Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7345

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
02-02-2015
Zaaknummer
16-656273-12 tul bijzondere voorwaarde
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vordering tul deels toegewezen, bijzondere voorwaarden geschrapt: kans op medewerking veroordeelde en derhalve kans van slagen minimaal. Voorts verlenging proeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/656273-12

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 7 november 2014 op een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te[postcode] [woonplaats], [adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen

Raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1 De stukken

De rechtbank heeft bij de behandeling van de vordering gelet op:

- het afschrift van het vonnis van deze rechtbank d.d. 11 juni 2013;

- een advies van Victas d.d. 16 april 2014, met het advies een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in te stellen;

- de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie d.d. 9 september 2014, strekkende tot de tenuitvoerlegging van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf;

- een vordering voorlopige tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling ex artikel 14fa van het Wetboek van Strafrecht d.d. 10 oktober 2014;

- een bevel voorlopige tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling d.d. 10 oktober 2014;

- al hetgeen op de terechtzitting van 24 oktober 2014 is besproken.

2 De procesgang

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 24 oktober 2014, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, alsmede mw. [A], reclasseringswerker.

3 De behandeling

3.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering.

3.2

Het standpunt van de verdediging en veroordeelde

De verdediging heeft de rechtbank verzocht veroordeelde nog een kans te geven. Omdat het slecht met veroordeelde ging heeft zijn familie , hem in april 2014 naar Turkije gestuurd. Daar is hij gedurende een maand gedwongen opgenomen geweest in een kliniek. In augustus 2014 is hij teruggekeerd. Thans gaat het beter met hem. Hij heeft hij hulp gekregen bij het aanvragen van een uitkering, hij heeft thans een woning en hij is gestopt met blowen. De informatie van de reclassering is op dit punt gedateerd en achterhaald. Beide partijen dienen eerst contact met elkaar te hebben alvorens de noodzaak van een eventuele klinische behandeling besproken wordt.

Primair heeft de verdediging verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht de behandeling van de vordering aan te houden om door de reclassering aanvullend te laten rapporteren over de huidige situatie van veroordeelde en naar aanleiding daarvan een nieuw advies op te laten stellen.

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij absoluut niet wenst mee te werken aan enig onderzoek, dan wel een behandeling. Hij vindt reclasseringscontact niet nodig maar is wel bereid om contact met de reclassering te onderhouden, mits dit niet wekelijks is.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Aan veroordeelde is bij voormeld vonnis een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder toezicht en begeleiding zal stellen van de reclassering Nederland en zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering.

Voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 25 juni 2013.

Uit het advies van de reclassering volgt dat veroordeelde op 6 september 2013 uit detentie gekomen is. In november 2013 wilde veroordeelde op vakantie. De reclassering vond het noodzakelijk om eerst een Plan van Aanpak op te stellen. Veroordeelde had echter zonder overleg toch zijn vakantie gepland. Uiteindelijk werd afgesproken dat hij zich direct daarna zou melden bij de reclassering. Na zijn vakantie meldde veroordeelde zich - tegen de afspraak in - niet en was niet bereikbaar. Veroordeelde kreeg een waarschuwing maar liet in de gesprekken weten zich niet aan de wekelijkse afspraken te willen houden, nu hij daarvan de toegevoegde waarde niet zag. Opnieuw werden afspraken gemaakt, echter veroordeelde gaf nauwelijks openheid van zaken, waardoor het recidiverisico niet ingeschat kon worden. Veroordeelde bleef weigeren mee te werken. In maart 2014 gaf veroordeelde wederom aan niet wekelijks op de afspraken te willen komen. Vervolgens verscheen veroordeelde niet op de afspraken, reageerde hij niet meer op uitnodigingen en was hij telefonisch niet meer bereikbaar.

De reclassering heeft te kennen gegeven geen mogelijkheden meer te zien om het toezicht van veroordeelde te vervolgen. Veroordeelde komt zijn afspraken niet na, verleent minimale medewerking gedurende het toezicht, weigert over het delict te praten, geeft geen toestemming voor het uitwisselen van informatie, waardoor niet bekend is welke problemen er spelen op cognitief/psychisch gebied en vertelt weinig over zichzelf. Ten gevolge daarvan kan niet ingeschat worden hoe groot de kans op recidive is.

Mw. [A] heeft ter terechtzitting het standpunt van de reclassering toegelicht. Ook nadat veroordeelde in augustus 2014 uit Turkije was teruggekeerd heeft hij geen contact met de reclassering opgenomen. Wekelijks contact met veroordeelde is onvoldoende om hem te begeleiden. Om inzicht te krijgen in welke problematiek er speelt en wat voor veroordeelde nodig is, is nader onderzoek naar de persoon van veroordeelde noodzakelijk, bij voorkeur binnen een klinische setting. Veroordeelde zal in dat geval wel meer openheid van zaken dienen te geven. Het recidiverisico wordt thans als hoog ingeschat. Zonder nader onderzoek kan aan de opgelegde taak door de reclassering onvoldoende invulling worden gegeven.

De rechtbank overweegt als volgt. Veroordeelde heeft zich niet aan de hem bij voormeld vonnis opgelegde bijzondere voorwaarde gehouden. De rechtbank zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de aan veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij ziet aanleiding de tenuitvoerlegging te gelasten beperkt tot een deel daarvan ter grootte van 4 maanden.

Hierbij overweegt de rechtbank dat veroordeelde moet ondervinden dat het niet nakomen van de bij vonnis opgelegde voorwaarden consequenties heeft. De rechtbank houdt echter ook rekening met het gegeven dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van aanzienlijke duur is en veroordeelde de nodige persoonlijke problematiek heeft. In dit alles ziet de rechtbank redenen niet de gehele voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.

Gelet op hetgeen ter terechtzitting besproken is ziet de rechtbank geen aanknopingspunt om de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact te continueren, dan wel de bijzondere voorwaarden aan te vullen en/of nader onderzoek, al dan niet in een klinische setting, naar de persoon van veroordeelde te laten doen. Gelet op de houding van veroordeelde en zijn gebrek aan medewerking acht de rechtbank de kans van slagen daarop immers minimaal.

Het is nu aan veroordeelde zelf om te laten zien dat hij zijn leven op orde krijgt en op orde kan houden. Veroordeelde zal een stevige stok achter de deur nodig hebben om hem daartoe te blijven motiveren en om te voorkomen dat hij zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal daartoe de proeftijd verlengen van dat deel van de voorwaardelijke straf dat niet tenuitvoergelegd wordt.

De rechtbank beslist, gelet op de artikelen 14f en 14g van het Wetboek van Strafrecht, als volgt.

4 De beslissing.

De rechtbank:

- gelast dat een gedeelte, groot 4 maanden, van de voorwaardelijke gevangenisstraf, die bij voormeld vonnis d.d. 11 juni 2013 is opgelegd, ten uitvoer zal worden gelegd;

- wijst de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie d.d. 9 september 2014 voor het overige af;

- wijzigt de aan veroordeelde opgelegde voorwaarde met dien verstande dat de bijzondere voorwaarde in zijn geheel komt te vervallen;

- verlengt de proeftijd met één jaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, en mrs. P.P.C.M. Waarts en H.A. Gerritse, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G. van Engelenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 november 2014.