Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7212

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
3694916 UV EXPL 14-562
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Partijen hebben onderhandelaarsakkoord gesloten met betrekking tot een door hen te sluiten Cao Verpleeg-en Verzorgingshuizen en Thuiszorg, Kraamzorg en Jeugdgezondheidszorg 2014-2016. Tussen partijen is discussie ontstaan over de Cao-tekst.

Gedaagde partijen hebben vervolgens zonder eiseres Cao gesloten. De kantonrechter oordeelt in kort geding dat partijen weer dienen te overleggen over de Cao-tekst en dat de door gedaagde partijen gesloten Cao van tafel moet.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 1
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0019
GZR-Updates.nl 2015-0027
JAR 2015/26
AR 2015/24
JAR 2015/26
RAR 2015/45

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3694916 UV EXPL 14-562 BvdG/1009

Kort geding vonnis van 31 december 2014

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ABVAKABO FNV,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

verder ook te noemen Abvakabo FNV,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.B. Kerkhof,

tegen:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ACTIZ (ActiZ),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FEDERATIE VAN BEROEPSORGANISATIES IN DE ZORG EN DAARAAN GERELATEERD ONDERWIJS EN ONDERZOEK (FTN),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NIEUWE UNIE '91 (Nieuwe Unie ’91),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

BRANCHEVERENIGING BTN (BTN),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Oosterhout,

5. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV PUBLIEKE ZAAK (CNV),

statutair gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

gedaagden,
hierna gezamenlijk aan te duiden als: ActiZ c.s.,

gemachtigde: mrs. R.A.A. Duk en J.R. Vos.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de aan ActiZ c.s. op 20 december 2014 betekende dagvaardingen, waarbij met verlof van
de voorzieningenrechter, is gedagvaard tegen de zitting van 23 december 2014,
- na de betekening van deze dagvaardingen is door Abvakabo FNV om verplaatsing van de
zitting naar 24 december 2014 verzocht, welke verzoek is gehonoreerd,

- de producties van Abvakabo FNV,
- de brief van de gemachtigde van ActiZ c.s. van 22 december 2014 met (alvast) een
inhoudelijke reactie op hetgeen in de dagvaarding naar voren is gebracht,

  • -

    de producties van ActiZ c.s.,

  • -

    de brief van de gemachtigde van Abvakabo FNV van 23 december 2014 waarin een

eiswijziging wordt aangekondigd,

- de mondelinge behandeling van 24 december 2014, ter gelegenheid waarvan

Abvakabo FNV haar eis conform haar aankondiging heeft gewijzigd, met dien verstande
dat zij tijdens die behandeling haar eis zoals vermeld onder punt c heeft ingetrokken,

  • -

    de pleitnota van Abvakabo FNV,

  • -

    de pleitnota van ActiZ c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Abvakabo FNV, FTN en CNV zijn als werknemersorganisatie actief in de sector Verzorgingshuizen en Thuiszorg, Kraamzorg en Jeugdgezondheidszorg (VVT).
Abvakabo FNV heeft binnen deze sector de meeste leden, ongeveer 50.000. FTN en CNV hebben gezamenlijk gezien 20.000 leden. ActiZ en BTN zijn in deze sector als werkgeversverenigingen actief.

2.2.

Partijen hebben onderhandeld over de inhoud van de cao Verpleeg-en Verzorgingshuizen en Thuiszorg, Kraamzorg en Jeugdgezondheidszorg 2014-2016
(hierna: de Cao VVT 2014-2016).
[A] (hierna: [A]), Commissaris van de Koning in Drenthe, heeft daarbij als onafhankelijke voorzitter opgetreden.

2.3.

Op 24 september 2014 hebben partijen een akkoord bereikt. Dit onderhandelaarsakkoord (hierna: het onderhandelaarsakkoord) is door Abvakabo FNV als productie 1 in het geding gebracht. Van dit onderhandelaarsakkoord maken deel uit de daarbij gevoegde bijlagen.

2.4.

In het onderhandelaarsakkoord is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

Vanaf halverwege pagina 2:


4. Wmo

Minimumsalaris Hulp bij het Huishouden
Door de aangekondigde bezuinigingen, die gepaard gaan met de in de invoering van de nieuwe Wmo wet per 1 januari 2015, is er al geruime tijd sprake van een trend van tariefdaling. Het inkoopbeleid van gemeenten resulteert in grote druk op de werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden van de werknemers in de Hulp bij het Huishouden.
(…)
CAO-partijen constateren echter dat er binnen dit deel van de VTT sector een ernstige situatie is ontstaan die kan leiden tot verder afkalving van de tarieven en beloningen en uiteindelijk tot grootschalige ontslagen. Partijen delen het standpunt dat deze trend moet worden gestopt.

Schaal:

0

10,00

1

10,50

2

11,00

3

11,50

4

12,00

5

12,50

* Ingangsdatum: 1 januari 2015 onder voorbehouden zoals in het akkoord geformuleerd. Algemene loonsverhogingen op grond van dit akkoord worden meegenomen.

