kluis en/of een of meerdere andere goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- dat pand heeft betreden en/of

- met een boorhamer, althans met een stuk gereedschap, die kluis heeft getracht open te breken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een

vuurapen een schot op het lichaam, althans in de richting van die [aangever] heeft afgevuurd;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 30 augustus 2014 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie II en/of categorie III, te weten een revolver en/of pistool, althans een vuurwapen, en/of munitie van categorie II en/of III, te weten een of meerdere scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 47 lid 1 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Proces-verbaal van aangifte [aangever], pagina 17 en 18.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 32; proces-verbaal van bevindingen melding politiemeldkamer, pagina 187.

3 Proces-verbaal van aangifte [aangever], pagina 17 en 18.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [A], pagina 24.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 21.

6 Proces-verbaal van bevindingen met bijlage, pagina 176 t/m 179.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 372.

8 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 november 2014.

9 Proces-verbaal onderzoek met een speurhond, met bijlage, pagina 184 t/m 186.

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 143.

11 Proces-verbaal van aangifte [aangever], pagina 19.

12 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 38.

13 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 36.

14 Proces-verbaal van bevindingen met bijlage, pagina 176 t/m 179.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 41 en 42.

16 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 268.

17 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 45.

18 afschrift huurcontract [naam], pagina 51 t/m 55.

19 Proces-verbaal Forensische opsporing, afdeling werktuigsporen, pagina 350 t/m 352.

20 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 268.

21 Proces-verbaal sporenonderzoek, met bijlagen, met name bijlage 2, pagina 340

22 Proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek, pagina 192 t/m 198.

23 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 268 en 271.

24 Rapport NFI d.d. 30 oktober 2014, pagina 411.

25 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 267.

26 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 november 2014.

27 Proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 267.