Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7234

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
380794 / HA RK 14-255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 380794 / HA RK 14-255

beslissing van 2 december 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker],

verzoeker.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Nadat op 24 oktober 2014 te Lelystad de zitting had plaatsgevonden waarin het wrakingsverzoek van [verzoeker], gericht tegen mr. J.J.M. de Laat (kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland) is behandeld, heeft [verzoeker] bij email van 4 november 2014 de leden van de wrakingskamer, belast met de behandeling van dat wrakingsverzoek (bij deze rechtbank bekend onder nummer 378201 / HA RK 14-229), te weten: mr. M.C.P. de Ridder (voorzitter), mr. A. van Holten en mr. G.J.J.M. Essink, gewraakt. Deze rechters zijn werkzaam in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, en zullen hierna ook de (gewraakte wrakings-)rechters worden genoemd. In zijn email van 4 november 2014 heeft [verzoeker] de gronden van zijn wrakingsverzoek, gericht tegen de leden van genoemde wrakingskamer, uiteengezet.

1.2.

De griffier van deze rechtbank heeft [verzoeker] en de drie gewraakte wrakingsrechters opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 2 december 2014 om 10.00 uur.

1.3.

De rechters hebben niet in de wraking berust. Op 19 november 2014 heeft de voorzitter van de gewraakte wrakingskamer schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Van deze reactie is een afschrift aan [verzoeker] gezonden.

1.4.

Voorafgaand aan de geplande mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft een email- en briefwisseling plaatsgevonden tussen [verzoeker] en (de secretaris van) de wrakingskamer, belast met de behandeling van zijn wrakingsverzoek van 4 november 2014. Op het verzoek van [verzoeker] om een proces-verbaal te ontvangen van de zitting van de gewraakte wrakingskamer van 24 oktober 2014 en dit proces-verbaal toe te voegen aan het wrakingsdossier, is met een verwijzing naar artikel 8.1 van het toepasselijke wrakingsprotocol afwijzend beslist, omdat [verzoeker] zijn wrakingsverzoek niet op genoemde zitting heeft gedaan. Van de zitting van 24 oktober 2014 is geen proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

Evenmin gehonoreerd is het verzoek van [verzoeker] om het ertoe te leiden dat het op 29 september 2014 opgemaakte proces-verbaal van de in een eerdere civiele procedure tussen de heer [A] en (onder meer) de Vereniging van Eigenaars Appartementsgebouw [naam] te [woonplaats] (bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer 770597 AE VERZ 11-306) gehouden zitting van 27 september 2011 wordt aangevuld met hetgeen daarin volgens [verzoeker] ontbreekt.

1.6.

Bij email van 1 december 2014 van 22.14 uur heeft [verzoeker] de leden van de wrakingskamer, belast met de behandeling van zijn wrakingsverzoek van 4 november 2014, gewraakt. Bij die email is onder meer een lijst met 36 vragen aan de wrakingskamer gevoegd.

1.7.

De plaatsvervangend voorzitter van de vaste wrakingskamer van de rechtbank heeft op 2 december 2014 beslist dat dit hernieuwde wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen, - kort gezegd - omdat [verzoeker] opnieuw misbruik maakt van het wrakingsinstrument. In de brief van de fungerend voorzitter van 2 december 2014 is aan [verzoeker] tevens meegedeeld dat zijn wrakingsverzoek van 4 november 2014 ter zitting van 2 december 2014 om 14.30 uur zal worden behandeld.

1.8.

Het wrakingsverzoek van [verzoeker] van 4 november 2014 is op genoemde zitting van 2 december 2014 om 14.30 uur in het openbaar behandeld. [verzoeker] noch de gewraakte rechters zijn op deze zitting verschenen. Na sluiting van de zitting en beraadslaging is de zaak opnieuw uitgeroepen en heeft de wrakingskamer - nadat was gebleken dat opnieuw geen der betrokkenen was verschenen - mondeling uitspraak gedaan. Van deze mondelinge uitspraak is [verzoeker] en zijn de gewraakte rechters in kennis gesteld. Van deze uitspraak vormt het navolgende de schriftelijke uitwerking.

2 De feiten

2.1.

De hoofdprocedure (bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer 2887611 AE VERZ 14-71) betreft het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het besluit van de algemene ledenvergadering van de Vereniging van Eigenaars Appartementsgebouw [naam] te [woonplaats] (hierna te noemen: de VVE) van 21 maart 2013. Namens de VVE is verweer gevoerd, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] althans tot afwijzing van zijn verzoek.

