Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7119

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
16/659519-14 en 16/700662-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Medeplegen van een poging tot diefstal met geweld op of omstreeks 08 maart 2014 te Bunnik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/659519-14 en 16/700662-14

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 december 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

Geboren op [1996] te [geboorteplaats],

Wonende aan de [adres] in [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft, achter gesloten deuren, plaatsgevonden op 12 december 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. T.K. van Wezel, advocaat te Eindhoven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Ten aanzien van 16/659519-14

Primair: op 7 mei 2014 in Eindhoven heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem te steken;

Subsidiair: op 7 mei 2014 in Eindhoven [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te steken.

Ten aanzien van 16/700662-14

op 8 maart 2014 samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 2] af te persen;

en/of

op 8 maart 2014 samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 2] met geweld te beroven.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het primaire feit onder parketnummer 16/659519-14 en het feit onder parketnummer 16/700662-14 bewezen kan worden verklaard en verwijst hierbij naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de bekennende verklaringen die verdachte heeft afgelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 16/700662-14 aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de kwalificatie van het feit zou moeten zijn het medeplegen van een poging tot diefstal met geweld.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 16/659519-14 verzoekt de verdediging om verdachte met betrekking tot het primair tenlastegelegde vrij te spreken, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou bekomen en de opzet dus niet bewezen kan worden. Subsidiair verzoekt de verdediging om verdachte ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt. Verdachte heeft verklaard dat hij door aangever en de vriend van aangever werd aangevallen en hij in een flits zijn mes heeft gepakt om zichzelf tegen hen te verdedigen. Verdachte heeft dus gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het tenlastegelegde onder 16/700662-141

Aangezien verdachte het tenlastegelegde heeft bekend, volstaat de rechtbank - met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering - met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

  • -

    Een geschrift, zijnde een aangifte van [slachtoffer 2] van 8 maart 2014 (pagina 356 tot en met 357);

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte ter zitting d.d. 12 december 2014.

Bewijsoverweging ten aanzien van de kwalificatie ‘diefstal met geweld’

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden veroordeeld voor het medeplegen van de poging tot diefstal met geweld. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het dossier niet naar voren komt dat sprake is geweest van ‘dwang tot afgifte’, hetgeen voor een bewezenverklaring voor een afpersing noodzakelijk is. De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen en de verklaringen van verdachte en medeverdachten blijkt dat het idee was dat aangever gedwongen zou worden om op de grond te gaan liggen, waarna er hasj en geld uit de woning weggenomen kon worden.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder 16/659519-142

[slachtoffer 1] (hierna: aangever) heeft op 7 mei 2014 aangifte gedaan en verklaart dat hij door [verdachte] (hierna: verdachte) in zijn bil en arm is gestoken met een mes.3 Aangever verklaart dat hij op 7 mei 2014 met verdachte had afgesproken in Eindhoven. Ze zijn samen met een vriend van aangever, [A ], een rondje gaan lopen door de stad.4 De aangever verklaart dat verdachte plotseling een mes pakte en hem in zijn linkerarm stak. Hierop ontstond een worsteling waarbij aangever nogmaals is gestoken. [A ] heeft het mes uit de handen van verdachte geschopt en verdachte is weggerend.5 In het ziekenhuis blijkt dat aangever steekwonden heeft in zijn rechterbil en linkerarm.6 [A ] verklaart dat de jongen met wie aangever had afgesproken ineens een mes in zijn handen had en stekende bewegingen naar aangever maakte. Hierop nam aangever de verdachte van achteren vast en zag [A ] dat de verdachte met het mes naar achteren begon te steken, waarbij hij aangever raakte.7

Bewijsoverweging ten aanzien van de opzet

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou bekomen en dat de opzet dus niet bewezen kan worden. De rechtbank verwerpt dit verweer en oordeelt als volgt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een afspraak had met aangever om hem drugs te verkopen. Verdachte is naar deze afspraak gegaan met een mes op zak. Vervolgens verklaart hij dat hij werd aangevallen door aangever en dat deze op zijn rug sprong. Verdachte heeft hierop gereageerd door het mes uit zijn zak te halen en blindelings naar achteren te steken terwijl hij werd vastgehouden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan wel degelijk de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door het van dichtbij en ongecontroleerd steken zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte had immers geen enkel zicht op de plekken van het lichaam waar hij aangever raakte en had hij evengoed aangever in een vitaal lichaamsdeel kunnen raken, waardoor hij zwaar letsel had kunnen oplopen.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem primair onder parketnummer 16/659519-14 en onder parketnummer 16/700662-14 tenlastegelegde.