Vanaf het begin van pagina 3

Om de kosten van het opnemen van deze schaal in de algemeen verbindend te verklaren CAO VVT te kunnen dragen is het noodzakelijk dat deze nieuwe schaal ook door alle gemeenten in Nederland bij hun inkoopbeleid wordt gehanteerd. Om deze reden wordt de invoering van deze afspraak afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van een AmvB van het Kabinet op korte termijn. Hierin dient te worden bepaald dat de vaststelling van Wmo tarieven voor Wmo (gefinancierde) voorzieningen is gebaseerd op de kostenbepalende factoren, waaronder de CAO-VVT. Deze AmvB dient betrekking te hebben op nieuwe overeengekomen contracten tussen gemeenten en Wmo aanbieders per 1 januari 2015 die op of vanaf die datum worden vastgesteld respectievelijk in werking treden (zie bijlage 3).
Hiermee wordt voorkomen dat werkgevers worden geconfronteerd met kosten die zij financieel niet kunnen dragen. Voor werknemers wordt voorkomen dat hun arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid wederom (verder) onder druk zou komen te staan. Met een dergelijke AmvB wordt dus een win-win situatie gecreëerd voor werknemers en werkgevers. Immers werkgevers kunnen een gezonde bedrijfsvoering realiseren en voor werknemers wordt de neerwaartse spiraal in de arbeidsvoorwaarden voorkomen.
(…).”.

In bijlage 3 van het onderhandelaarsakkoord is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

1 Voorstel Minimumsalaris Hulp bij het Huishouden

(…)CAO-partijen constateren echter dat er binnen dit deel van de VTT sector een ernstige situatie is ontstaan die kan leiden tot verder afkalving van de tarieven en beloningen en uiteindelijk tot grootschalige ontslagen. Partijen delen het standpunt dat deze trend moet worden gestopt.Hiertoe achten zij het volgende van eminent belang:a) Partijen zijn van mening dat gemeenten gunningen in het kader van de Wmo Hulp bij het Huishouden slechts kunnen doen aan partijen die de CAO VVT onverkort toepassen.b) Partijen zijn van mening dat binnen de Wmo Hulp bij het Huishouden concurrentie op arbeidsvoorwaarden zo veel als mogelijk moet worden voorkomen. De afspraken zoals gemaakt in deze Cao sluiten hierop aan.c) Partijen zijn van mening dat er sprake moet zijn van een sector minimumsalaris voor (directe) Hulp bij het Huishouden dat ligt boven het niveau van het wettelijk minimum loon.d) Partijen definiëren de directe Hulp bij het Huishouden als een medewerker die uitsluitend of in hoofdzaak uitvoerende werkzaamheden verricht bij cliënten in het kader van huishoudelijke verzorging. De karakteristiek van deze functie wordt ontleend aan de kernelementen van de huidige functies hulp bij het huishouden FWG 10 en 15 (zie hieronder).e) De directe medewerker hulp bij het huishouden, ingeschaald FWG 10 en 15 niveau, krijgen een salaris conform de nieuw te creëren HH schaal die wordt geïntroduceerd. (…)f) De onder (e) genoemde afspraak is van kracht op nieuwe overeengekomen contracten tussen gemeenten en Wmo aanbieders per 1 januari 2015 die op of vanaf die datum worden vastgesteld respectievelijk in werking treden.


g) Om de kosten van het opnemen in deze schaal in de algemeen verbindend te verklaren CAO VVT
te kunnen dragen is het noodzakelijk dat deze nieuwe schaal ook door alle gemeenten in Nederland
bij hun inkoopbeleid wordt gehanteerd. Om deze reden wordt de invoering van deze afspraak
afhankelijk van de inwerkingtreding van een AmvB van het Kabinet op korte termijn. Hierin dient
te worden bepaald dat de vaststelling van Wmo tarieven voor Wmo (gefinancierde) voorzieningen
is gebaseerd op de kostenbepalende factoren, waaronder de CAO-VVT. Deze AmvB dient
betrekking te hebben op nieuwe overeengekomen contracten tussen gemeenten en Wmo aanbieders
per 1 januari 2015, alsmede op gewijzigde en/of verlengde contracten die op of vanaf die datum
worden vastgesteld resp. in werking treden. Hiermee wordt voorkomen dat werkgevers worden
geconfronteerd met kosten die zij financieel niet kunnen dragen. Voor werknemers wordt
voorkomen dat hun arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid wederom (verder) onder druk zouden
komen te staan. Met een dergelijke AmvB wordt dus een win-win situatie gecreëerd voor
werknemers en werkgevers. Immers werkgevers kunnen een gezonde bedrijfsvoering realiseren en
voor werknemers wordt de neerwaartse spiraal in de arbeidsvoorwaarden voorkomen.
(…).

Salarisschaal hulp bij het huishouden

(…)
Partijen constateren echter tevens dat zowel artikel 21a van de huidige Wmo alsook artikel 2.66 van de Wmo 2015 onvoldoende concrete duidelijkheid bieden wat betreft de kostprijsbepalende componenten. (…)

Op korte termijn dient het Kabinet de kostprijsbepalende elementen voor alle werkzaamheden in de Wmo 2015 concreet uit te werken in een Algemene maatregel van bestuur, waarin artikel 2.6.6 lid 2 Wmo voorziet. Het betreft de volgende componenten:
1. loonkosten werkgever, waaronder de loonkosten voortvloeiend uit de CAO-VVT en de
kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid;
2. kosten als gevolg van gemeentelijke eisen;
3. bedrijfskosten.
(…).”.

