Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7311

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
378201 HA RK 14-229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking. Afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 378201/ HA RK 14-229

beslissing van 18 december 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, zitting houdend te Lelystad

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

verder te noemen verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 2 oktober 2014 met bijlage

- een e-mail van 9 oktober 2013 van verzoeker

- een brief van verzoeker gedateerd 23 oktober 2014 met een extra productie

- een pleitnota.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 24 oktober 2014 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde ing. A. Kleijn. Verder is de heer Snellers verschenen aan de kant van verzoeker Mr. J.J.M. de Laat is niet verschenen.

1.3.

Nadat de mondelinge behandeling van 24 oktober 2014 had plaatsgevonden, maar voordat de wrakingskamer een beslissing in onderhavig wrakingsverzoek had genomen heeft verzoeker de wrakingskamer, bestaande uit mr. drs. M.C.P. de Ridder, mr. A. van Holten en mr. G.J.J.M. Essink gewraakt, waarna de behandeling van onderhavig wrakingsverzoek is geschorst. Voornoemd verzoek is op 2 december 2014 afgewezen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.J.M. de Laat als rechter in de behandeling van de zaak tussen [verzoeker] als verzoeker en VvE Appartementengebouw La Balise (hierna: VvE), geregistreerd onder zaaknummer 2887611 AE VERZ 14-71 DJ/1067.

2.2.

Verzoeker stelt dat het mr. De Laat ontbreekt aan onpartijdigheid. Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat mr. De Laat reeds eerder in 2011 een zaak behandeld heeft tussen dezelfde partijen; dat mr. De Laat ter zitting niet wilde ingaan op de identiteit van de VvE; dat mr. De Laat de zaak niet wilde aanhouden op het moment dat bekend werd dat [A] niet genodigd was voor de zitting; dat mr. De Laat geweigerd heeft om een descente te houden om op die wijze meer duidelijkheid te verkrijgen; dat mr. De Laat niet heeft toegestaan om van de zitting een geluidsopname te maken en dat mr. De Laat lid is van een adviesraad van de OSR waarvan ook [B] - advocaat bij Achmea - lid is, terwijl de gemachtigde van de VvE werkzaam is voor Achmea waardoor op zijn minst de schijn wordt gewekt dat er een uitwisseling van ongeoorloofde preventieve adviezen plaatsvindt.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft geen verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Niet gebleken is dat de rechter berust in de wraking.

4.2.

Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek moet worden getoetst aan de norm van zowel artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als artikel 6 EVRM, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn, indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging bevooroordeeld is. Ook kan daarvan sprake zijn, indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de

rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn

aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke

omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat

een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de partij

bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.4.

Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek in de eerste plaats gestoeld op de eerdere bemoeienis van mr. De Laat met de zaak tussen hem en de VvE. De enkele omstandigheid dat een rechter eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak, is volgens vaste jurisprudentie, onvoldoende om partijdigheid aan te kunnen nemen. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist. Als bijkomende omstandigheid heeft verzoeker aangevoerd dat mr. De Laat in deze eerdere procedure, net als in de procedure waarop onderhavig verzoek tot wraking ziet, niet wilde ingaan op de identiteit van de VvE. De omstandigheid dat verzoeker van mening is dat mr. De Laat niet de juiste identiteit met betrekking tot de VvE heeft vastgesteld dan wel dat hij onvoldoende inhoudelijk is ingaan op de identiteit van de VvE, vormt niet een omstandigheid die objectief bezien gegronde aanleiding geeft om te twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. De Laat. Uitgangspunt is dat de (motivering van de) beslissing niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde kan worden gesteld, maar dat daarvoor de weg gevolgd dient te worden van het instellen van een rechtsmiddel tegen die beslissing. Slechts wanneer de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter slechts kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens de betrokkene, kan dit tot toewijzing van een wrakingsverzoek leiden. Hiervan is echter niet gebleken. Voorts heeft verzoeker betoogd dat het proces-verbaal van de eerdere zitting die in 2011 heeft plaatsgevonden onjuist is. Hiervan is echter niet gebleken. Verzoeker heeft ook niet door middel van concrete feiten en omstandigheden onderbouwd waarom het proces-verbaal van de eerdere zitting die in 2011 heeft plaatsgevonden onjuist is.

4.5.

De beslissingen met betrekking tot het al dan niet maken van geluidsopname, het al dan niet aanhouden van de zaak en het al dan niet laten plaatsvinden van een descente betreffen stuk voor stuk beslissingen van processuele aard. Het behoort tot de bevoegdheid van de rechter om te beslissen over de wijze waarop de behandeling van deze verzoeken dient te geschieden. Dergelijke beslissingen leiden objectief bezien nog niet tot (subjectief) gerechtvaardigde vrees voor gebrek aan onpartijdigheid. Dat zou alleen anders zijn indien deze beslissingen zodanig onbegrijpelijk zijn dat deze niet anders kunnen worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid. Die situatie is de wrakingskamer niet gebleken.

4.6.

Verzoeker heeft betoogd dat mr. De Laat en een advocaat van Achmea, [B], beiden lid zijn van een adviesraad van de OSR. Het enkele feit dat mr. De Laat en een advocaat van Achmea - niet zijnde de gemachtigde van de wederpartij in de zaak tussen verzoeker en de VvE - lid zijn van (verschillende) adviesraden van OSR vormt niet een omstandigheid die objectief bezien gegronde aanleiding geeft om te twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. De Laat. Bovendien is niet gebleken dat tussen mr. De Laat en [B] of anderen, ongeoorloofde adviezen zijn uitgewisseld. Verzoeker heeft dat ook op geen enkele wijze onderbouwd.

4.7.

Verzoeker heeft in zijn pleitnota een aantal vragen aan de rechtbank gesteld met betrekking tot onder meer de samenstelling, het zittingsrooster en de contacten van de wrakingskamer. De rechtbank ziet in deze vragen geen onderbouwing van of toelichting op het onderhavige wrakingsverzoek, zodat deze vragen onbeantwoord worden gepasseerd.

4.8.

Nu verzoeker ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond

waarvan kan worden geoordeeld dat mr. De Laat blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief

gerechtvaardigd is, zal de rechtbank het wrakingsverzoek afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. J.J.M. de Laat af;

5.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan

verzoeker en mr. J.J.M. de Laat, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel recht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. M.C.P. de Ridder, voorzitter, mr. A. van Holten en

mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. B.F. Hammerle,

griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.