Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7155

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
16/661745-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Verdachte heeft in een periode van vijf maanden in Veenendaal diverse coniferen en containers in brand gestoken. Ook heeft verdachte in die periode samen met anderen tweemaal brand gesticht in een schoolgebouw. Verdachte heeft door haar handelen gevaar veroorzaakt voor de goederen en eventueel aanwezige personen in de nabije omgeving van de branden. Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke werkstraf van 120 uren noodzakelijk, met aftrek van voorarrest. Hierbij zal de rechtbank voor de noodzakelijk geachte begeleiding en behandeling van verdachte bijzondere voorwaarden opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661745-14 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 december 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1998] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman mr. J.M. van Dam, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

onder 1: in de periode van 4 maart 2014 tot en met 31 juli 2014 elf keer brand heeft gesticht in/bij een container dan wel een coniferenhaag in Veenendaal;

onder 2: in de periode van 12 maart 2014 tot en met 21 maart 2014 samen met anderen twee keer brand heeft gesticht in een schoolgebouw in Veenendaal.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte de onder 1d tenlastegelegde brand heeft gesticht en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1a, 1b, 1c, 1e, 1f, 1g, 1h, 1i, 1j, 1k en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde acht de officier van justitie bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte het onder 1d tenlastegelegde heeft begaan en dat verdachte daarvan vrijgesproken dient te worden. Ook is de verdediging van mening dat verdachte van het onder 1b tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, aangezien uit het dossier niet af te leiden valt dat de container aan De[adres] stond. Ten aanzien van het onder 1g tenlastegelegde heeft de raadsman opgemerkt dat het om één voertuig ging en niet om meerdere en dat er geen sprake is geweest van gevaar voor goederen en/of personen, aangezien het voertuig nat werd gehouden door de overbuurman van de aangever.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Partiële vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1d tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

4.3.2

Bewezen

Ten aanzien van het onder 1a, 1c, 1e, 1f, 1g, 1h, 1i, 1j, 1k en 2 tenlastegelegde

Aangezien verdachte het onder 1a, 1c, 1e, 1f, 1g, 1h, 1i, 1j, 1k en 2 tenlastegelegde heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank voor zover zij dit feit bewezen acht, met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- het proces-verbaal ter terechtzitting van 16 december 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014058898-1, doorgenummerde pagina’s 206 en 207 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 26 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014166166-1, doorgenummerde pagina’s 180 en 181 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 26 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014222048-1, doorgenummerde pagina’s 175 en 176 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 26 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014193655-1, doorgenummerde pagina’s 151 tot en met 153 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 26 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014202986-1, doorgenummerde pagina’s 146 en 147 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 26 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014209222-1, doorgenummerde pagina’s 70 tot en met 72 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 3 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014205880-1, doorgenummerde pagina’s 78 tot en met 80 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 3 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014210637-1, doorgenummerde pagina’s 63 tot en met 65 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 3 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014210538-1, doorgenummerde pagina’s 46 en 47 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 3 augustus 2014;

- het proces-verbaal aangifte nr. PL0900-2014145057-1, doorgenummerde pagina’s 186 en 187 van het proces-verbaal nr. PL0900-2014211157 Z van 26 augustus 2014.

Ten aanzien van het onder 1b tenlastegelegde1

De aangever [getuige] heeft verklaard dat op 7 maart 2014 de afvalcontainer die links naast de [kerk], [adres] 7, in Veenendaal stond in brand gestoken was.2

Verdachte heeft verklaard dat zij in maart 2014 bij de [kerk] een rode container in de fik heeft gestoken en dat die container daardoor ontplofte.3

Bewijsoverweging

De rechtbank acht daarmee voldoende duidelijk dat verdachte het over dezelfde containerbrand heeft als de aangever en acht de brandstichting in de container bewezen. Niet kan uit de bewijsmiddelen worden opgemaakt dat de container op het moment van de brandstichting op locatie[adres] stond, zodat dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.

