Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7305

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
C-16-382751 - KG ZA 14-907
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Protestantse stichting verzet zich tegen haar ontbinding en incorporatie van haar werk in werk van PKN en vordert in dit kort geding vergeefs de schorsing van daartoe strekkende besluiten, die zijn genomen door statutair tot ontbinding bevoegd orgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0062
AR 2015/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/382751 / KG ZA 14-907

Vonnis in kort geding van 31 december 2014

in de zaak van

de stichting

STICHTING KERK EN WERELD,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. drs. T. van Kooten te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde], in zijn hoedanigheid van aangewezen persoon als bedoeld in artikel 2:15 lid 3 sub b BW,

wonende te [woonplaats],

2 kerkgenootschap

PROTESTANTSE KERK IN NEDERLAND,

gedaagden,

advocaat mr. G.W.C. van der Feltz te Den Haag.

Eiseres zal hierna de Stichting worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde] worden genoemd, gedaagde sub 2 PKN. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk PKN c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 december 2014, met daarbij 16 producties,

  • -

    de brief van PKN c.s. van 19 december 2014, met daarbij de producties A-D,

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 23 december 2014,

  • -

    de pleitnota van de Stichting,

  • -

    de pleitnota van PKN c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 31 december 2014 vonnis uitgesproken. Het onderstaande vormt hiervan de schriftelijke uitwerking en is op 9 januari 2015 vastgesteld.

2 De feiten

2.1.

De Stichting is op 25 februari 1946 opgericht vanwege de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk. Zij is een protestantse stichting in de zin van ordinantie 11-27 van de kerkorde en de generale regeling stichtingen.

2.2.

De statuten van de Stichting zijn voor het laatst gewijzigd op 4 oktober 2006. Zij luiden thans als volgt:

(…)

Artikel 2

DOEL

De stichting heeft ten doel: het leveren van een bijdrage aan de bezinning over vraagstukken op het grensvlak van geloof en samenleving.

(…)

Artikel 8

BOEKJAAR, BEGROTING EN JAARREKENING

(…)

2. Elk jaar stelt het bestuur een begroting vast voor het eerstvolgende boekjaar en zendt deze vóór één oktober van het lopende jaar ter goedkeuring aan de kleine synode.

(…)

Artikel 11

GESCHILLEN

Bezwaren van een kerkelijk lichaam tegen de stichting of haar bestuur dan wel van de stichting of haar bestuur tegen een kerkelijk lichaam, alsmede geschillen bedoeld in ordinantie 12 van de Protestantse Kerk in Nederland tussen de stichting of haar bestuur en een kerkelijk lichaam, wordt behandeld naar het in genoemde ordinantie bepaalde.

(…)

Artikel 14

ONTBINDING EN VEREFFENING

(…)

2. De kleine synode is bevoegd bij schriftelijk en gemotiveerd besluit na advies van het bestuur van de dienstenorganisatie de Stichting te ontbinden. Het besluit tot ontbinding door de kleine synode kan slechts worden genomen na overleg met het bestuur van de Stichting.

3. Het bestuur van de Stichting is met de vereffening belast, tenzij bij het besluit van de ontbinding één of meer andere vereffenaars zijn benoemd.

(…)

5. Bij de ontbinding van de stichting wordt de bestemming van een batig liquidatiesaldo bepaald door de kleine synode op voorstel van het bestuur van de Stichting en passend bij de doelstelling van de Stichting.

(…).

2.3.

De kleine synode heeft – na een tussenbesluit van 21 juni 2013 – in weerwil van het standpunt van het bestuur van de Stichting, bij besluit van 29 november 2013 (hierna ook: besluit I) het volgende besloten:

1. Het werk van de stichting Kerk en Wereld conform de aanvaarde notitie stichtingenbeleid te integreren in het werk van de landelijke kerk dat wordt uitgevoerd door de dienstenorganisatie, zulks uiterlijk per 1 januari 2015;

2. het moderamen de opdracht te geven deze integratie –in samenwerking met het bestuur van de dienstenorganisatie– tot stand te brengen, zulks na overleg met het bestuur van de stichting Kerk en Wereld;

3. allen te danken die bij de voorbereiding van deze besluiten betrokken zijn geweest.

