Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7087

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
UTR 14/7066
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om vanwege overtreding van de Ffw handhavend op te treden tegen het bouwrijp maken van het plangebied Leeuwenveld 3 en 4. Voldoende aannemelijk dat ten tijde van een eind oktober 2014 verricht onderzoek nog niet alle rugstreeppadden in winterrust waren. Verweerder heeft, mede op basis van dit onderzoek, terecht gesteld dat van een overtreding van de Ffw geen sprake is. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/7066

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Flora & Faunabescherming Weesp, gevestigd te Weesp, verzoekster

(gemachtigde: mr. A.H. Jonkhoff),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. J. den Haan en mr. A.J. Bakker).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Blauwhoed Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Rotterdam, gemachtigde: mr. E. Dans.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om vanwege overtreding van de Flora- en faunawet (Ffw) handhavend op te treden tegen werkzaamheden van Blauwhoed Projectontwikkeling B.V. (Blauwhoed) in het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 te Weesp afgewezen.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2014. Namens verzoekster zijn verschenen [A], voorzitter, en [B], secretaris, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Namens Blauwhoed zijn verschenen [C], directeur, [D] en [E],
allen werkzaam bij Blauwhoed, en [F], directeur, [G] en [H], allen werkzaam bij de Antea Group, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in een eventuele latere bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

  2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Het project Leeuwenveld 3 en 4 bestaat uit het realiseren van 222 woningen aan de zuidkant van de Bloemendalerpolder, in het verlengde van het al gerealiseerde project Leeuwenveld 1 en 2. Het project Leeuwenveld 3 en 4 zal in vijf fasen (A t/m E) worden gerealiseerd. Fase A ziet op de bouw van 51 woningen. Naast het project Leeuwenveld zijn in de Bloemendalerpolder nog 2.750 woningen voorzien. De planning is dat dit project tot 2027 in verschillende fasen wordt gerealiseerd.

2.2

Op 10 oktober 2013 heeft Blauwhoed voor het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 voor de heikikker, de rugstreeppad en de ringslang een ontheffing op grond van artikel 75, derde lid, van de Ffw aangevraagd. Bij besluit van 25 maart 2014 heeft verweerder dit verzoek om deze ontheffing afgewezen omdat deze dieren niet in dit plangebied voorkomen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 11 april 2014 (zaaknummer UTR 14/2309) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. In mei 2014 heeft Blauwhoed op een gedeelte van het plangebied Leeuwenveld 3 en 4, te weten het gedeelte dat ziet op Fase A en een deel van het plangebied dat ziet op Fase B, een laag zand aangebracht, met als doel de onder gelegen zachte veengrond te laten inklinken.

2.3

Verzoekster heeft verweerder bij brief van 25 augustus 2014 verzocht om handhavend op te treden tegen werkzaamheden in de Bloemendalerpolder te Weesp omdat voor deze werkzaamheden een ontheffing op grond van artikel 75, derde lid, van de Ffw is vereist. Het verzoek betreft met name het bouwrijp maken van het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 door Blauwhoed en het aanleggen van een bouw-weg door GEM Bloemendalerpolder C.V. In aanvulling op dit verzoek heeft verzoekster op 29 september 2014 het door haar zelf opgestelde rapport ‘Inventarisatie Herpetofauna Bloemendalpolder Weesp 2014’ (het inventarisatierapport) overgelegd.

2.4

Naar aanleiding van het verzoek om handhaving heeft, op initiatief van verweerder, gedurende de periode van 23 tot en met 31 oktober 2014 een veldinventarisatie plaatsgevonden. Deze veldinventarisatie is uitgevoerd door ecoloog [I], werkzaam bij RAVON (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland), namens verzoekster, en medewerkers van de Antea Group, namens Blauwhoed.

2.5

Op 28 november 2014 heeft verweerder Blauwhoed een vooraankondiging tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd om te voorkomen dat zij het bouwproces opstart. Tegen dit voornemen heeft Blauwhoed op 1 december 2014 een zienswijze ingediend. Verzoekster heeft op 30 november 2014 per mail en op 3 december 2014 per brief een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om handhaving afgewezen. In het bestreden besluit is toegelicht dat Blauwhoed het bouwproces uitsluitend zal opstarten in het gedeelte van het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 waar nu zand ligt, in welk gedeelte geen beschermde inheemse diersoorten in de zin van de Ffw zitten. Dit gedeelte van het plangebied, dat op de bijlage bij de vooraankondiging is aangeduid, bestaat uit fase A en een gedeelte van fase B. In het bestreden besluit is verder toegelicht dat Blauwhoed heeft aangegeven ontheffing te zullen aanvragen voor de ontwikkeling van het overige deel van Leeuwenveld 3 en 4 en het amfibieënscherm strak te plaatsen rond het gedeelte waar zand is aangebracht en dit goed te blijven controleren.