2.5.

Dit akkoord diende vervolgens goedgekeurd te worden door de achterban van partijen. Deze goedkeuring is ook verkregen.

2.6.

Het onderhandelaarsakkoord diende vervolgens te worden omgezet naar een
Cao-tekst. Het secretariaat van SOVVT heeft dit op zich genomen. Dit secretariaat bestond uit twee personen (de heer Rog en mevrouw Velt), die ook bij ActiZ werkzaam zijn.

2.7.

Het eerste tekstvoorstel is gedateerd 7 november 2014 (productie 4 van
Abvakabo FNV ). In artikel 3.5 van dit tekstvoorstel is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

Artikel 3.5: Waardering en beloning Hulp bij het Huishouden
1. Dit artikel heeft als doel negatieve effecten van niet kostendekkende tarieven bij gemeentelijke
contractering in het Wmo 2015 domein te voorkomen. Niet kostendekkende tarieven ondermijnen
een normale, gezonde bedrijfsvoering van werkgevers en leggen verdergaande druk op de
arbeidsvoorwaarden van medewerkers. Omdat er voor de werkgever extra kosten voortvloeien uit
dit artikel, treedt dit artikel daarom in werking als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is
voldaan:

a. Er is krachtens artikel 2.6.6 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (…) een Algemene
maatregel van bestuur in werking getreden, die voldoet aan de door cao-partijen daaraan in het
akkoord over de CAO-VVT 2014-2016 gestelde voorwaarden. Dit betreft een concrete uitwerking
van de kostprijsbepalende elementen, waaronder de elementen betreffende de:
- loonkosten werkgever, waaronder de loonkosten voortvloeiend uit de CAO-VVT
- kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid;
- kosten als gevolg van gemeentelijke eisen;
- bedrijfskosten.
CAO-partijen besluiten gezamenlijk of de AmvB voldoet aan deze voorwaarden en delen dit
oordeel mee aan werkgevers en werknemers.
(…).”

b. de gemeente of het gemeentelijk samenwerkingsverband heeft in of krachtens de Wmo
verordening het tarief of de tarieven die worden gehanteerd bij de (her-, verlengings-)
aanbestedings- respectievelijk contracteerprocedure van Wmo 2015 gefinancierde
algemene en/of maatwerkvoorzieningen, gebaseerd op de vereisten van de onder sub a
uitgewerkte elementen van de Algemene maatregel van bestuur. Het tarief respectievelijk
de tarieven waarvoor de werkgever inschrijft en die bij gunning van Wmo voorzieningen

door de gemeente worden gehanteerd, zijn op grond hiervan onderbouwd met de
kostprijsbepalende elementen respectievelijk zijn hiertoe transparant herleidbaar.

c. dit artikel treedt in werking op (datum)…). Als artikel 3.5 op (datum…) niet algemeen verbindend
is verklaard vervalt artikel 3.5. per (…= 1 dag later), zonder nawerking.

Abvakabo FNV heeft vervolgens op 3 december 2014 opmerkingen bij dit tekstvoorstel gemaakt. Deze opmerkingen kwamen erop neer dat de tekst volgens haar op een aantal belangrijke punten afweek van de afspraken in het onderhandelaarsakkoord. Zo zou met betrekking tot het hiervoor geciteerde artikel onder meer, niet zijn afgesproken:
- dat, zoals onder a is vermeld, de CAO-partijen gezamenlijk besluiten of de AmvB aan
deze voorwaarden voldoet,
- de voorwaarde zoals genoemd onder b.

Partijen hebben op 3 en 4 december 2014 over dit tekstvoorstel gesproken. In dit verband is onder meer gesproken over het hiervoor weergegeven artikel 3.5.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de tekst van (onder meer) dit artikel.


2.8. Op 5 december 2014 heeft Abvakabo FNV een persbericht laten uitgaan met de strekking dat zij volledig achter het onderhandelaarsakkoord staat en dat zij niet uit de cao stapt.

2.9.

Bij e-mail van 14 december 2014 heeft Abvakabo FNV het volgende aan ActiZ, CNV en BTN geschreven:

“(…)
Bijgaand treffen jullie ons commentaar op de cao-tekstvoorstellen aan. Nog even voor de helderheid wat wat ons betreft de situatie is:

1. We hebben een Onderhandelaarsakkoord dat is goedgekeurd door alle partijen. Dit akkoord moet in de cao worden opgenomen (waarom moeten teksten worden aangepast?) en de integrale tekst moet worden aangemeld als CAO.
2. We hebben verschil van mening over de voorwaarde voor inwerkingtreding van de HV-schaal. Dat verschil van mening vernietigt niet het Onderhandelaarsakkoord.
3. ActiZ wil het moeizaam bereikte akkoord op een essentieel onderdeel aanpassen; dat kan alleen als alle partijen daarmee akkoord gaan.