2.4.

De Stichting heeft bij het Generale College voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen in de Protestantse Kerk in Nederland (hierna: GCBG) bezwaar gemaakt tegen besluit I.

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar van 3 september 2014 heeft het GCBG als volgt overwogen :

“5. De beoordeling

(…)

5.2 (…).

Het besluit van de kleine synode houdt in aanvaarding van de notitie stichtingenbeleid als uitgangspunt voor het verdere beleid van de kleine synode ten aanzien van stichtingen. Volgens de motivering wil de kerk zoveel mogelijk werk dat bij haar past zelf uitvoeren op grond en als onderdeel van het totale beleid van de kerk. (…).

(…)

5.4

In artikel 14 lid 2 van de statuten is aan de kleine synode de bevoegdheid toegekend Kerk en Wereld te ontbinden. Volgens deze bepaling dient dit besluit schriftelijk en gemotiveerd te zijn en kan het slechts worden genomen na advies van het bestuur van de dienstenorganisatie en na overleg met het bestuur van Kerk en Wereld. Niet in geschil is dat het besluit schriftelijk is genomen en is voorzien van een motivering. Volgens de schriftelijke weergave van het besluit van 21 juni 2013 had de kleine synode kennisgenomen van het positieve advies van het bestuur van de dienstenorganisatie als bijlage bij de brief van 21 mei 2013 van het moderamen. Het voorstel, waarover het bestuur van de dienstenorganisatie had geadviseerd, hield onder meer in te besluiten tot ontbinding van Kerk en Wereld. Ook aan het vereiste van voorafgaand overleg met het bestuur is naar het oordeel van het generale college voldaan. In de eerste plaats is over de (voorgenomen) besluiten uitvoerig gecorrespondeerd (…). Ook heeft diverse malen overleg plaatsgevonden (…). Daardoor kan niet staande worden gehouden dat niet of nauwelijks overleg is gevoerd met het bestuur van Kerk en Wereld. De correspondentie en het overleg hebben niet geleid tot instemming van Kerk en Wereld met het (voorgenomen) besluit tot ontbinding, maar de statuten bepalen niet dat de kleine synode niet dan met dergelijke instemming kan besluiten tot ontbinding. Het besluit tot ontbinding van Kerk en Wereld is dan ook naar het oordeel van het generale college niet in strijd met de geldende statutaire voorschriften.

5.5

Het generale college volgt Kerk en Wereld niet in haar standpunt dat op grond van de wet en de generale regeling stichtingen de door haar genoemde (…) randvoorwaarden gelden waaraan voldaan moet zijn voordat de kleine synode tot ontbinding kan besluiten en dat daaraan in dit geval niet is voldaan. (…).

Het generale college neemt hierbij in aanmerking dat de wet de bedoelde randvoorwaarden (…) niet stelt en de toepasselijke kerkordelijke bepalingen evenmin. Artikel 2:285 lid 3 BW verbiedt dat het doel van de stichting inhoudt het doen van uitkeringen aan oprichters. Deze bepaling belet niet dat het liquidatiesaldo ten goede komt aan de oprichters die eveneens van ideële aard zijn. Het voornemen dat saldo te bestemmen voor projecten op het grensvlak van geloof en samenleving strookt met de statutaire doelstelling van Kerk en Wereld. Daardoor worden de belangen van donateurs en legatarissen die middelen hebben toevertrouwd aan Kerk en Wereld, voldoende beschermd. Gelet op artikel 14 van de statuten konden zij op de hoogte zijn van de mogelijkheid van Kerk en Wereld door de kleine synode en bestemming van het liquidatiesaldo door de kleine synode. (…).Ordinantie 11-27-2 van de kerkorde bepaalt dat een protestantse stichting uitsluitend in het leven mag worden geroepen wanneer vaststaat dat de daarbij op het spel staande belangen alleen door een stichting voldoende kunnen worden behartigd. Uit het besluit tot ontbinding en de daarvoor gegeven motivering volgt dat naar opvatting van de kleine synode de belangen waarvoor Kerk en Wereld destijds is opgericht ook voldoende kunnen worden behartigd na haar ontbinding en integratie van haar werkzaamheden in de kerk. Het is in dat geval niet in strijd met (de strekking van) ordinantie 11-27-2 te besluiten tot het gebruik van de statutaire bevoegdheid tot ontbinding van Kerk en Wereld. (…).