4. Blauwhoed heeft toegelicht dat het voor haar van groot belang is dat zij nog dit kalenderjaar een aanvang kan maken met de bouwwerkzaamheden. Op grond van de koopovereenkomsten kan de grond pas aan de kopers geleverd worden als bouwwerkzaamheden zijn aangevangen. Aangezien een deel van de kopers gebruik wil maken van de schenkingsvrijstelling, die per 1 januari 2015 vervalt, bestaat het risico dat zij gebruik zullen maken van de mogelijkheid om de koopovereenkomst te ontbinden indien de grond niet voor 1 januari 2015 wordt geleverd.

5. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat zij een voorziening vraagt vanwege de bouwwerkzaamheden die Blauwhoed wil gaan verrichten in het gedeelte van Leeuwenveld 3 en 4 waar nu zand ligt. Daarnaast vraagt zij een voorziening vanwege de door GEM Bloemdalerpolder C.V. aan te leggen bouw-weg. Verzoekster heeft ter zitting gesteld dat zij van een VvE van de nieuw in de Bloemendalerpolder op te richten woningen, ten noorden van het project Leeuwenveld, heeft begrepen dat er in dit gebied in maart 2015 wordt gestart met de bouwwerkzaamheden, hetgeen betekent dat de bouw-weg nog daarvoor zal worden gerealiseerd.


Bouw-weg GEM Bloemendalerpolder C.V.

6.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het verzoek om handhaving van 25 augustus 2014 blijkt dat dit verzoek ook gericht is op de aanlegging van de bouw-weg. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat op dit punt van het verzoek in het bestreden besluit niet is beslist.

6.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zij in augustus 2014 voor het laatst contact heeft gehad met GEM Bloemendalerpolder C.V. Toen is aangegeven dat de werkzaamheden met betrekking tot de bouw-weg niet eerder zouden starten dan in augustus 2015. Verweerder heeft ter zitting toegezegd dat zij verzoekster uiterlijk twee weken na de zitting, dus uiterlijk
2 januari 2015, schriftelijk zal berichten wanneer Gem Bloemendalerpolder C.V. voornemens is om te starten met het realiseren van de bouw-weg.

6.3

Aangezien niet is komen vast te staan dat de bouw-weg op zeer korte termijn zal worden gerealiseerd, ziet de voorzieningenrechter in dit gedeelte van het verzoek en met inachtneming van de door verweerder ter zitting gedane toezegging geen aanleiding om een voorziening te treffen. Bij het nemen van een beslissing op het door verzoekster gemaakte bezwaar dient verweerder wel, alsnog, in te gaan op het verzoek van verzoekster om ook tegen de te realiseren bouw-weg handhavend op te treden.

7. Het betoog van verzoekster dat de bouwwerkzaamheden van Blauwhoed in het gedeelte van het plangebied waar nu zand ligt in strijd zijn met de Ffw betreft, zo heeft zij ook ter zitting bevestigd, met name de heikikker en de rugstreeppad.

Heikikker

8.1

Ten aanzien van de heikikker heeft verweerder desgevraagd ter zitting toegelicht dat het niet aannemelijk is dat deze voorkomt in het gedeelte van het plangebied waar nu zand ligt, aangezien zand voor de heikikker niet de natuurlijke habitat is.

8.2

Verzoekster betwist dit niet. Zij betoogt echter dat uit het inventarisatierapport blijkt dat de heikikker in augustus 2014 wel in het totale plangebied Leeuwenveld 3 en 4 is aangetroffen, vlakbij het gedeelte waar nu zand ligt. Verzoekster stelt dat het totale plangebied, inclusief het gedeelte waar nu zand ligt, oorspronkelijk deel heeft uitgemaakt van het leefgebied van de heikikker en dat dit gebied door verweerder bij zijn beoordeling van het verzoek om handhaving niet mag worden opgeknipt. Om die reden zijn de beoogde bouwwerkzaamheden in strijd met artikel 11 van de Ffw, aldus verzoekster.