Conclusie

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat verdachte in de periode van 4 maart 2014 tot en met 31 juli 2014 tien keer brand heeft gesticht in/bij een container dan wel een coniferenhaag in Veenendaal, waarbij gevaar voor goederen en personen is ontstaan. Daarnaast komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte in de periode van 12 maart tot en met 21 maart 2014 samen met anderen twee keer brand heeft gesticht in een schoolgebouw in Veenendaal, waarbij gevaar voor goederen is ontstaan.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 4 maart 2014 tot en met 31 juli 2014 te Veenendaal, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in/bij

a. a) op 4 maart 2014 een container op/bij de [adres] (brand 13) en

b) op 7 maart 2014 een container (brand 12) en

c) op 23 juni 2014 een coniferenhaag aan/bij de [adres] (brand 9) en

e) op 15 juli 2014 een coniferenhaag op/bij/aan de[adres] (brand 8) en

f) op 16 juli 2014 een container aan de [adres] (brand 6) en

g) op 24 juli 2014 een coniferenhaag aan de [adres] (brand 5) en

h) op 27 juli 2014 een coniferenhaag aan de [adres] (brand 3) en

i. i) op 27 juli 2014 een coniferenhaag aan de [adres] (brand 4) en

j) op 31 juli 2014 een coniferenhaag aan [adres] (brand 2) en

k) op 31 juli 2014 een coniferenhaag aan de [adres] (brand 1)

immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk afval en/of papier en/of een (leeg) doosje sigaretten en/of wc papier aangestoken en/of thinner (tussen de coniferen) gegoten en aangestoken en/of terpentine (in de container) gegoten en aangestoken,

ten gevolge waarvan (telkens) dat afval en/of dat papier en/of een (leeg) doosje sigaretten en/of die container(s) en/of die coniferenha(a)g(en) en/of (een) aangrenzende schutting(en) (zaak j) en/of een voertuig (zaak g) en/of een garage (zaak h) en/of een prieel (zaak h en i ) en/of een beukenboom (zaak h) en/of een vogelkooi (zaak g) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor goederen in die garage en/of dat prieel en/of die voertuigen en/of die schutting(en) en/of een vogelkooi (zaak g) en/of in de belendende woningen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

2.

in de periode van 12 maart 2014 tot en met 21 maart 2014 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens, te weten op 12 maart 2014 en op 21 maart 2014, brand 10 en 11) opzettelijk brand heeft gesticht in een leegstaand schoolgebouw aan het [adres] immers hebben verdachte en haar mededaders toen aldaar (telkens) opzettelijk met een aansteker en bio-ethanol en/of papier brand gesticht,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd;

