Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7344

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
02-02-2015
Zaaknummer
16-661472-14
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woning overval, vd + slachtoffers minderjarig. Verweer dat vd niet wist dat er geweld/een mes gebruikt zou worden, verworpen. Jdet deels voorwaardelijk + ITB Plus. Dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/661472-14; 16/653871-13 vordering na voorwaardelijke veroordeling [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1998] te [geboorteplaats]

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres]

Raadsvrouw mr. S. van der Ven, advocaat te Amersfoort

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 oktober 2014, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 21 september 2014 samen met anderen een woning heeft overvallen;

feit 2: op 24 juli 2014 [slachtoffer 1] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit. Echter op basis van het dossier kan, naar het oordeel van de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte spullen uit de woning heeft meegenomen, heeft gedeeld in de opbrengst en van tevoren wist dat er een mes meegenomen zou worden of anderszins geweld gebruikt zou worden. Ten aanzien van de onder het 6e gedachtestreepje ten laste gelegde bedreiging heeft de verdediging gesteld dat, nu slechts één getuige daarover verklaart, dit onderdeel van de tenlastelegging eveneens niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit twee is door de verdediging gesteld dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen volgt niet dat er sprake was van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede dat er sprake was van zodanige omstandigheden, dat deze bij [slachtoffer 1] redelijkerwijs vrees konden veroorzaken.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

feit 1 woningoverval

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL2013212681. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Op 21 september 2013 was [slachtoffer 2] thuis aan de [adres] te [plaats]. Het huis is van zijn ouders [vader van slachtoffer 2] en [moeder van slachtoffer 2]. Hij was daar met [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]. Rond 23.00/23.15 uur kwam een aantal onbekende jongens de tuin in. Zij drongen hen naar binnen en ze moesten op de stoelen en banken gaan zitten. Als ze niet zouden doen wat de jongens zeiden dan zouden ze hen lek steken met een mes of in elkaar slaan. Een van de overvallers had een mes in zijn hand. [slachtoffer 3] werd bij zijn keel gepakt en in een stoel geduwd. De jongens vroegen hen naar hun telefoons. Zij hebben de HTC telefoon van [slachtoffer 3] meegenomen. Zondagmorgen kwam [slachtoffer 2] er achter dat zijn Macbook niet meer op zijn slaapkamer lag. Zijn moeder miste ook haar Macbook. Verder ontbraken nog: een Iphone, parfum Calvin Klein, koptelefoon Beats by Dr. Dre. en € 1.300,00 aan contant geld. Al deze goederen lagen op de eerste verdieping. Een overvaller had zijn capuchon over zijn hoofd. Een andere overvaller had zijn kraag omhoog en zijn capuchon over zijn hoofd.1 De jongens grepen hen in de tuin vast. De jongens zeiden dat ze allemaal naar binnen moesten. Zij werden naar binnen geduwd. Een van de daders bedreigde hen met een mes.2

[slachtoffer 3] zag dat drie jongens met capuchons op de tuin in kwamen. De jongens duwden hen de kamer in. Zij moesten gaan zitten. De jongens vroegen naar hun telefoons. Een jongen hield hem een mes voor en hij werd bij zijn keel en shirt gepakt. Zijn HTC telefoon werd afgepakt.3

[slachtoffer 4] zag dat in de tuin drie jongens, met opgetrokken kragen en hun capuchons op, op hen af kwamen en hen naar binnen duwden. Zij moesten gaan zitten en hun telefoons op tafel leggen. Een van de daders had een mes.4

[slachtoffer 6] zag dat drie donkere jongens de tuin in kwamen. Zij duwden hen naar binnen de woning in. Een van de jongens had een mes bij zich. De jongen met een grijs vest had het mes en dreigde hen met het mes. De jongen zei dat ze moesten gaan zitten. Een andere jongen greep [slachtoffer 3] bij zijn keel en zei tegen hem dat hij niet zo’n grote mond moest hebben, anders zou hij hem steken. Er werd om hun telefoons gevraagd.5

[slachtoffer 7] zag dat drie jongens de tuin in kwamen. Zij riepen luid dat zij de woning in moesten gaan. Een aantal van hen werd de woning ingeduwd. Een van de overvallers had een mes bij zich. Hij hield het mes goed zichtbaar voor zich. De overvallers hadden hun bontkraag/capuchon omhoog getrokken. Een van de overvallers pakte [slachtoffer 3] bij zijn kraag en zijn keel. [slachtoffer 3] moest zijn telefoon afgeven.6