Wij dringen er bij jullie op aan om normaal overleg te voeren over de tekst en gewoon bij de tekst van het akkoord te blijven. We dreigen nooit, ook nu niet. Maar in alle contacten tot nu toe blijkt dat Actiz de wijziging in het Onderhandelaarsakkoord wil doordrukken. Als Actiz daar aan vasthoudt, zien wij ons genoodzaakt deze kwestie in kort geding aan de rechter voor te leggen. Wij hopen uiteraard dat dat niet nodig zal zijn.”.

2.10.

ActiZ c.s. hebben overeenstemming bereikt over de definitieve Cao-tekst.
In deze tekst is (zoals blijkt uit productie D van ActiZ c.s.) als artikel 3.2A opgenomen het artikel zoals hiervoor is geciteerd, met dien verstande dat onder het bepaalde in c een datum is ingevuld, namelijk 1 maart 2015.

2.11.

Op 16 december 2014 heeft ActiZ c.s. de definitieve tekst Cao VVT 2014-2016 als cao aangemeld bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister).

2.12.

Op het moment van de mondelinge behandeling op 24 december 2014 was het partijen nog niet bekend wat de status was met betrekking tot het vaststellen van de AmvB
met betrekking tot het bepaalde in artikel 2.6.6 Wmo 2015.

3 De vordering


3.1. Abvakabo FNV vordert – na wijziging van eis – dat ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:
a) worden geboden het onderhandelaarsakkoord van 24 september 2014 uit te voeren,
b) worden geboden de aanmelding in de zin van artikel 4 van de Wet op de loonvorming van
de tussen hen overeengekomen cao-tekst schriftelijk in te trekken binnen 24 uur na de
datum van het in deze zaak te wijzen vonnis, dit op straffe van een dwangsom van
€ 2.000,-- te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte
van de dag dat deze overtreding voortduurt,
c) worden geboden om gelijktijdig een kopie van de schriftelijke mededeling als bedoeld
onder b aan Abvakabo FNV te doen toekomen, dit straffe van een dwangsom van
€ 2.000,-- te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte
van de dag dat deze overtreding voortduurt,
d) worden verboden om een verzoek tot algemeen verbindendverklaring in de zin van
artikel 4 Wet AVV in te dienen van de tussen hen overeengekomen tekst van de
Cao-VVT 2014-2016, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- te vermeerderen
met een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat deze
overtreding voortduurt,
e) worden geboden om te handelen alsof er tussen hen geen Cao-VVT 2014-2016 is tot stand
gekomen, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- te vermeerderen met een
dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat deze overtreding
voortduurt,
f) worden geboden om aan hun leden en op hun respectievelijke internetsites binnen 24 uur
na het vonnis schriftelijk mee te delen dat de Cao-VVT 2014-2016 niet de tekst bevat
zoals deze tussen de partijen bij het onderhandelaarsakkoord is overeengekomen zodat zij
daaraan geen rechten kunnen ontlenen, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- te
vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag
dat deze overtreding voortduurt,

g) worden geboden om Abvakabo FNV binnen 24 uur na het vonnis schriftelijk uit te
nodigen voor overleg over de redactie van de tekst van de Cao VVT 2014-2016, welk
overleg zal aanvangen binnen twee werkdagen na het vonnis en waarvan uitgangspunt is
dat in de cao-teksten geen materiële wijzigingen ten opzichte van het onderhandelaars-
akkoord worden opgenomen zonder dat alle partijen bij het onderhandelaarsakkoord
daarmee uitdrukkelijk instemmen, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- te
vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag
dat deze overtreding voortduurt,
h) hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met
wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis.

3.2.

Abvakabo FNV legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.
ActiZ c.s. is in gebreke met de nakoming van het onderhandelaarsakkoord en dient te worden geboden om dit akkoord alsnog na te komen. Partijen verschilden in het kader van het overleg over de tekst van de Cao-VVT 2014-2016 onder meer van mening over de bepaling inzake de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden.
Abvakabo FNV heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorgestelde tekst materieel afweek van hetgeen partijen daarover in het kader van het onderhandelaarsakkoord waren overeengekomen. Zo werd in dit tekstvoorstel:
- een extra cumulatieve voorwaarde gesteld, welke voorwaarde erop neer komt dat ook in de
gemeentelijke verordeningen moet zijn bepaald hetgeen in de door de Minister in het kader
van de Wmo 2015 te nemen AmvB wordt bepaald,
- dat CAO-partijen gezamenlijk besluiten of de AmvB voldoet aan deze voorwaarden.
Deze voorwaarden zijn niet in het onderhandelaarsakkoord overeengekomen. In dit akkoord is overeengekomen dat de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden afhankelijk wordt gesteld van de inwerkingtreding van een AmvB die de kostprijsbepalende elementen zou uitwerken en dat de Cao-VVT 2014-2016 algemeen verbindend moet worden verklaard.
ActiZ c.s. deelde deze bezwaren van Abvakabo FNV niet.
Zij heeft het overleg over de tekst van de Cao in een te vroeg stadium afgebroken en vervolgens zonder Abvakabo FNV een Cao gesloten en aangemeld, welke Cao niet in lijn is met hetgeen partijen in het kader van het onderhandelaarsakkoord zijn overeengekomen. In deze Cao is de door Abvakabo FNV gewraakte tekst betreffende de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden opgenomen.

3.3.

Actiz c.s. voert verweer.

3.4.