5.6

Het generale college ziet geen grond voor het oordeel dat de kleine synode bij het nemen van het besluit tot ontbinding van Kerk en Wereld niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Zoals overwogen onder 5.4 is het besluit genomen na correspondentie en overleg met het bestuur van Kerk en Wereld, zodat in zoverre de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen. Ook aan de overige statutaire eisen van procedurele aard is voldaan. Het besluit berust op de overwegingen als weergegeven in (…) deze uitspraak. Die overwegingen kunnen naar het oordeel van het generale college het besluit tot ontbinding van Kerk en Wereld dragen, zodat ook in zoverre dat besluit niet als onzorgvuldig is aan te merken. Dat Kerk en Wereld zich met die overweging niet verenigt, maakt dit niet anders. (…). Het is niet onzorgvuldig indien financiën en het werk van Kerk en Wereld met elkaar worden verbonden zodat ook na haar ontbinding haar werk wordt voortgezet en wordt gefinancierd uit het vermogen dat toegehoorde aan Kerk en Wereld en dat vermogen wordt aangewend conform haar doelstelling. Blijkens de daarvoor gegeven motivering staat dit laatste de kleine synode voor ogen met het besluit tot ontbinding van Kerk en Wereld.

5.7

Het generale college volgt Kerk en Wereld niet in het standpunt dat de kleine synode haar bevoegdheid tot ontbinding te besluiten heeft aangewend voor andere doelen dan waarvoor haar die is verleend. Volgens Kerk en Wereld stelt de kleine synode de kerkeigen organisatorische en financiële belangen voorop ten koste van de belangen van Kerk en Wereld. Dit standpunt miskent dat de kleine synode bevoegd is tot ontbinding van Kerk en Wereld te besluiten en dit besluit blijkens de overwegingen waarop het berust is ingegeven door het belang van de werkzaamheden in lijn met het statutaire doel van Kerk en Wereld.

5.8

Naar het oordeel van het generale college kan niet gezegd worden dat de kleine synode bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot de ontbinding van Kerk en Wereld. Bij dat besluit heeft zij zich het belang van voortzetting van de werkzaamheden conform de doelstelling van Kerk en Wereld voldoende aangetrokken door te bepalen dat die worden geïntegreerd in de werkzaamheden van de landelijke kerk. Zij is voornemens het liquidatiesaldo onder te brengen in een fonds met de bestemming “projecten op het grensvlak van geloof en samenleving”. (…). Het besluit tot ontbinding strookt met het beleid van de kleine synode om het werk dat bij de kerk past, ook als het nog is ondergebracht in stichtingen, zo veel mogelijk zelf uit te voeren op grond en als onderdeel van het beleid van de kerkt. (…). Niet valt uit te sluiten dat, zoals Kerk en Wereld stelt, sommige derden wel aan haar maar niet aan de kerk geld willen schenken. Dit mogelijke nadeel van het besluit tot ontbinding weegt naar het oordeel van het generale college niet zo zwaar dat de kleine synode zich daardoor in een redelijke afweging van alle betrokken belangen moest laten weerhouden het besluit tot ontbinding te nemen.

5.9

Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren tegen het besluit van de kleine synode tot ontbinding van Kerk en Wereld ongegrond zijn.

(…)