Feit 2: Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 1 maand, met aftrek van voorarrest, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan het reclasseringstoezicht van Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt meewerken aan individuele behandelingen bij de Waag, waaronder EMDR. De officier van justitie heeft tevens gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de gevolgen beperkt zijn gebleven. Verder is de verdediging van mening dat een voorwaardelijke werkstraf op zijn plaats is en dat volstaan kan worden met een proeftijd korter dan 2 jaar, aangezien de begeleiding van verdachte binnenkort al minder intensief wordt. De verdediging heeft daarbij opgemerkt dat, ondanks dat uit de rapporten blijkt dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat, verdachte niet snel weer een dergelijk feit zal plegen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in een periode van vijf maanden diverse coniferen en containers in brand gestoken. Ook heeft verdachte in die periode samen met anderen tweemaal brand gesticht in een schoolgebouw. Verdachte heeft door haar handelen gevaar veroorzaakt voor de goederen en eventueel aanwezige personen in de nabije omgeving van de branden. De locatie van de branden was meestal in een woonwijk dicht bij bebouwing en verdachte heeft bovendien verschillende malen thinner/terpentine/bio-ethanol gebruikt om te zorgen dat de coniferen of container sneller brandde. Branden kunnen snel, grillig en ongecontroleerd verlopen en verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de mogelijkheid dat de brandweer of omwonenden niet tijdig ter plaatse zouden zijn om de vlammen te doven. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de verstrekkende gevolgen die de branden hadden kunnen hebben. Doordat de brandweer steeds binnen afzienbare tijd is opgetreden zijn de gevolgen beperkt gebleven. Naast -grote- materiële schade veroorzaken dergelijke feiten tevens gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 november 2014, waaruit blijkt dat aan verdachte niet eerder straf is opgelegd.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 november 2014, waaruit onder meer blijkt dat verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft en dat hulpverlening daaromtrent nooit echt van de grond is gekomen omdat verdachte zich daar niet voor open kon stellen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Om de kans op recidive te verkleinen is het geïndiceerd de MST die reeds is ingezet bij de Waag, door te laten lopen. Daarnaast is het van belang dat verdachte behandeling krijgt gericht op haar emotieregulatieproblematiek en haar posttraumatische stressstoornis.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een pro justitia rapport van 10 oktober 2014, opgemaakt door drs. M.E. Bredero, GZ-psycholoog, waaruit onder meer blijkt -kort gezegd- dat bij verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis, een matige depressieve stoornis en van een stoornis in de impulsbeheersing NAO en dat hiervan ook sprake was ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte moet als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. De combinatie van de risicofactoren voortkomend uit de psychopathologie van verdachte, de overige risicofactoren en de beschermende factoren maken dat de kans op recidive op zowel brandstichting als grensoverschrijdend/sensatiezoekend gedrag zonder interventie als hoog wordt geschat. Om de kans op recidive te verkleinen is het geïndiceerd dat verdachte behandeling krijgt gericht op haar emotieregulatieproblematiek en posttraumatische stressstoornis. Daarnaast is het geïndiceerd de MST, die reeds is ingezet bij De Waag, door te laten lopen.

De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de verminderde toerekeningsvatbaarheid over en houdt hier rekening mee bij de bepaling van de hoogte van de straf.

Ter zitting heeft mevrouw E. Versluijs, MST-therapeut, verklaard dat het MST-traject bijna afgerond is, dat verdachte onlangs is gestart met EMDR en dat dit op dit moment de meest geschikte therapie voor verdachte lijkt te zijn. Verder heeft mevrouw Versluijs verklaard dat de emotionele ontwikkeling van verdachte minder ver is dan naar aanleiding van haar leeftijd verwacht kan worden. Ook heeft mevrouw Versluijs aangegeven dat verdachte veel interventies als straf heeft ervaren en dat het nu het belangrijkste is dat verdachte behandeling ondergaat om de spanning te verlagen, waardoor de kans op recidive wordt verminderd.

De heer A. Pijpker, reclasseringsmedewerker bij Bureau Jeugdzorg, heeft ter zitting aangegeven dat het van belang is dat verdachte behandeling ondergaat en dat -gelet op het reeds ingezette intensieve hulpverleningstraject- een onvoorwaardelijke werkstraf als contraproductief moet worden beschouwd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf stelt de rechtbank voorop dat het jeugdstrafrecht een pedagogisch karakter heeft. Het doel van het jeugdstrafrecht is gelegen in speciale preventie, dus de straf dient zo veel mogelijk bij te dragen aan vermindering van de kans op recidive bij deze verdachte. Dat betekent dat vergelding -maar ook algemene preventie-, anders dan het geval is in het volwassenenstrafrecht, slechts in zeer beperkte mate een aspect is dat de rechtbank bij de strafoplegging mee kan en zal wegen.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte het intensieve hulpverleningstraject dat reeds is ingezet, al zeer beperkt is in haar vrijheden.

Gelet op dit alles, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijk jeugddetentie niet passend in de onderhavige zaak. In het geval verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden houdt zou dit immers meebrengen dat verdachte wederom in detentie moet verblijven. De rechtbank acht het, voor het verminderen van het recidiverisico, van belang dat verdachte haar prosociale contacten kan behouden.

Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke werkstraf van 120 uren noodzakelijk, met aftrek van voorarrest. Hierbij zal de rechtbank voor de noodzakelijk geachte begeleiding en behandeling van verdachte bijzondere voorwaarden opleggen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande voorts van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen indien er geen behandeling of begeleiding van verdachte plaatsvindt. De rechtbank acht het om die reden geboden de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart hetgeen onder 1d is tenlastegelegd niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1a, 1b, 1c, 1e, 1f, 1g, 1h, 1i, 1j, 1k en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd;

Feit 2: Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren.

Beveelt, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

gedurende de proeftijd haar medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht van Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, ook als dat inhoudt meewerken aan individuele behandelingen, waaronder EMDR.

Draagt deze reclasseringsinstelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de hierboven gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter tevens voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2014.

Mr. Gerritse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

zij

op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 4 maart 2014 tot en

met 31 juli 2014 te Veenendaal, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

(telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in/bij

a. a) (op 4 maart 2014) een container op/bij de [adres] (brand 13) en/of

b) (op 7 maart 2014) een container op/bij de[adres] (brand 12) en/of

c) (op 23 juni 2014) een coniferenhaag aan/bij de [adres] (brand 9)

en/of

d) (op 15 juli 2014) een coniferenhaag op/bij/aan de[adres] en/of

[adres] (brand 7) en/of

e) (op 15 juli 2014) een coniferenhaag op/bij/aan de[adres] (brand 8)

en/of

f) (op 16 juli 2014) een container aan de [adres] (brand 6) en/of

g) (op 24 juli 2014) een coniferenhaag aan de [adres] (brand 5) en/of

h) (op 27 juli 2014) een coniferenhaag aan de [adres] (brand 3) en/of

i. i) (op 27 juli 2014) een coniferenhaag aan de [adres] (brand 4) en/of

j) (op 31 juli 2014) een coniferenhaag aan [adres] (brand 2) en/of

k) (op 31 juli 2014) een coniferenhaag aan de [adres] (brand 1)

immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk afval en/of papier

en/of een (leeg) doosje sigaretten en/of wc papier aangestoken en/of thinner

(tussen de coniferen) gegoten en aangestoken en/of terpentine (in de

container) gegoten en aangestoken, in elk geval (telkens) opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met afval en/of papier en/of een (leeg) doosje

sigaretten en/of wc papier en/of thinner en/of terpentine, althans met (een)

brandbare stof(fen)

ten gevolge waarvan (telkens) dat afval en/of dat papier en/of een (leeg)

doosje sigaretten en/of die container(s) en/of die coniferenha(a)g(en) en/of

(een) aangrenzende schutting(en) (zaak j) en/of voertuigen (zaak g) en/of een

garage (zaak h) en/of een prieel (zaak h en i ) en/of een beukenboom (zaak d

en h) en/of een vogelkooi (zaak g) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan

terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor goederen in die garage en/of dat

prieel en/of die voertuigen en/of die schutting(en) en/of een vogelkooi (zaak

g) en/of in de belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te

weten de bewoners van de belendende en/of omliggende woningen, in elk geval

(telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 maart 2014 tot

en met 21 maart 2014 te Veenendaal, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens, te weten op 12 maart 2014 en/of op 21 maart 2014, brand 10 en 11)

opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in/bij een leegstaand schoolgebouw aan

het [adres] immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) toen

aldaar (telkens)

opzettelijk met een aansteker en/of bio-ethanol en/of papier brand gesticht,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met planken en/of

stoelen en/of ramen en/of raamkozijnen en/of gordijnen, althans met (een)

brandbare stof(fen)

ten gevolge waarvan die planken /of stoelen en/of ramen en/of raamkozijnen

en/of gordijnen (telkens) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor genoemde

school, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij telkens verwezen naar de bijlagen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van de politie Midden-Nederland met nummer PL0900-2014211157 Z van 3 augustus 201, 26 augustus 2014 en 5 november 2014, doorgenummerde pagina's 1 tot en met 215.

2 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 201.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, doorgenummerde pagina 42.