8.3

Blauwhoed heeft ter zitting betoogd dat zij, gelet op de door verweerder bij besluit van
25 maart 2014 geweigerde ontheffing, de uitspraak van de voorzieningenrechter van
11 april 2014 en het vervolgens door verzoekster intrekken van haar bezwaarschrift, legaal heeft gehandeld toen zij in mei 2014 het zand op een gedeelte van het plangebied heeft aangebracht. De beoogde werkzaamheden zien op het gedeelte van het plangebied waar het zand ligt. Aangezien dit gedeelte momenteel geen deel meer uitmaakt van het leefgebied van de heikikker, zijn de beoogde werkzaamheden niet in strijd met artikel van de Ffw.

8.4

Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature in Nederland voorkomende soorten amfibieën en reptielen. Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat de heikikker en de rugstreeppad beschermde inheemse diersoorten in de zin van de Ffw zijn.


Op grond van artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Op grond van artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Op grond van artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Artikel 75, derde lid, van de Ffw bepaalt dat verweerder ontheffing kan verlenen van onder meer de hiervoor genoemde verboden.

8.5

Verzoekster heeft haar bezwaar tegen de op 25 maart 2014 geweigerde ontheffing ingetrokken, zodat van de rechtmatigheid van dit besluit en de verrichte werkzaamheden, het in mei 2015 opbrengen van het zand in een gedeelte van het plangebied, moet worden uitgegaan. Verder is tussen partijen niet in geschil dat zand niet de natuurlijke habitat van de heikikker is, zodat dit dier, ook na de winterrust, niet in het gebied met zand zal verblijven. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beoogde bouwwerkzaamheden van Blauwhoed voor wat betreft de heikikker niet in strijd zijn met de Ffw.

8.6

De door verweerder ter zitting gegeven motivering om ten aanzien van de heikikker niet handhavend op te treden, blijkt niet uit het bestreden besluit. Verweerder kan dit, zoals uit het voorgaande blijkt, herstellen door in de te nemen beslissing op bezwaar alsnog een dragende motivering op te nemen. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Rugstreeppad

9.1

Verzoekster heeft betoogd dat de beoogde bouwwerkzaamheden in strijd zijn met de artikelen 9 en 11 van de Ffw. Zij heeft gesteld dat het, mede gelet op het inventarisatierapport, waaruit blijkt dat op 24 augustus 2014 een rugstreeppad in het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 is waargenomen en op 14 augustus 2014 een tweetal op de rand ervan, aannemelijk is dat er rugstreeppadden verblijven in het gebied waar het zand is opgebracht en dat deze inmiddels in winterrust zijn. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat uit de door haar overgelegde foto’s en verklaringen van een zestal omwonenden blijkt dat het door Blauwhoed aangebrachte amfibieënscherm om het gedeelte van het gebied waar het zand is opgebracht met name in de periode waarin de rugstreeppad een winterverblijf opzoekt niet heeft gefunctioneerd. Daar komt bij - dat is tussen partijen niet in geschil - dat zand voor de rugstreeppad een zeer geschikte winterverblijfplaats is. Verzoekster heeft in dit verband gewezen op de e-mail van [I] van RAVON van 9 september 2014, waarin dit wordt bevestigd. Volgens verzoekster kan uit de in oktober 2014 uitgevoerde veldinventarisatie, waarbij de rugstreeppad niet is aangetroffen in het gebied waar het zand is opgebracht, niet de conclusie worden verbonden dat er geen rugstreeppadden in dit gebied verblijven. Verzoekster stelt dat de rugstreeppadden ten tijde van dit onderzoek, van 24 tot en met 31 oktober 2014, al in winterrust waren. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat uit de door verweerder opgestelde Soortenstandaard voor de rugstreeppad blijkt dat dit dier onder normale omstandigheden in oktober al in winterrust is. Aangezien de gemiddelde minimumtemperatuur begin oktober 10˚ C is, moet er van worden uitgegaan dat de rugstreeppad beneden deze temperatuur in winterrust gaat, aldus verzoekster. Aangezien de temperatuur vanaf 1 september 2014 ’s nachts al regelmatig lager is geweest dan 10˚ C, was de rugstreeppad ten tijde van het onderzoek dus al in winterrust. Verder heeft verzoekster een overzicht overgelegd van de website waarneming.nl, waarop waarnemingen van dieren in het veld worden geregistreerd. Uit dit overzicht blijkt volgens verzoekster dat het aantal waarnemingen van de rugstreeppad in september 2014 al drastisch is afgenomen ten opzichte van de voorgaande maanden en dat er geen grote verschillen zijn tussen het verloop van de waarnemingen in 2013, toen het kouder was, en 2014. Daarnaast heeft verzoekster een brief overgelegd van ecoloog [J] van Els & Linde B.V.. Zijn conclusie is dat het zeer aannemelijk is dat de hele populatie rugstreeppadden uit de Bloemendalerpolder in de zandplaat overwintert.