[A] was op 21 september 2013 met [B] en [verdachte] naar het park gegaan, daar kwamen zij nog andere jongeren tegen. Bij de rotonde vroeg [verdachte] of hij mee deed met het plegen van een overval. Hij zag dat [B] en anderen hun capuchon opdeden. Zij liepen naar een huis. Hij hoorde [B] roepen: “Overval” en hoorde kinderen gillen. Een half uur later zag hij de groep. [B] zei dat hij iets gestolen had. Hij zag dat een jongen een grijze laptop met een Apple teken in zijn handen had, een Imac. De volgende dag liet [B] hem een zwarte HTC telefoon zien, hij zei dat hij die de avond er voor had gestolen. Hij vertelde dat hij de kinderen bedreigd had en gezegd had dat ze moesten gaan zitten en hun mond moesten houden. Hij had daarbij een vlindermes gebruikt.7

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 21 september 2013 in [plaats] samen met een aantal andere jongens naar de woning was gegaan waar [slachtoffer 3] was (de rechtbank begrijpt dat door verdachte de woning aan de [adres] te [plaats] wordt bedoeld). De andere jongens en hijzelf zouden de woning overvallen met als doel daar naar binnen te gaan, spullen te pakken om zo geld te verdienen. Voor de overval had hij zich omgekleed omdat de kleding die hij droeg te opvallend was. Drie jongens gingen via de tuin de woning binnen en een van hen had vervolgens de voordeur geopend. Hij, verdachte, stond met andere jongens bij de voordeur. Voordat hij de woning binnen was gegaan had hij, om herkenning te voorkomen, zijn capuchon over zijn hoofd gedaan. Zodra de voordeur geopend werd, was hij - zoals was afgesproken - met een paar andere jongens naar boven gegaan. Nadat er op de deur was gebonkt, hebben zij de woning weer verlaten.8

(bewijs)overwegingen

Geweld

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er bij de overval geweld gebruikt zou worden dan wel dat dat er met een mes gedreigd zou worden.

De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Het is immers onaannemelijk dat een overval op een woning waar meerdere personen aanwezig zijn, zonder enige vorm van geweld of bedreiging, al dan niet met een wapen, plaatsvindt nu te verwachten is dat de aanwezigen zich zullen verzetten.

Medeplegen

Verdachte heeft samen met anderen het plan opgevat om een woning, waar op dat moment een aantal minderjarigen aanwezig was te overvallen. De bedoeling was om spullen uit de woning mee te nemen om zodoende aan geld te komen. Verdachte is kort voor de overval nog aan de deur geweest. Om herkenning te voorkomen heeft verdachte zich voor de overval omgekleed en heeft tijdens de overval zijn capuchon over zijn hoofd getrokken. Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een rolverdeling. Verdachte is, nadat de voordeur door een van de mededaders voor hem was opengedaan, met mededaders de woning binnengegaan, is conform een eerder gemaakte afspraak direct naar boven gegaan en heeft daar ook zelf naar spullen gezocht om mee te nemen. Vervolgens is verdachte er met de anderen vandoor gegaan nadat daartoe het van te voren afgesproken signaal werd gegeven.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Dat verdachte verklaart zelf geen spullen te hebben meegenomen en niet zou hebben geweten dat er een mes dan wel geweld gebruikt zou worden, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feite heeft gepleegd.

4.3.2

feit 2 bedreiging

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0900-2014202903z. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Op 24 juli 2014 verklaarde [slachtoffer 1] tegenover verbalisant [verbalisant] dat haar vriend [verdachte] haar en haar vriendin [C] blokkeerde met zijn fiets, zodat zij niet verder kon fietsen. [verdachte] stapte van zijn fiets met een mes in zijn rechterhand en liep haar richting op. Hij stond op ca. 40/50 centimeter voor haar met het mes in zijn hand. Hij hield het mes voor haar ter hoogte van haar buik.9

Getuige [getuige] zag op 24 juli 2014 te Hoogland dat een jongen bij twee meisjes stond. De jongen was boos en schreeuwde tegen één meisje. Het meisje was bang voor de jongen en keek angstig. De jongen pakte een mes en hield dat voor zich, met de punt in de richting van het meisje. De punt van het mes kwam vlak bij de buik van het meisje.10

(bewijs)overwegingen

De rechtbank overweegt dat, op grond van voornoemde bewijsmiddelen, de door verdachte richting [slachtoffer 1] gepleegde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm een bedreiging met geweld opleveren. Het gegeven dat [slachtoffer 1] geen aangifte wil doen tegen verdachte doet daar niet aan af.