Bewijsoverweging ten aanzien van het beroep op noodweer

De verdediging heeft slechts ten aanzien van het subsidiaire feit een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. Strikt genomen komt de rechtbank niet toe aan dit verweer, nu zij heeft geoordeeld dat het primair tenlastegelegde feit bewezen wordt verklaard. Echter, voor het geval de verdediging bedoeld heeft het genoemde verweer eveneens te voeren ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit en mede gelet op het belang hierbij van verdachte, zal de rechtbank alsnog aandacht besteden aan het verweer.

De verdachte heeft verklaard dat hij aangever heeft gestoken, maar dat hij dit heeft gedaan omdat aangever en zijn vriend hem met geweld wilden beroven van de hasj die hij aan hen zou verkopen. Ten aanzien van dit beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, oordeelt de rechtbank op basis van het dossier weliswaar kan vaststellen dat [slachtoffer 1] door verdachte meerdere keren is gestoken met een mes, maar niet kan vaststellen in welk scenario dit heeft plaatsgevonden. De verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en verdachte lopen zeer uiteen, met name over de vraag of er sprake was van een noodweersituatie. Om die reden kan niet zonder redelijke twijfel vastgesteld worden of sprake is geweest van een situatie waarin verdachte zich noodzakelijk moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer. De rechtbank oordeelt dat, indien het scenario van verdachte wel was gevolgd, de reactie van verdachte om blindelings met een mes op de ander in te steken niet proportioneel zou zijn geweest waardoor een beroep op noodweer alsnog was verworpen.

Nu het beroep op noodweer niet slaagt, komt de rechtbank ook niet toe aan het beroep op noodweerexces.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder 16/700662-14:

op 8 maart 2014 te Bunnik, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en hasj toebehorende aan [slachtoffer 2] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging met elkaar als volgt heeft gehandeld: zijnde en hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders

- voorzien van een gezichtsmasker de woning van die [slachtoffer 2] binnengegaan en

- die [slachtoffer 2] een mes getoond en op dreigende toon tegen die [slachtoffer 2] gezegd:" Ga liggen, ga op de grond liggen" en

- nadat die [slachtoffer 2] weigerde om op de grond te gaan liggen die [slachtoffer 2], zes malen met dat mes gestoken in diens buik en zij en heup en arm,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder 16/659519-14

op 7 mei 2014 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in de arm en in de bil heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlasteleggingen, met uitzondering van de aangehaalde tekst van verdachte, taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder 16/700662-14:

medeplegen van poging tot diefstal met geweld

ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder 16/659519-14:

poging zware mishandeling

7 De strafbaarheid van verdachte

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten moet worden opgelegd een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die hem door Bureau Jeugdzorg worden gegeven, ook als dat inhoudt meewerken aan behandeling bij De Waag. De officier van justitie verzoekt deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast vordert de officier van justitie om aan verdachte op te leggen een werkstraf van 160 uur, te vervangen door 80 uur jeugddetentie indien deze niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de werkstraf te matigen, omdat [verdachte] anders wellicht wordt overvraagd nu hij weer gaat beginnen aan een opleiding naast zijn bijbaan. Voor het overige kan de verdediging zich vinden in de eis van de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte is schuldig bevonden aan het medeplegen van een poging tot diefstal met geweld. Verdachte is, samen met zijn broer, met een masker op binnengedrongen in de woning van het slachtoffer om geld en hasj te stelen, terwijl zij wapens bij zich hadden. Bij de beroving is het slachtoffer zes maal in zijn lichaam gestoken door verdachte. Verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Daarnaast is het algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijke gewelddadige beroving hier nog lange tijd zowel fysiek als geestelijk last van kunnen hebben, wat ook blijkt uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie d.d. 23 oktober 2014 van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder met politie in aanraking is geweest, maar niet is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennis genomen van een pro justitia rapportage psychiatrisch onderzoek d.d. 5 november 2014, opgesteld door dr. M. Wiznitzer en een pro justitia rapportage psychologisch onderzoek d.d. 7 november 2014, opgesteld door drs. E.M. Van Engers, GZ-psycholoog. Uit deze rapportages blijkt dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar zou moeten worden verklaard vanwege zijn gedragsstoornis en ontwikkelingsachterstand. Het advies is om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij reclasseringstoezicht dat ziet op het stimuleren van de morele ontwikkeling, wat zou kunnen worden bewerkstelligd door behandeling bij De Waag. De rechtbank zal de conclusies van de deskundigen om verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren overnemen en maakt deze tot de hare.