De stellingen van partijen zullen hierna voor zover van belang onder de beoordeling worden besproken.

4 De beoordeling


4.1. ActiZ c.s. voert als verweer dat de vorderingen reeds moeten worden afgewezen omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt, althans Abvakabo FNV – zo begrijpt de kantonrechter haar verweer – haar recht om haar vorderingen in het kader van een kort geding te gelde te maken heeft verwerkt, omdat het aan haar eigen handelen te wijten is dat er thans sprake is van spoedeisend belang.

4.2.

Dit verweer gaat niet op.
Het spoedeisend belang volgt voldoende uit de aard van de vorderingen. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
Vaststaat dat ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie’91 een cao-tekst hebben vastgesteld waarin zij zich allen kunnen vinden en deze tekst in de zin van artikel 4 van de Wet op de loonvorming hebben aangemeld. Het is onduidelijk of ActiZ c.s. al de kennisgeving als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de loonvorming heeft ontvangen. Er zijn echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat deze kennisgeving niet aan haar zal worden verstrekt. Dit betekent dat het ervoor gehouden kan worden dat de door ActiZ c.s. aangemelde Cao ook van kracht zal worden. Abvakabo FNV kan zich echter niet in de tekst van deze aangemelde Cao vinden, omdat die volgens haar in strijd is met hetgeen partijen in het kader van het onderhandelaarsakkoord zijn overeengekomen. Abvakabo FNV wenst daarom door middel van dit kort geding te bewerkstelligen dat alsnog een cao-tekst wordt vastgesteld waarbij zij partij is. Zij wenst met andere woorden te voorkomen dat zij ondanks dat zij partij is bij het onderhandelaarsakkoord buiten spel wordt gezet.
Voor zover al aangenomen zou kunnen worden dat Abvakabo FNV – zoals ActiZ c.s. aanvoert – heeft getalmd bij het aanhangig maken van dit kort geding, geldt dat dit enkel talmen (stilzitten) onvoldoende is voor het aannemen van rechtsverwerking. Andere omstandigheden die deze conclusie wel zouden kunnen dragen, zijn niet gesteld of gebleken.


4.3. Daarmee wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

4.4.

Partijen hebben een onderhandelaarsakkoord gesloten en hebben zich in dit verband tegenover elkaar verplicht om met elkaar een Cao te sluiten met een inhoud zoals zij in het kader van dit akkoord zijn overeengekomen.

4.5.

Door het secretariaat van het SOVVT is een tekstvoorstel voor deze Cao gedaan
(zie 2.7). In dit tekstvoorstel zijn er voor wat betreft de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden drie cumulatieve voorwaarden gesteld, namelijk
– verkort weergegeven – :
a) er is krachtens artikel 2.6.6. Wmo 2015 een AmvB in werking getreden die voldoet aan
de door cao-partijen daaraan in het akkoord over de CAO-VVT 2014-2016 gestelde
voorwaarden, waarbij geldt dat de Cao partijen gezamenlijk besluiten of de AmvB
voldoet aan deze voorwaarden,
b) in de gemeentelijke verordeningen moet zijn bepaald hetgeen in de onder a bedoelde
AmvB wordt bepaald,
c) de CAO-VVT 2014-2016 uiterlijk op een nader overeen te komen dat algemeen
verbindend dient te worden verklaard.

4.6.

Tussen partijen is vervolgens een meningsverschil ontstaan over, onder meer, het hiervoor verkort weergegeven tekstvoorstel betreffende de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden.
ActiZ c.s. kon zich in dit tekstvoorstel vinden. Zij is van mening dat dit voorstel in lijn is met, althans een nadere invulling betreft van het onderhandelaarsakkoord.
Abvakabo FNV heeft echter het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is. Meer in het bijzonder heeft zij bezwaar gemaakt tegen:
- de voorwaarde zoals vermeld in 4.5. onder b,
- en de vermelding dat partijen gezamenlijk besluiten of de AmvB aan de door partijen
overeengekomen voorwaarden voldoet.

Volgens Abvakabo FNV zijn partijen dit niet in het kader van het onderhandelaarsakkoord overeengekomen en hebben zij dit ook niet na de totstandkoming van dit akkoord afgesproken.

4.7.

Het is onvoldoende aannemelijk dat – zoals ActiZ c.s. als verweer voert – dit akkoord slechts een beleidsmatig karakter heeft of zoals zij het tijdens de zitting noemde slechts een “babbeltekst” betreft en dat in dit akkoord nog (bewust) allerlei punten zijn opengelaten die later nog zouden moeten worden aangevuld.
Vaststaat dat partijen onder begeleiding van een onafhankelijke voorzitter ([A]) uitvoerig hebben onderhandeld over de inhoud van een door hen te sluiten Cao en dat de uitkomst van deze onderhandelingen zijn neergelegd in het onderhandelaarsakkoord. Het onderhandelaarsakkoord is – zoals Abvakabo FNV ook aanvoert – een relatief omvangrijk
en gedetailleerd stuk. In dit akkoord is in de vorm van uitgebreide volzinnen, en niet in de vorm van steekwoorden, vermeld wat partijen zijn overeengekomen.
ActiZ c.s. heeft in het licht van het voorgaande haar hiervoor weergegeven verweer onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Er zijn geen stukken, zoals bijvoorbeeld verslagen die in het kader van de onderhandelingen over het onderhandelaarsakkoord zijn opgemaakt of een schriftelijke verklaring van [A] die als onafhankelijk voorzitter bij deze onderhandelingen betrokken is geweest, door haar in het geding gebracht die erop wijzen dat dit akkoord niet een allesomvattende overeenkomst over de inhoud van de cao betreft, maar nog op diverse punten onderdelen moest worden aangevuld.