De rechtbank acht – gelet op het voorgaande – de tenlastegelegde bedreiging met geweld wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

op 21 september 2013 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een telefoon (merk: HTC) en (twee) Macbook(s) en een telefoon (merk: Iphone) en parfum (merk: Calvin klein) en een koptelefoon (merk: Dr. Beats) en een geldbedrag (van ongeveer 1300 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [moeder van slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en dreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of diens mededaders:

- ( met opgetrokken kra(a)g(en) en/of capuchon(s)) de tuin behorend bij voornoemde woning is/zijn ingelopen en

- die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] de woning in heeft/hebben geduwd en/of getrokken en

- die [slachtoffer 3] bij de keel en kraag heeft gepakt en in een stoel heeft geduwd en

- die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] een mes, heeft/hebben getoond en

- tegen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] heeft/hebben gezegd en/of geschreeuwd en/of geroepen dat zij de woning in moesten gaan en dat zij in de woning moesten gaan zitten en hun telefoons op tafel moesten leggen en

- die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] te verstaan heeft/hebben gegeven dat zij als zij dit niet zouden doen lek gestoken zouden worden met een mes en/of in elkaar zouden worden geslagen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

feit 2:

op 24 juli 2014 te Amersfoort, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes in zijn hand op die [slachtoffer 1] af gelopen en met een mes in de hand tegenover die [slachtoffer 1] gaan staan en heeft hij opzettelijk dreigend een mes in de richting van de buik van die [slachtoffer 1] gehouden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: bedreiging met zware mishandeling.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek, waarvan 151 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daarbij als bijzondere voorwaarde de maatregel van Toezicht en Begeleiding door Bureau Jeugdzorg, waarvan 3 maanden ITB Plus, meewerken aan proces-diagnostiek en, indien dit noodzakelijk wordt geacht, meewerken aan een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

Daarnaast vordert de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen periode heeft laten zien. Een jeugddetentie zou deze positieve lijn doorbreken, met alle gevolgen van dien. De verdediging verzoekt aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Subsidiair ziet de verdediging in het opleggen van bijzondere voorwaarden en het opleggen van ITB Plus een dubbeling en verzoekt zij de rechtbank een keuze uit één van deze twee te maken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met anderen een woning overvallen, waarbij tegen de aanwezige jongeren geweld is gebruikt en waarbij laatstgenoemden met een mes werden bedreigd. Voorts heeft verdachte op straat zijn toenmalige vriendin met een mes bedreigd. Dergelijke feiten hebben een enorme impact op de slachtoffers en zorgen bij hen en in de maatschappij voor gevoelens van onrust en onveiligheid. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en dat hij ten tijde van het plegen van het onder 2 bewezenverklaarde feit in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 1 oktober 2014. Mw. [D] heeft ter terechtzitting voornoemd rapport toegelicht.

Er zijn al lange tijd zorgen rondom verdachte. Binnen de huidige ITB Plus maatregel heeft hij inmiddels de eerste stappen gezet en laten zien dat hij hier baat bij heeft. Blijkens de psychologische rapportage van 12 maart 2014 is bij verdachte een gedragsstoornis vastgesteld. Er zijn vragen over wat er verder bij verdachte speelt. Daar moet nader onderzoek naar gedaan worden. Dat onderzoek is essentieel voor de toekomst van verdachte, nu hij nog de kans heeft om aan zichzelf te werken.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van Bureau Jeugdzorg d.d. 20 oktober 2014. Mw. [E] heeft ter terechtzitting voornoemd rapport toegelicht. Verdachte staat thans open voor begeleiding en behandeling en heeft wat dat betreft een positieve verandering laten zien. Belangrijk is wel dat er druk op verdachte blijft staan om hem te blijven motiveren om mee te werken. School is een moeilijk punt, verdachte wilde niet meer en heeft nog geen werkplek gevonden. Geadviseerd wordt om de huidige ITB Plus te verlengen met drie maanden. Dit is niet zo zeer om een en ander af te kaderen en strenge controle uit te kunnen oefenen, maar om, wanneer er op school of bij De Waag iets gebeurt, intensief contact met verdachte te kunnen onderhouden, met hem mee te gaan en hem te blijven motiveren. Het reguliere toezicht biedt daartoe onvoldoende ruimte.