Ter zitting heeft [B] van Bureau Jeugdzorg verklaard dat het op dit moment goed gaat met verdachte en dat hij zich bewust is van hetgeen hij heeft gedaan. Het is belangrijk dat verdachte toezicht en begeleiding krijgt, maar dat hij ook zijn eigen verantwoordelijkheden heeft om te bewijzen dat hij dit aankan. Een stevig toezicht vanuit de jeugdreclassering met een behandeling bij De Waag zou volgens Bureau Jeugdzorg de beste afdoening zijn.

Ter zitting is ook mw. [C] van de Raad voor de Kinderbescherming gehoord. Zij sluit zich aan bij het advies van Bureau Jeugdzorg en verzoekt de rechtbank om de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat de begeleiding kan worden voortgezet.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte dient te worden opgelegd een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte zich in het kader van toezicht en begeleiding moet houden aan de aanwijzingen die hij krijgt van Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling. Daarnaast zal de rechtbank opleggen een werkstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen jeugddetentie indien deze niet naar behoren wordt verricht.

De rechtbank is op grond van het voorgaande voorts van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen indien er geen behandeling of begeleiding van verdachte plaatsvindt. De rechtbank acht het om die reden geboden om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde te bevelen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert ten aanzien van feit 1 een schadevergoeding van

€ 1.587,33 in verband met de door het tenlastegelegde feit geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tevens heeft de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van het feit tenlastegelegd onder parketnummer 16/659519-14 een schadevergoeding van € 804,60 in verband met de door het tenlastegelegde feit geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om de schadevergoeding hoofdelijk op te leggen.

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk dient te worden toegewezen. De schade aan het scherm van de I-Phone komt niet terug in het dossier, zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De officier van justitie verzoekt tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] te matigen, nu hij de schadepost van zijn eigen bijdrage niet voldoende heeft onderbouwd. Ook de kleding had hij terug kunnen vragen en die schade mag niet op verdachte worden verhaald. De immateriële schade die benadeelde partij vordert, is naar mening van de verdediging ook te hoog en dient gematigd te worden.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] verzoekt de verdediging om de schade ten aanzien van de I-phone, de schoenen en de eigen bijdrage niet toe te wijzen nu deze onvoldoende onderbouwd zijn.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2]

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank waardeert de totale schade op € 1.227,33 (zegge: duizendtweehonderdzevenentwintig euro en drieëndertig eurocent), te weten € 227,33 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 1.227,33 toewijzen, inclusief de wettelijke rente berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 maart 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de schade die is aangevoerd met betrekking tot het eigen risico acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu niet met bescheiden is onderbouwd dat het eigen risico voor het betreffende kalenderjaar is aangewend voor de hier aan de orde zijnde medische kosten. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 8 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank legt de schadevergoeding hoofdelijk op nu verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die de schade aan [slachtoffer 2] heeft toegebracht. Hij is daardoor mede verantwoordelijk voor het letsel van [slachtoffer 2].
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachten de beoogde buit in de vorm van hasj en geld ook onderling zouden verdelen, waarbij een concrete verdeelsleutel overigens niet bekend is. Daarom moeten de verdachten de schade als gevolg van deze overval samen betalen en zijn zij ieder voor het geheel hoofdelijk aansprakelijk. De verschillende rollen die de verdachten hebben gehad zullen worden verdisconteerd in de respectievelijke strafmaten, dus niet in deze financiële afwikkeling.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank waardeert de totale schade op € 349,69 (zegge driehonderdnegenenveertig euro en negenenzestig eurocent) bestaande uit materiële schade. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 349,69 toewijzen.