4.8.

Maar ook wanneer ActiZ c.s. gevolgd zou worden in haar betoog dat ten aanzien van een aantal punten in het onderhandelaarsakkoord geldt dat deze punten bewust zijn opengelaten en dat partijen daarover nog na het sluiten van het onderhandelaarsakkoord nader zouden moeten onderhandelen, geldt dat dit ActiZ c.s. niet kan baten.
In dit kort geding heeft het debat tussen partijen zich beperkt tot het onderdeel betreffende de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat partijen met betrekking tot dit onderdeel nog andere afspraken moesten maken dan de afspraken zoals die zijn vermeld in het onderhandelaarsakkoord. De tekst van het onderhandelaarsakkoord wijst daar niet op, en er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die daarop wel wijzen. Het is dus niet zo dat – zoals ActiZ c.s. kennelijk meent – er op dit punt nog door partijen moest worden onderhandeld. Dat er mogelijk op andere onderdelen van het onderhandelaarsakkoord nog wel onderhandelingsruimte zou zijn, maakt dit gezien het voorgaande niet anders.

4.9.

Als uitgangspunt geldt dan ook dat de afspraken die partijen over de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden hebben gemaakt, zijn neergelegd in het onderhandelaarsakkoord.

4.10.

Vraag is wat deze afspraken inhouden. Partijen verschillen daarover immers van mening.

4.11.

De tekst van het onderhandelaarsakkoord en van bijlage 3 van dit akkoord bieden een sterke aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van Abvakabo FNV zoals weergegeven in 4.6. In deze tekst is nergens de voorwaarde ter zake de gemeentelijke verordeningen (zie 4.5. onder b) vermeld. Deze voorwaarde valt ook niet uit het onderhandelaarsakkoord op te maken indien de tekst van dit akkoord in onderlinge samenhang wordt bezien.

ActiZ c.s. kan niet worden gevolgd in haar stelling dat deze voorwaarde (expliciet dan wel impliciet) is genoemd op pagina 3 van het onderhandelaarsakkoord. In de tekst die op deze pagina is vermeld (en die is geciteerd in 2.4.) is vermeld dat het noodzakelijk is dat de nieuwe schaal ook door alle gemeenten in Nederland bij hun inkoopbeleid wordt gehanteerd en dat om die reden de invoering van deze nieuwe schaal afhankelijk wordt gesteld van de inwerkingtreding van een AmvB van het kabinet op korte termijn, in welke AmvB dient te worden bepaald dat de vaststelling van Wmo tarieven voor Wmo voorzieningen is gebaseerd op de kostenbepalende factoren, waaronder de Cao-VVT. Er staat niet dat de invoering van de minimumschaal daarnaast ook nog afhankelijk wordt gesteld van de inhoud van de gemeentelijke verordeningen op dit punt. ActiZ c.s. heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat partijen deze voorwaarde, niettegenstaande de tekst van het onderhandelaarsakkoord, toch zijn overeengekomen, althans dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit het geval was. Het moet er daarom (vooralsnog) voor worden gehouden dat dit niet het geval is geweest.

4.12.

Het is gezien het voorgaande aannemelijk dat partijen – zoals Abvakabo FNV aanvoert – de hiervoor bedoelde voorwaarde niet in het kader van het onderhandelaars-akkoord zijn overeengekomen. Er zijn ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat partijen deze voorwaarde ná de totstandkoming van het onderhandelaarsakkoord alsnog zijn overeengekomen. Integendeel, Abvakabo FNV heeft in het kader van de overleggen over het tekstvoorstel van de CAO-VVT 2014-2016 het standpunt ingenomen dat deze voorwaarde niet was overeengekomen en daarom uit de tekst moest worden geschrapt. Zij heeft dit zoals uit het voorgaande volgt ook terecht gedaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het aannemelijk is dat – zoals Abvakabo FNV betoogt – door de opneming van deze voorwaarde in de Cao-tekst een extra inhoudelijke voorwaarde wordt gesteld aan de invoering van de minimumschaal. De invoering van deze schaal wordt immers ook afhankelijk gesteld van de invoering van gemeentelijke verordeningen met een door partijen gewenste inhoud.

4.13.