5.12

Artikel 14 lid 5 van de statuten bepaalt dat bij ontbinding van Kerk en Wereld de bestemming van een batig liquidatiesaldo wordt bepaald door de kleine synode op voorstel van het bestuur van Kerk en Wereld en passend bij haar doelstelling. Een voorstel van het bestuur van Kerk en Wereld inzake de bestemming van dat saldo ontbreekt (…). Naar het oordeel van het generale college brengt een redelijke uitleg van deze statutaire bepaling mee dat, indien het bestuur van Kerk en Wereld niet zelf een voorstel heeft gedaan over de bestemming van het liquidatiesaldo, hem door of namens de kleine synode een redelijke en duidelijke termijn wordt gegund om een dergelijk voorstel te doen (…).Omdat niet gesteld of gebleken is dat door of namens haar aan het bestuur van Kerk en Wereld een dergelijke termijn is gegund, heeft de kleine synode bij het besluit inzake de bestemming van het liquidatiesaldo van Kerk en Wereld niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen. Het bezwaar tegen dat besluit is in zoverre gegrond. Het generale college zal dat besluit vernietigen en bepalen dat de kleine synode een nieuw besluit dient te nemen over de bestemming van het liquidatiesaldo van Kerk en Wereld met inachtneming van deze uitspraak.

2.6.

Bij beschikking van 26 november 2014 (bekend onder nummer C/16/381572 KG RK 14-118) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde] benoemd als persoon, die ter zake van het geding strekkende tot vernietiging van het besluit van 29 november 2013 van de kleine synode in de plaats treedt van de Stichting. Op 28 november 2014 heeft de Stichting voornoemde bodemprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt (bekend onder nummer C/16/382515 / HA ZA 14-946).

2.7.

Blijkens de brief van 2 december 2014 heeft de kleine synode bij besluit van 28 november 2014 (hierna ook: besluit II) het volgende besloten inzake de Stichting:

De kleine synode besluit

1. De kleine synode besluit nu over de bestemming van het liquidatiesaldo overeenkomstig het document ‘Bestemming liquidatiesaldo Kerk en Wereld en vormgeving en werkwijze commissie Kerk en Wereld’.

2. De kleine synode benoemt tot vereffenaar:

1. op voordracht van het bestuur van Kerk en Wereld: [A] te [plaats];

2. op voordracht van het moderamen: [B] te [plaats];

3. op voordracht van het bestuur dienstenorganisatie: [C] te [plaats].

3. Bij de vereffening van de Stichting Kerk en Wereld en de integratie van het werk in dat van de dienstenorganisatie dienen leidend te zijn het implementatieplan van het bestuur van de dienstenorganisatie d.d. 12 november 2013 en het document ‘Bestemming liquidatiesaldo Kerk en Wereld en vormgeving en werkwijze commissie Kerk en Wereld’.

4. De kleine synode geeft het moderamen de opdracht die onder overweging 10 is geformuleerd.

5. Allen te danken die bij de voorbereiding van deze besluiten betrokken zijn geweest.

2.8.

Blijkens genoemde brief van 2 december 2014 heeft de kleine synode bij besluit II ook een besluit genomen inzake de begroting 2015 van de Stichting, en wel als volgt:

De kleine synode besluit:

1. de begroting 2015 van de Stichting Kerk en Wereld niet te behandelen;

2. het moderamen de opdracht te geven het college van vereffenaars te verzoeken eventueel – indien nodig – een aan de nieuwe situatie aangepaste begroting in te dienen;

3. het college van vereffenaars te machtigen uitgaven te doen voor zover passend binnen de opdracht tot vereffening van de Stichting en integratie van het werk van Kerk en Wereld in de dienstenorganisatie.

4. Het bestuur van Stichting Kerk en Wereld (alsmede de medewerkers) te danken voor het verrichte werk.”

3 Het geschil

3.1.

De Stichting vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,

I. besluit I en besluit II zal schorsen, althans de gevolgen daarvan zal opschorten, althans PKN c.s. hoofdelijk zal veroordelen na te laten uitvoering te geven aan deze besluiten, en

ingeval voormelde vordering geheel of gedeeltelijk zou worden afgewezen,

II. het bestuur van de Stichting zal machtigen om ten laste van het vermogen van de Stichting uitgaven te doen die in de begroting 2015 zijn voorzien, alsof die begroting is goedgekeurd, althans PKN c.s. hoofdelijk zal veroordelen te dulden dat het bestuur van de Stichting dergelijke uitgaven doet, en

III. het bestuur van de Stichting zal machtigen om ten laste van het vermogen van de Stichting verplichtingen aan te gaan die passen binnen de normale bedrijfsvoering van de Stichting en namens de Stichting lopende verplichtingen na te komen, althans PKN c.s. hoofdelijk zal veroordelen te dulden dat het bestuur van de Stichting ten laste van het vermogen van de Stichting dergelijke verplichtingen aangaat en nakomt,