2.2.

Voorafgaand aan de in deze hoofdprocedure gehouden mondelinge behandeling van 30 september 2014 heeft [verzoeker] erop aangedrongen dat alsnog een proces-verbaal zou worden opgemaakt van de op 27 september 2011 gehouden zitting in de zaak met nummer 770597 AE VERZ 11-306, destijds aanhangig tussen de heer [A] en (onder meer) de VVE. Uit de brief van de griffie van 29 september 2014 blijkt dat in reactie op dit verzoek is gezocht naar de aantekeningen die de zittingsgriffier indertijd van het verhandelde ter zitting van 27 september 2011 heeft gemaakt en dat is vastgesteld dat deze griffier van die zitting digitale aantekeningen heeft gemaakt. Aan de hand van deze aantekeningen is op 29 september 2014 alsnog een proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011 opgemaakt. Daarin zijn de uitlatingen van de bij die zaak betrokkenen zakelijk weergegeven. Bij genoemde brief is dit proces-verbaal aan [verzoeker] toegezonden. Uit het proces-verbaal van de zitting van 30 september 2014 (in de zaak met nummer 2887611 AE VERZ 14-71) blijkt dat [verzoeker] heeft verzocht die zitting aan te houden omdat hij nog geen kennis had kunnen nemen van het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011 maar dat dit verzoek is afgewezen, omdat - zo overwoog mr. De Laat als zittingsrechter - ‘dit proces-verbaal geen betrekking heeft op deze zaak en ook niet relevant is voor deze zaak.’ Het is in deze zaak (met nummer 2887611 AE VERZ 14-71) dat [verzoeker] mr. De Laat op 2 oktober 2014 heeft gewraakt.

2.3.

In die wrakingszaak (met nummer 378201 / HA RK 14-229) heeft [verzoeker], stellende dat het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011 niet volledig is, verzocht om een volledig proces-verbaal van die zitting. Bij brief van 20 oktober 2014 heeft (de secretaris van) de wrakingskamer, belast met de behandeling van het wrakingsverzoek van 2 oktober 2014, aan [verzoeker] meegedeeld dat navraag bij de afdeling civiel van de rechtbank heeft geleerd dat er van het verhandelde ter zitting van 27 september 2011 geen geluidsopname is gemaakt. Uit deze brief: ‘De griffier heeft tijdens de zitting mee getypt en deze digitale aantekeningen zijn verwerkt in het proces-verbaal zoals dat op 29 september 2014 aan u is toegezonden. Andere of meer informatie dan zoals verwerkt in het reeds verstrekte proces-verbaal is niet beschikbaar.’

2.4.

Op 24 oktober 2014, bij de mondelinge behandeling van zijn wrakingsverzoek van 2 oktober 2014, heeft [verzoeker] aan de wrakingskamer een lijst met 31 vragen overhandigd, met het verzoek deze onverwijld te beantwoorden. Zonder dat deze beantwoording ter zitting van 24 oktober 2014 had plaatsgevonden, heeft de wrakingskamer bij de sluiting van die zitting de beslissing op het wrakingsverzoek van 2 oktober 2014 bepaald op 7 november 2014.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] meent dat de wrakingsrechters, belast met de behandeling van zijn wrakingsverzoek van 2 oktober 2014, dienen te worden vervangen door andere rechters, omdat er grond is te vrezen dat het hen in de gegeven omstandigheden aan de vereiste onpartijdigheid ontbreekt. De rechters hebben van vooringenomenheid blijk gegeven doordat zij zich er niet voor hebben ingespannen, zelfs hebben verhinderd, dat in de wrakingszaak kon worden vastgesteld dat mr. De Laat zich op 27 september 2011 zodanig heeft uitgelaten dat hij niet meer geacht kan worden onpartijdig te oordelen over het geschil tussen [verzoeker] en de VVE. Hiertoe voert [verzoeker] - samengevat - het volgende aan:

a. De gewraakte rechters hebben er ten onrechte niet aan willen meewerken dat het - volgens [verzoeker] ‘gemanipuleerde’ - proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011 werd gecompleteerd door toevoeging van de daarin ontbrekende uitlatingen die mr. De Laat destijds heeft gedaan. Uit die (in het proces-verbaal weggelaten) uitlatingen blijkt dat mr. De Laat zich in 2011 al een oordeel heeft gevormd over de conflictueuze verhoudingen binnen de VVE en de volgens [verzoeker] gepleegde ‘identiteitsfraude’ heeft willen toedekken.