Vaststaat dat ActiZ c.s. niet bereid is gebleken om ná 4 december 2014 nog met Abvakabo FNV over de tekst van de Cao overleg te voeren. Vraag is of zij daartoe alsnog
– zoals Abvakabo FNV in feite wenst – kan worden verplicht. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord.
De kantonrechter is van oordeel dat ActiZ c.s. zich in een te vroeg stadium heeft teruggetrokken uit de overleggen over de tekst van de Cao. Daarbij speelt een belangrijke rol dat het aannemelijk is dat partijen – zoals al is overwogen in 4.7. en 4.8. – in het kader van het onderhandelaarsakkoord al zeer gedetailleerd afspraken hebben gemaakt over de inhoud van de Cao en dat zij dit in ieder geval hebben gedaan met betrekking tot het in dit kort geding aan de orde zijnde onderdeel inzake de invoering van de minimumschaal voor de functie van Hulp bij het huishouden, waardoor er in feite geen onderhandelingsruimte over de inhoud van de Cao (op dit punt) meer was. Partijen dienden alleen nog overeenstemming te bereiken over de manier waarop hetgeen zij al in het kader van het onderhandelaars-akkoord waren overeengekomen, zou worden verwoord in de Cao-tekst. Het ging dus meer over de vraag wat partijen waren overeengekomen en op welke manier dit in een Cao-tekst kon worden omgezet. Het had daarom dan ook op de weg gelegen om [A] bij de overleggen over de Cao-tekst te betrekken, althans vanaf het moment dat partijen niet meer op één lijn zaten met betrekking tot de Cao-tekst, temeer daar partijen [A] in het kader van het onderhandelaarsakkoord ook al een bemiddelende rol hadden toebedacht.

4.14.

Het voorgaande leidt er al toe dat Actiz c.s. kan worden verplicht om opnieuw
met Abvakabo FNV in overleg te treden over de redactie van de tekst van de
Cao VVT 2014-2016. De kantonrechter acht het daarbij raadzaam dat [A] bij dit overleg wordt betrokken. In dit verband wordt nog overwogen dat dit overleg niet beperkt dient te worden tot het hiervoor besproken bezwaar van Abvakabo FNV.
Ook het bezwaar met betrekking tot de vermelding dat partijen gezamenlijk besluiten of de AmvB aan de door partijen overeengekomen voorwaarden voldoet, zal moeten worden besproken. Het komt de kantonrechter voor dat dit bezwaar niet onoverkomelijk zal blijken te zijn omdat dit bezwaar (grotendeels) al in het kader van dit kort geding door ActiZ c.s. is weggenomen. ActiZ c.s. heeft immers verklaard dat deze bepaling wat haar betreft – in tegenstelling tot wat Abvakabo FNV dacht – geen vetorecht van één van de partijen bij het onderhandelaarsakkoord behelst. Verder heeft ActiZ c.s. zich bereid verklaard om wanneer er geen gezamenlijk besluit komt zich door partijen samen aan te wijzen deskundigen te laten adviseren over de vraag of de AmvB voldoet aan de voorwaarden zoals door partijen in het onderhandelaarsakkoord gesteld.

Verder geldt dat Abvakabo FNV onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat er nog meer punten zijn dan het hiervoor besproken punt betreffende de invoering van de minimumschaal, maar dat partijen nog niet aan de bespreking daarvan zijn toegekomen.
Ook deze punten zullen derhalve besproken moeten worden.

4.15.

De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder g zal gezien het voorgaande op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.
De kantonrechter acht het gelet op de feestdagen betreffende oud en nieuw en het daarop gevolgde weekend redelijk om de termijn waarbinnen ActiZ c.s. Abvakabo FNV schriftelijk zal moeten uitnodigen voor overleg te bepalen op uiterlijk 6 januari 2015 om 12.00 uur.
De in verband met deze vordering gevorderde dwangsom zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen. Weliswaar heeft ActiZ c.s. als verweer gevoerd dat het opleggen van een dwangsom niet nodig is, maar zij heeft niet uitdrukkelijk te kennen gegeven dat dit zo is, omdat zij het vonnis na zal komen. Er zijn de kantonrechter ook geen aanwijzingen gebleken dat zij dit vonnis zal nakomen.

4.16.

De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder a zal worden afgewezen. Deze vordering is te ruim geformuleerd. Het is bovendien onduidelijk welk belang Abvakabo FNV nog bij toewijzing van deze vordering heeft, nu de vordering in 3.1. onder g zal worden toegewezen en ziet op de nakoming van het onderhandelaarsakkoord.

4.17.

De vorderingen zoals weergegeven in 3.1 onder b tot en met f houden verband met
het feit dat ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 al een Cao-VVT 2014-2016 zijn overeengekomen en deze Cao op 16 december 2014 bij de Minister hebben aangemeld.
Deze aanmelding leidt er, in beginsel, toe dat deze Cao tussen hen van kracht wordt.
Deze vorderingen strekken ertoe dat deze Cao van tafel gaat. Actiz c.s. voert als verweer dat daarvoor geen grondslag bestaat en dat zij deze Cao rechtsgeldig is overeengekomen.

4.18.