IV. het bestuur van de Stichting zal machtigen om procedures bij de overheidsrechter te voeren en voort te zetten, en ook procedures bij het GCBG, strekkende tot:

- vernietiging van besluit I en besluit II, en het treffen van voorzieningen ten aanzien van de gevolgen van die besluiten,

- vernietiging van toekomstige besluiten en het treffen van voorzieningen ten aanzien van de gevolgen van toekomstige besluiten van de Kleine Synode, voor zover die besluiten zijn gebaseerd op een haar bij of krachtens de statuten van de Stichting toegekende bevoegdheid, en samenhangen met of zijn gebaseerd op besluit I en besluit II, waaronder de schorsing, beperking en opschorting van die besluiten en de gevolgen daarvan,

- betaling van de proceskosten, waaronder de kosten van rechtsbijstand, met betrekking tot deze procedures, althans PKN c.s. zal veroordelen te dulden dat het bestuur van de Stichting die procedures voert en de daarmee gemoeide kosten ten laste van de Stichting brengt,

althans

V. voorzieningen zal treffen die ertoe strekken dat het bestuur van de Stichting de Stichting kan besturen, verplichtingen van de Stichting kan nakomen en deze procedure kan blijven voeren en bekostigen te laste van de Stichting,

alsmede

VI. de Stichting zal veroordelen in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], en overigens kosten rechtens.

3.2.

Ter onderbouwing van die vorderingen stelt de Stichting dat PKN c.s. onrechtmatig jegens haar handelt, door in weerwil van de lopende procedure en het standpunt van de Stichting, haar wil aan de Stichting op te leggen. Zij heeft dit toegelicht door erop te wijzen dat de kleine synode statutair zowel besturend orgaan is van de PKN, als toezichthoudend orgaan van de Stichting. Volgens de Stichting gebruikt de kleine synode haar toezichthoudende bevoegdheden voor andere doeleinden dan waarvoor die aan haar zijn toegekend, omdat zij die bevoegdheden ten onrechte niet in het belang van de Stichting aanwendt, maar in het belang van PKN c.s. De Stichting meent bovendien dat zij in haar belangen wordt geschaad door het besluit om de ontbinding met ingang van 1 januari 2015 te effectueren, vereffenaars te benoemen en het liquidatiesaldo te bestemmen, en wel vanwege de onomkeerbare gevolgen van dat besluit. Verder heeft de Stichting erop gewezen dat het doel van de Stichting door de ontbinding wordt verengd tot vereffening van het vermogen. Omdat de kleine synode met betrekking tot de Stichting slechts toezichthoudende en geen besturende taken heeft, zijn besluit I en besluit II in de opinie van de Stichting bovendien deels onbevoegd genomen. De Stichting wordt voorts in haar belangen geschaad door het besluit om de begroting 2015 niet in behandeling te nemen, omdat dit leidt tot een ‘stand-still’ per 1 januari 2015, waardoor schuldeisers, subsidieaanvragers en andere betrokkenen onevenredig zwaar worden getroffen. Bovendien is het besluit om de begroting 2015 niet in behandeling te nemen haars inziens in strijd met artikel 8 lid 2 van de statuten. Tot slot heeft de Stichting gesteld dat de ontbinding en het niet-goedkeuren van de begroting 2015 ertoe zal leiden dat het bestuur van de Stichting zich met ingang van 31 december 2015 geen rechtsbijstand door een advocaat zal kunnen veroorloven, en daardoor feitelijk geen mogelijkheid meer zal hebben om daartegen op te komen.

3.3.

PKN c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

PKN kent een eigen kerkelijke rechtsgang, die ook is voorgeschreven in artikel 11 van de statuten van de Stichting. De Stichting heeft die rechtsgang met betrekking tot besluit I gevolgd, met betrekking tot besluit II (nog) niet. Besluit II is een vervolgbesluit, dat moest worden genomen nadat het GCBG besluit I had vernietigd met betrekking tot de bestemming van het liquidatiesaldo van de Stichting.

4.2.