b. [verzoeker] beklaagt zich er voorts over dat mr. De Laat niet ter zitting van 24 oktober 2014 aanwezig was om vragen te beantwoorden. De wrakingskamer had toen de behandeling van het wrakingsverzoek moeten aanhouden tot na de terugkeer van mr. De Laat van vakantie.

c. De leden van de gewraakte wrakingskamer hebben zich tegenover de gewraakte rechter onvoldoende kritisch opgesteld doordat zij de vragen van (de gemachtigde van) [verzoeker] onbeantwoord hebben gelaten, hem hebben belet fundamentele opmerkingen te maken, hebben verhinderd dat de griffier cruciale uitlatingen notuleerde en niet hebben toegestaan dat op de zitting een geluidsopname werd gemaakt.

d. De gewraakte rechters hebben de zitting van 24 oktober 2014 opzettelijk te laat doen aanvangen. De voorzitter van de wrakingskamer heeft tijdens de zitting ongepast gelachen.

e. De rechtbank Midden-Nederland en haar president belemmeren de toegang van [verzoeker] tot de rechter en verhinderen een eerlijke rechtsgang, door spreekverboden op te leggen en ‘wrakingskosten’ in rekening te brengen. De gewraakte wrakingskamer had hiernaar een onderzoek, in strafrechtelijke zin of door het horen van getuigen, moeten instellen.

3.2.

De gewraakte rechters menen dat van een gebrek aan rechterlijke onpartijdigheid geen sprake is. Waar het de kwestie van het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011 betreft (ad a.) verwijzen de rechters naar de correspondentie hierover tussen [verzoeker] en (de secretaris van) de wrakingskamer voorafgaand aan de zitting van 24 oktober 2014. Ter zitting heeft de wrakingskamer hieromtrent geen standpunt ingenomen of beslissing gegeven. Op 24 oktober 2014 was mr. De Laat met vakantie (ad b.). De wrakingskamer weet niet wanneer hij die vakantie heeft gepland. [verzoeker] heeft niet verzocht om aanhouding van de zaak, in afwachting van de terugkeer van de gewraakte rechter. Van een afwijzing van een dergelijk verzoek is daarom evenmin sprake geweest. De zitting is - zonder opzet - mogelijk enige minuten te laat aangevangen (ad d.), maar heeft een normaal verloop gehad (ad c.). De rechters herkennen zich niet in het beeld dat [verzoeker] van het verloop van de zitting geeft. Weliswaar is een deel van de door [verzoeker] voorgelegde vragen niet beantwoord, maar de leeftijd van de rechters en de sector waarin zij werkzaam zijn, zijn wél meegedeeld. [verzoeker] of zijn gemachtigde zijn - anders dan in verband met de goede procesorde - niet onderbroken en de griffier heeft onbelemmerd haar aantekeningen kunnen maken. [verzoeker] heeft niet verzocht een geluidsopname van de zitting te maken.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Rv. Daarin is bepaald dat op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter(s), ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden grond vormen te vrezen dat het de rechter(s) in de gegeven omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3.

Omdat niet is gebleken van enige persoonlijke vooringenomenheid van de gewraakte rechters jegens [verzoeker], zal slechts onderzocht worden of [verzoeker] in objectieve zin reden heeft te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.4.

De kern van het verwijt dat [verzoeker] aan de rechters maakt, is dat zij - zoals hij het noemt - hun ‘plicht om de waarheid boven tafel te krijgen’ hebben veronachtzaamd. [verzoeker] doelt hiermee, zo begrijpt de wrakingskamer hem, zowel op de wijze waarop mr. De Laat zich ter zitting van 27 september 2011 (in de zaak met nummer 770597 AE VERZ 11-306) zou hebben uitgelaten over de verhoudingen tussen de leden van de VVE, waarvan [verzoeker] lid is (ad a. tot en met d.), als op de vermeende betrokkenheid (ad e.) van (een groot aantal) anderen, onder wie de president van deze rechtbank, bij onregelmatigheden die zich volgens [verzoeker] binnen de VVE hebben voorgedaan (door hem betiteld als ‘identiteitsfraude’). Zonder nadere toelichting, die [verzoeker] niet heeft gegeven, valt niet in te zien hoe de vermeende betrokkenheid van anderen dan mr. De Laat bij eventuele onregelmatigheden in de VVE van invloed kan zijn op de beoordeling van de rechterlijke (on)partijdigheid van deze rechter. De gewraakte wrakingsrechters hebben slechts tot taak de (on)partijdigheid van de gewraakte rechter te beoordelen. Voor een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden in de VVE is in de wrakingszaak geen plaats. Een debat daarover en de beantwoording van vragen van [verzoeker] hieromtrent behoorden niet tot de taak waarvoor de wrakingskamer zich vanwege het wrakingsverzoek van 2 oktober 2014 gesteld zag. De wrakingskamer komt terzake ook geen bevoegdheid toe. Waar [verzoeker] melding maakt van ‘wrakingskosten’ wordt hij erop gewezen dat in wrakingsbeslissingen geen veroordeling in de proceskosten plaatsvindt.