Actiz c.s. wordt niet in dit verweer gevolgd.
Het is aannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat ActiZ c.s. door het sluiten van deze cao onrechtmatig tegenover Abvakabo FNV heeft gehandeld. Immers, uit het voorgaande volgt dat zij zich hadden verbonden om een cao te sluiten waarbij ook Abvakabo FNV partij zou zijn en dat zij zich in te vroeg stadium uit de overleggen over de tekst van de Cao, welke tekst in feite al in het kader van het onderhandelaarsakkoord was overeengekomen, hebben teruggetrokken.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat Abvakabo FNV aan Actiz c.s. te kennen had gegeven dat zij zich vrijwillig terugtrok en dat zij het onderhandelaarsakkoord niet langer wenste na te komen. Integendeel, uit het persbericht van Abvakabo FNV van 5 december 2014 en de
in 2.9. weergegeven e-mail van 14 december 2014 volgt dat dit juist niet het geval was.
ActiZ c.s. kan op grond van dit onrechtmatig handelen worden geboden om de daardoor ontstane onrechtmatige toestand op te heffen.
De in 3.1. onder b genoemde vordering strekkende tot intrekking van de aanmelding van de tussen ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie’91 overeengekomen Cao en de in 3.1 onder d genoemde vordering strekkende tot een verbod om (alsnog) een verzoek tot algemeen verbindend verklaring van de aangemelde Cao in te dienen, zijn op die grondslag toewijsbaar. Weliswaar heeft ActiZ c.s. aangevoerd nog geen verzoek tot algemeen verbindend verklaring te hebben ingediend, maar zij heeft niet toegezegd om dit ook niet te zullen doen, zodat Abvakabo FNV voldoende belang heeft bij toewijzing van deze vordering.
De kantonrechter ziet wel aanleiding om de termijn waarbinnen het een en ander moet gebeuren te bepalen op de in de beslissing te noemen manier. Bij het bepalen van de termijn heeft de kantonrechter rekening gehouden met de feestdagen en het weekend. De gevorderde dwangsommen zullen op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen hierover al in 4.15. is overwogen.

Ook de in verband met deze vorderingen gevorderde nevenvorderingen zoals weergegeven
in 3.1. onder c en f zijn toewijsbaar op de in de beslissing te noemen manier.
Wat betreft de vordering onder f wordt nog overwogen dat het voldoende aannemelijk is dat ActiZ c.s. haar leden via haar website zal kunnen bereiken. De kantonrechter acht het daarom op dit moment niet nodig om ook nog te bepalen dat ActiZ c.s. ieder lid afzonderlijk dient te berichten. Verder ziet de kantonrechter, gelet op wat hiervoor allemaal is overwogen, aanleiding om de tekst van het bericht te bepalen op de in de beslissing te noemen manier.

4.19.

De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder e strekkende tot een gebod om te handelen alsof er tussen hen geen Cao-VVT 2014-2016 is tot stand gekomen, zal worden afgewezen, omdat daarbij gelet op de vorderingen die zullen worden toegewezen geen voldoende belang bestaat.



4.20. ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Abvakabo FNV worden begroot op:

- dagvaarding € 482,25 (5 x € 96,45)

- griffierecht € 115,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 997,25

De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.

4.21.

De door Abvakabo FNV gevorderde nakosten zullen worden begroot op de in de beslissing te noemen manier. Ook de daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op de in de beslissing te noemen manier.

5 De beslissing

De kantonrechter geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

gebiedt ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 om Abvakabo FNV uiterlijk dinsdag 6 januari 2015 om 12.00 uur schriftelijk uit te nodigen voor overleg over de redactie van de tekst van de Cao VVT 2014-2016, welk overleg zal aanvangen binnen twee werkdagen na het vonnis en waarvan uitgangspunt is dat in de cao-teksten geen materiële wijzigingen ten opzichte van het onderhandelaarsakkoord worden opgenomen zonder dat alle partijen bij het onderhandelaarsakkoord daarmee uitdrukkelijk instemmen, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,-- voor
iedere dag of gedeelte van de dag dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van
€ 100.000,--,

5.2.

gebiedt ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 om de aanmelding in de zin van artikel 4 van de Wet op de loonvorming van de tussen hen overeengekomen cao-tekst uiterlijk dinsdag 6 januari 2015 schriftelijk in te trekken, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 100.000,--,

5.3.

gebiedt ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 om gelijktijdig een kopie van de schriftelijke mededeling als bedoeld onder 5.2. aan Abvakabo FNV te doen toekomen, dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- te vermeerderen met een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 5.000,--,

5.4.

verbiedt ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 om een verzoek tot algemeen verbindendverklaring in de zin van artikel 4 Wet AVV in te dienen van de tussen hen overeengekomen tekst van de Cao-VVT 2014-2016, dit op straffe van een dwangsom van
€ 100.000,--,

5.5.

gebiedt ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 om op hun respectievelijke internetsites, uiterlijk op dinsdag 6 januari 2015, schriftelijk mee te delen dat de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis in kort geding van
31 december 2014 heeft geoordeeld dat zij op dit moment nog geen uitvoering mogen
geven aan de tussen hen gesloten Cao-VVT 2014-2016, omdat zij eerst nog in overleg
met Abvakabo FNV moeten bezien of er met inachtneming van wat zij in het kader van het tussen hen gesloten onderhandelaarsakkoord zijn overeengekomen een definitieve tekst voor de Cao-VTT 2014-2016 kunnen vaststellen, dit op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag
dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 50.000,--

5.6.

veroordeelt ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 hoofdelijk in de proceskosten, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 997,25, waarvan € 400,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

5.7.

veroordeelt ActiZ, BTN, CNV, FBZ en Nieuwe Unie‘91 hoofdelijk, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Abvakabo FNV volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de
explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als
bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.