Ten aanzien van de schade die is aangevoerd met betrekking tot het eigen risico acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu niet met bescheiden is onderbouwd dat het eigen risico voor het betreffende kalenderjaar is aangewend voor de hier aan de orde zijnde behandeling. Ook ten aanzien van het scherm van de I-phone acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze onderdelen niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 77za, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Het bewezen verklaarde levert op zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Strafbaarheid

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen;

- Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- Beveelt dat 79 dagen van die jeugddetentie niet zullen worden uitgevoerd, tenzij later anders wordt gelast en stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt:

o de verdachte zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

o de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

o de verdachte zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 77aa, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende bijzondere voorwaarde houdt:

o zich gedurende de proeftijd in het kader van toezicht en begeleiding zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem worden gegeven namens of door Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt dat veroordeelde zich moet laten behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling.

- Draagt de jeugdreclasseringsinstelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

- Beveelt dat de hierboven gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

- Veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 160 uur;

- Beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 80 dagen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (ten aanzien van parketnummer 16/700662-14 primair)

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Bunnik, toe tot een bedrag van € 1.227,33 (zegge: duizendtweehonderdzevenentwintig euro en drieëndertig eurocent), bestaande uit € 227,33 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 8 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 2] voornoemd, het bedrag te betalen;

- Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- Bepaalt dat voor zover dit bedrag door één van de mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen de som van € 1.227,33 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2014 tot de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt dat voor zover dit bedrag door één van de mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (ten aanzien van parketnummer 16/659519-14 primair)

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Eindhoven, toe tot een bedrag van € 349,69 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro en negenenzestig eurocent), bestaande uit materiele schade;

- Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het bedrag te betalen;

- Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen de som van € 349,69 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan één van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

- Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. H.A. Gerritse en M.P. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Ten aanzien van 16/659519-14

Primair

hij op of omstreeks 07 mei 2014 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm en/of in de bil, althans (telkens) in het lichaam heeft gestoken/gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 07 mei 2014 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm en/of in de bil, althans (telkens) in het lichaam heeft gestoken/gesneden, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van 16/700662-14

hij op of omstreeks 08 maart 2014 te Bunnik, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of hash/hennep en/of andere goederen van hun/zijn gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- voorzien van een gezichtsmasker de woning van die [slachtoffer 2] binnengegaan en/of

- die [slachtoffer 2] een mes/priem, althans een steekvoorwerp, getoond en/of (op dreigende toon) tegen die [slachtoffer 2] gezegd:" Ga liggen, ga op de grond liggen" en/of

- ( nadat die [slachtoffer 2] weigerde om op de grond te gaan liggen) die [slachtoffer 2], zes, althans een of meermalen, met dat/die mes/priem, althans dat steekvoorwerp, gestoken in diens buik en/of zij en/of heup en/of arm,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 08 maart 2014 te Bunnik, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of hash/hennep en/of andere goederen van hun/zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en / of te doen vergezellen en / of te doen volgen van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- voorzien van een gezichtsmasker de woning van die [slachtoffer 2] binnengegaan en/of

- die [slachtoffer 2] een mes/priem, althans een steekvoorwerp, getoond en/of (op dreigende toon) tegen die [slachtoffer 2] gezegd:" Ga liggen, ga op de grond liggen" en/of

- ( nadat die [slachtoffer 2] weigerde om op de grond te gaan liggen) die [slachtoffer 2], zes, althans een of meermalen, met dat/die mes/priem, althans dat steekvoorwerp, gestoken in diens buik en/of zij en/of heup en/of arm,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

art. 312 Wetboek van Strafrecht

art. 47 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PLPL0920/2014054976, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL2219-2014061937-13, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

3 Proces-verbaal van aangifte, pagina 21.

4 Proces-verbaal van verhoor, pagina 23.

5 Proces-verbaal van verhoor, pagina 24.

6 Medische verklaring d.d. 7 mei 2014, pagina 48.

7 Proces-verbaal van verhoor, pagina 58.