4.5.

Toegespitst op de vraag naar de rechterlijke (on)partijdigheid van mr. De Laat heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat de gewraakte rechters geen genoegen hadden mogen nemen met een volgens [verzoeker] lacunair proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011 (ad a.). Daaruit zou met name zijn weggelaten dat mr. De Laat destijds heeft gezegd dat hij zich niet in een ‘wespennest’ wilde begeven. Nog afgezien van de vraag of deze uitdrukking, zó al gebezigd, blijk geeft van een vooringenomenheid waar het gaat om de vraag wie van de conflictueuze verhoudingen binnen de VVE een verwijt treft, heeft de wrakingskamer zich dienaangaande niet anders kunnen of dienen op te stellen dan zij heeft gedaan. Het behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de behandelend rechter om van een zitting in een civiel geding een proces-verbaal op te maken. Een dergelijk proces-verbaal bevat geen woordelijk verslag van hetgeen ter zitting is voorgevallen en besproken, doch slechts een zakelijke weergave van hetgeen (de vertegenwoordigers van) partijen in het geding over en weer hebben verklaard. Het is bij uitsluiting de behandelend rechter die bepaalt wat van de uitlatingen van partijen van belang is voor de beoordeling van het geschil. Voor zover een proces-verbaal niet reeds ter zitting is opgesteld en een partij zich niet herkent in de zakelijke weergave in het proces-verbaal of daarop een aanvulling wenst, is het aan deze partij om zich hierover met de zaaksrechter te verstaan. In het geding waarin het proces-verbaal van 27 september 2011 is opgemaakt, was [verzoeker] geen partij. De gewraakte wrakingsrechters hadden het dan ook te doen met het op 29 september 2014 opgemaakte proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011. Van (een schijn van) vooringenomenheid van de gewraakte wrakingskamer is in dat verband geen sprake.

4.6.

Het verdient aanbeveling dat een gewraakte rechter aanwezig is bij de mondelinge behandeling van het jegens hem ingediende wrakingsverzoek (ad b.). Dat geldt ook voor degene die het wrakingsverzoek heeft gedaan. Het komt echter voor dat een verhindering aan die aanwezigheid in de weg staat. Dat was kennelijk, waar het mr. De Laat betrof, op 24 oktober 2014 het geval. Behoudens bijzondere omstandigheden, die niet zijn gebleken, pleegt de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek in een dergelijk geval, mede gezien het belang dat de partijen in de hoofdzaak hebben bij een voortvarende behandeling, buiten aanwezigheid van de gewraakte rechter plaats te vinden. Dit is ook hier gebeurd. Het was niet aan de gewraakte rechters om zich te verdiepen in de vraag of mr. De Laat wel een gerechtvaardigde reden voor zijn verhindering had. Dat stond uitsluitend ter beoordeling van hem zelf. Of zijn vakantie is gepland vóór of na 2 oktober 2014 is niet relevant. Dat [verzoeker] ter zitting van 24 oktober 2014 mondeling heeft verzocht om aanhouding is niet komen vast te staan. De gewraakte rechters hebben betwist dat op een aanhoudingsverzoek is beslist.

4.7.