Beide deskundigen adviseren om verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met daarbij de bijzondere vooraarden zoals genoemd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, met daarbij de ITB Plus maatregel voor drie maanden. De ten uitvoer te leggen voorwaardelijke jeugddetentie uit de zaak met parketnummer 16/653871-13 dient naar het oordeel van de deskundigen te worden omgezet naar een werkstraf. Een eventueel daarnaast op te leggen werkstraf in de nieuwe, thans voorliggende zaak zou verdachte volgens de deskundigen overvragen.

Verdachte heeft aangegeven dat hij aan zichzelf wil werken en bereid is mee te werken aan begeleiding, ook in het kader van de ITB Plus, onderzoek naar zijn persoon en behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een jeugddetentie passend en geboden is. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het gewelddadige karakter van de overval, het gebruik van een mes bij beide feiten en de nog jonge leeftijd van de slachtoffers. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op hetgeen ter terechtzitting is besproken en de persoon van verdachte, begeleiding, onderzoek naar de persoon van verdachte en behandeling van verdachte wenselijk en noodzakelijk. Ook acht de rechtbank het noodzakelijk de ITB Plus maatregel te verlengen nu de positieve ontwikkeling bij verdachte nog zeer recent en kwetsbaar is en verdachte nog een intensief traject heeft te gaan. Daarnaast heeft verdachte, terwijl hij in een schorsing en een proeftijd liep en begeleid werd in het kader van ITB Plus, een nieuw strafbaar feit gepleegd, te weten de bedreiging van zijn toenmalige vriendin.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf meer dan gerechtvaardigd is en voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. Voorts overweegt de rechtbank dat, naast de jeugddetentie, een werkstraf op zijn plaats zou zijn. Gelet echter op de problematiek van verdachte, de vereiste begeleiding, de ITB Plus maatregel voor de duur van drie maanden en de – in het kader van de vordering na voorwaardelijke veroordeling – uit te voeren werkstraf van 180 uur, is de rechtbank met de officier van justitie en de deskundigen van oordeel dat een werkstraf verdachte zal overvragen en daardoor averechts zal kunnen werken.

De rechtbank acht - gelet op artikel 77za Wetboek van Strafrecht – de dadelijke uitvoerbaarheid aangewezen, nu verdachte misdrijven heeft gepleegd die gericht zijn tegen onaantastbaarheid van een persoon en er bovendien ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.213,69 ter zake materiele schade voor feit 1. Ter terechtzitting heeft [vader van slachtoffer 2], gemachtigde en vader van [slachtoffer 2], in aanvulling op voornoemde vordering, namens [slachtoffer 2] € 1.500,00 aan immateriële schade gevorderd.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat gevorderd de vordering van de benadeelde partij deels moet worden toegewezen, tot een bedrag van € 902,93, waarvan

€ 500,00 ter zake immateriële schade en € 402,93 ter zake materiële schade (Macbook Pro, parkeerkosten en reiskosten ten behoeve van politie en rechtbank), met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu het materiële deel ziet op de kosten gemaakt door de ouders van de benadeelde partij. Voorts is de gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd.

Subsidiair stelt de verdediging dat de posten eigen risico verzekering, de reiskosten waar het betreft sport en school en de opgevoerde parkeerkosten onvoldoende onderbouwd zijn. De 2e hands laptop had op het moment van de diefstal geen waarde meer. Het door de ouders opgenomen verlof en het meerijden met het slachtoffer ziet niet op de door het slachtoffer geleden schade. De benadeelde partij dient op deze punten niet ontvankelijk in zijn vordering verklaard te worden. Hoe dan ook kunnen niet alle kosten voor het bezoeken van het politiebureau worden opgevoerd, nu men daar ook geweest is naar aanleiding van vragen in verband met het onderzoek en de eerder door aangever afgelegde verklaringen.

Voorts dient de vordering, voor zover de rechtbank deze toewijst en gelet op de medeverdachten, naar evenredigheid verdeeld te worden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat [vader van slachtoffer 2] ter zitting de vordering heeft toegelicht. De ouders van [slachtoffer 2] hebben materiële schade geleden zoals aangegeven in de vordering. [slachtoffer 2] heeft daarvan namens hen aangifte gedaan. Deze schade is opgenomen in het formulier ten name van hun zoon, nu zij – naar eigen zeggen - daags voor de zitting pas bericht hadden ontvangen dat zij (ook zelf) een schadeformulier konden invullen. Zij hadden daardoor niet de gelegenheid voornoemd formulier met bijstand van een deskundige van slachtofferhulp in te vullen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde vordering als volgt gesplitst dient te worden:

  1. [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 1.500,00 ter zake immateriële schade en

  2. [vader van slachtoffer 2] en [moeder van slachtoffer 2] voor een bedrag van € 1.213,69 ter zake materiële schade.