Vanwege het bestaan van de kerkelijke rechtsgang is voor (aanvullende) rechtsbescherming door de burgerlijke rechter niet per definitie aanleiding, hetgeen de vraag opwerpt of, en zo ja in hoeverre, de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen in deze procedure in kort geding. Het antwoord op die vraag kan echter in het midden blijven. Ook ingeval veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen, moeten deze namelijk hoe dan ook worden afgewezen. Dat wordt als volgt toegelicht.

4.3.

Voor toewijzing van voorzieningen zoals door de Stichting gevorderd, moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat gelijkluidende vorderingen in een te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen. Dat is onvoldoende aannemelijk geworden, nu de kleine synode immers de statutaire bevoegdheid heeft om de Stichting te ontbinden. Dat kan weliswaar alleen bij schriftelijk en gemotiveerd besluit, na advies van het bestuur van de dienstenorganisatie en na overleg met het bestuur van de Stichting, maar de voorzieningenrechter is voorlopig – evenals het GCBG in zijn beslissing op bezwaar van 3 september 2014 – van oordeel dat in voldoende mate aan die voorwaarden is voldaan. Nu het er aldus voor moet worden gehouden dat het besluit tot ontbinding rechtsgeldig is genomen, valt ook niet in te zien dat het besluit tot effectuering daarvan met ingang van 1 januari 2015 niet rechtsgeldig zou zijn, ook niet omdat tussen partijen niet in geschil is dat de ontbinding een lange voorbereidingstijd heeft gekend en de Stichting bovendien reeds geruime tijd bekend moet worden geacht met genoemde datum, die immers in besluit I is vermeld. Overigens is de kleine synode statutair bevoegd om vereffenaars te benoemen en om het batig liquidatiesaldo te bestemmen. Dat laatste kan weliswaar slechts op voorstel van het bestuur van de Stichting en passend bij de doelstelling van de Stichting, maar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is met besluit II ook in voldoende mate aan die voorwaarde voldaan.

4.4.

De voorzieningenrechter volgt de Stichting evenmin in haar stelling dat de kleine synode haar statutaire bevoegdheid tot ontbinding van de Stichting gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor die aan haar zijn toegekend, en dat zij daarmee de activiteiten van de Stichting, de verwezenlijking van de doelstellingen van de Stichting, en de belangen van derden (donateurs en legatarissen van de Stichting) frustreert. Die stelling lijkt vooralsnog namelijk niet houdbaar, al was het maar omdat de statutaire bevoegdheid van de kleine synode in dat geval feitelijk immers zou zijn gemaakt tot een dode letter. Bovendien heeft PKN c.s. aangevoerd dat het liquidatiesaldo van de Stichting zal worden bestemd voor projecten op het grensvlak van geloof en samenleving, derhalve conform de doelstelling van de Stichting, en dat het werk van de Stichting vervolgens geïntegreerd in het werk van (de dienstenorganisatie van) PKN zal worden voortgezet. Daarom moet het er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor worden gehouden dat noch de Stichting noch derden, zoals schuldeisers, subsidieaanvragers en andere bij het werk van de Stichting betrokkenen, door de ontbinding van de Stichting en de gevolgen daarvan onevenredig zwaar zullen worden getroffen. Ook om die reden kan niet worden geconcludeerd dat de kleine synode in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot de ontbinding en de effectuering daarvan met ingang van 1 januari 2015. Dat het bestuur van de Stichting zelf andersluidende besluiten zou hebben genomen, doet daaraan niet af.

4.5.

De voorzieningenrechter acht het op grond van het voorgaande dan ook onvoldoende aannemelijk dat besluit I en besluit II in bodemprocedures zullen worden vernietigd, om thans reeds tot de onder I. gevorderde schorsing van deze besluiten over te kunnen gaan. En nu het onvoldoende aannemelijk is geworden dat het werk van de Stichting na de ontbinding niet conform haar doelstelling zal worden voortgezet, moet het er ook voor worden gehouden dat de Stichting ook onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het onder II., III., IV. en V. gevorderde.

4.6.

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PKN c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van PKN c.s. tot op heden begroot op € 1.424,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.1

1 type: CD4485 coll: RvV1311