[verzoeker] meent (ad c.) dat de gewraakte rechters zich tegenover mr. De Laat onvoldoende kritisch hebben opgesteld en hem ([verzoeker]) daarentegen onvoldoende gelegenheid hebben gegeven om zijn standpunt toe te lichten. Voor zover [verzoeker] hierbij het oog heeft op kwesties (als bedoeld onder e.) waarbij mr. De Laat niet betrokken is, stuit deze klacht af op hetgeen hieromtrent hierboven, onder 4.4., is overwogen. Waar [verzoeker] doelt op hetgeen hij mr. De Laat verwijt, ziet hij eraan voorbij dat het aan de leden van de wrakingskamer, in het bijzonder haar voorzitter, is om de gang van zaken en de orde ter zitting te bepalen. Vanzelfsprekend mogen (ook) aan de wrakingsrechters vragen worden gesteld, maar het is aan de wrakingskamer om te beslissen of, wanneer en op welke wijze die vragen worden beantwoord. Bij de beoordeling van de relevantie van die vragen voor de behandeling van het wrakingsverzoek, komt aan de wrakingskamer een ruime beoordelingsvrijheid toe. [verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die het vermoeden rechtvaardigen dat hij, als indiener van het wrakingsverzoek van 2 oktober 2014, in zijn belangen is geschaad doordat vragen onbeantwoord zijn gelaten. De gelegenheid om in reactie op de algemene betwisting van de rechters van 19 november 2014 zijn schriftelijke stellingen, die merendeels in algemene bewoordingen zijn gesteld, op de zitting van 2 december 2014 nader te concretiseren, heeft [verzoeker] - door toen niet te verschijnen - niet benut. Dat komt voor zijn rekening. [verzoeker] heeft evenmin geconcretiseerd welke (volgens hem fundamentele) opmerkingen hij door toedoen van (de voorzitter van) de wrakingskamer niet heeft kunnen maken en welke niet zijn genotuleerd. Ook is niet komen vast te staan dat (de gemachtigde van) [verzoeker], zoals hij het zelf noemt, ‘iedere keer’ of ‘telkens’ het woord is ontnomen. Zijn klacht stuit voor het overige af op de taak van de voorzitter om de procesorde ter zitting te bewaken.

4.8.

Dat niet alle rechtszittingen op tijd kunnen aanvangen, is helaas - ook in deze rechtbank - een gegeven. Dit heeft uiteenlopende oorzaken, die veelal van organisatorische aard zijn. [verzoeker] stelt zich (ad d.) op het standpunt dat de gewraakte rechters hem opzettelijk hebben laten wachten. De rechters hebben aangevoerd dat zij niet het oogmerk hebben gehad de zitting - kennelijk niet meer dan enkele minuten - te laat te beginnen. Daartegenover heeft [verzoeker] geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit moet worden afgeleid dat er opzet in het spel was en dat andere dan organisatorische redenen een rol hebben gespeeld. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de vertraging geen verband hield met de aard van de zaak of de persoon van [verzoeker]. Tot toewijzing van zijn wrakingsverzoek kan dat niet leiden.

4.9.

Dat aan de fysionomie van de voorzitter van de wrakingskamer (zijn ‘voortdurend lachende gezicht’) de betekenis toekomt die [verzoeker] daaraan verbindt, is tot slot evenmin voldoende onderbouwd. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die steun bieden voor de conclusie dat het non-verbale gedrag van de voorzitter moet worden geïnterpreteerd als onwelwillendheid of neerbuigendheid jegens [verzoeker] of diens gemachtigde.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.

4.11.

In het kader van de behandeling van de zaak met nummer 2887611 AE VERZ 14-71 heeft [verzoeker] de zaaksrechter en de achtereenvolgende wrakingskamers gewraakt, kennelijk telkens met de bedoeling om vermeende onregelmatigheden binnen de VVE waarvan hij lid is, aan de orde te stellen. Teneinde te voorkómen dat de voortgang van die hoofdprocedure opnieuw vertraging ondervindt doordat [verzoeker] het wrakingsinstrument wederom gebruikt voor een ander doel dan waarvoor dit in het leven is geroepen, en - daarmee - van dat instrument misbruik maakt, bepaalt de wrakingskamer dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker] in de zaak met nummer 2887611 AE VERZ 14-71, gericht tegen de behandelend rechter of tegen leden van de wrakingskamer, niet meer in behandeling wordt genomen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart het wrakingsverzoek van [verzoeker] ongegrond;

5.2.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker] in de zaak met nummer 2887611 AE VERZ 14-71, gericht tegen de behandelend rechter of tegen leden van de wrakingskamer, niet meer in behandeling wordt genomen;

5.3.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan [verzoeker], aan de rechters, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma (voorzitter), mr. M.J. Slootweg en mr. A.C. van den Boogaard en is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.