7.3.1.

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade tot een bedrag van € 500,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7.3.2

De benadeelde partijen [vader van slachtoffer 2] en [moeder van slachtoffer 2]

7.3.2.1 [vader van slachtoffer 2]

De rechtbank overweegt dat [vader van slachtoffer 2] niet als benadeelde partij aangemerkt kan worden, nu deze niet in de tenlastelegging staat vermeld.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering voor zover deze ziet op de posten opgevoerd ten behoeve van [vader van slachtoffer 2]: opgenomen verlof

€ 300,00, reiskosten rechtbank € 12,60 en parkeerkosten rechtbank € 13,64 .

Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7.3.2.2 [moeder van slachtoffer 2]

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 476,69 (reiskosten politiebureau: € 4,20 en rechtbank: € 12,60, parkeren rechtbank: € 13,64, Macbook Pro:

€ 346,25 en eigen risico verzekering: € 100,00) een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 3 maanden jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2014 ten uitvoer zal worden gelegd, waarbij deze omgezet wordt naar een werkstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende jeugddetentie.

De verdediging heeft primair verzocht de proeftijd te verlengen met één jaar. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de op te leggen jeugddetentie om te zetten naar een werkstraf.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hiervoor onder 6.3 behandeld, zal de rechtbank verdachte in de gelegenheid stellen een werkstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd 77gg, 77za, 285, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: bedreiging met zware mishandeling.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 151 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

* zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van Toezicht en Begeleiding, waarvan drie maanden ITB Plus, worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg;

* verplicht zal meewerken aan een aanvullend psychodiagnostisch onderzoek vanuit De Waag of een soortgelijke instelling;

* - indien dit voorkomt uit voornoemd psychodiagnostisch onderzoek en de reclassering dit nodig acht - verplicht zal meewerken aan het behandelaanbod en verplicht zal meewerken aan een behandeling gericht op zijn agressieproblematiek van De Waag of een soortgelijke instelling;

- geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dadelijk uitvoerbaar

- verklaart de op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar.

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 22 april 2014 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/653871-13 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten drie maanden jeugddetentie;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 500,00, ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], € 500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[vader van slachtoffer 2] en [moeder van slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [moeder van slachtoffer 2] van € 476,79 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [moeder van slachtoffer 2], € 476,79 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 9 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter en tevens kinderrechter, en

mrs. P.P.C.M. Waarts en A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G. van Engelenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 november 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 21 september 2013 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een telefoon (merk: HTC) en/of (twee) Macbook(s) en/of een telefoon (merk: Iphone) en/of parfum (merk: Calvin klein) en/of een koptelefoon (merk: Dr. Beats) en/of een geldbedrag (van ongeveer 1300 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [moeder van slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte en/of diens mededader(s)

- ( met opgetrokken kra(a)g(en) en/of capuchon(s)) de tuin behorend bij voornoemde woning is/zijn ingelopen en/of

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] de woning in heeft/hebben geduwd en/of getrokken en/of

- die [slachtoffer 3] bij de keel en/of kraag heeft/hebben gepakt en/of in een stoel heeft/hebben geduwd en/of

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond, althans zichtbaar heeft/hebben vastgehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft/hebben gezegd en/of geschreeuwd en/of geroepen dat zij de woning in moesten gaan en/of dat zij in de woning moesten gaan zitten en/of hun telefoons op tafel moesten leggen, althans woorden van gelijke aard en/of

strekking en/of

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] te verstaan heeft/hebben gegeven dat zij als zij dit niet zouden doen lek gestoken zouden worden met een mes en/of in elkaar zouden worden geslagen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 24 juli 2014 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes in zijn hand op die [slachtoffer 1] af gelopen en/of met een mes in de hand tegenover die [slachtoffer 1] gaan staan en/of heeft hij opzettelijk dreigend een mes in de richting van de buik en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] gehouden;

1 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], pagina 29 t/m 30.

2 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2], pagina 41 en 42.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3], pagina 50.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 4], pagina 56 en 57.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6], pagina 64 en 65.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7], pagina 73.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], pagina 250 en 251

8 Verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 oktober 2014.

9 Proces-verbaal van bevindingen, [verbalisant], pagina 6 en 7.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 24 en 25.