9.2

In het bestreden besluit is gesteld dat het onvoldoende aannemelijk is dat er rugstreeppadden in het met zand bedekte gedeelte van het plangebied zitten. Hierbij is gewezen op het resultaat van de in oktober 2014 verrichte inventarisatie en het in 2014 in de Bloemendalerpolder verrichte veldonderzoek door Bureau Waardenburg B.V. Verder is gesteld dat er volgens de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) in de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen van de rugstreeppad uit het plangebied bekend zijn. In het bestreden besluit is erkend dat het amfibieënscherm in ieder geval tot begin oktober 2014 niet volledig heeft gefunctioneerd. Maar dit leidt niet tot een andere conclusie, omdat Blauwhoed voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de rugstreeppad door het extreem warme najaar in 2014 ten tijde van de in oktober 2014 verrichte inventarisatie nog niet in winterrust was. In dit verband is er op gewezen dat in vergelijkbare naburige veenweidegebieden op 9, 11 en 14 oktober 2014 nog wel waarnemingen van de rugstreeppad zijn gedaan en dat uit waarneming.nl blijkt dat er ook op 4 en 15 november 2014 nog waarnemingen zijn gedaan in vergelijkbare veengebieden.

9.3

Blauwhoed heeft gesteld dat de waarnemingen uit het inventarisatierapport niet verifieerbaar zijn. Zij heeft er verder gewezen op de notitie van Bureau Waardenburg van 23 oktober 2014 betreffende plangebied 1A/1B, direct ten noorden van Leeuwenveld 3 en 4. Deze notitie is opgesteld op basis van onderzoek dat is verricht in de periode van maart tot en met oktober 2014. Ten aanzien van de rugstreeppad is de conclusie dat deze in deelgebied 1A/1B uitsluitend incidenteel te verwachten is, zwervend vanuit de aanpalende locaties ten noorden van deelgebied 1A/1B. Het deelgebied 1A/1B zelf is niet of minder geschikt voor de rugstreeppad. Aangezien het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 voor de rugstreeppad alleen via plangebied 1A/1B te bereiken is, zijn ook daar slechts incidenteel exemplaren te verwachten, aldus Blauwhoed. Blauwhoed heeft verder gewezen op publicaties van RAVON waaruit volgt dat er van uit mag worden gegaan dat de rugstreeppad pas bij (nacht)temperaturen van beneden de 6˚ C definitief zijn winterverblijf opzoekt. Blauwhoed heeft in dit verband gewezen op passages uit het boek ‘De amfibieën en reptielen van Nederland’ en een natuurbericht van 17 november 2010 waarin staat de rugstreeppad dat jaar waarschijnlijk nog actief was vanwege het zachte novemberweer, met temperaturen rond de
6 tot 10˚ C. Blauwhoed heeft gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de temperatuur bij Schiphol, dat is gelegen nabij het plangebied, in de maand oktober 2014 niet lager is geweest dan 6˚ C.

10. De voorzieningenrechter ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag welke waarde moet worden gehecht en welke conclusies kunnen worden verbonden aan het in oktober 2014 verrichte onderzoek.

10.1

Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van de amfibieënschermen in ieder geval tot 1 oktober 2014 niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Gedurende de periode van 24 tot en met 31 oktober 2014 is op de zandplaat veldonderzoek verricht. Bij de opzet van dit onderzoek zijn zowel verzoekster als Blauwhoed betrokken. Er is gekozen voor de zogenoemde plaatjesmethode. Ter verificatie van de onderzoeksresultaten heeft [I] van RAVON, die namens verzoekster bij het onderzoek was betrokken, eenzelfde onderzoek verricht op een andere locatie in de Bloemendalerpolder, nabij het Papelaantje. Vast staat dat zowel bij het onderzoek op de zandplaat als bij het verificatieonderzoek geen rugstreeppadden zijn aangetroffen.

10.2

Uit een e-mail van [I] aan [G] van de Antea Group van 22 oktober 2014 maakt de voorzieningenrechter op dat hij de periode om naar de rugstreeppad te zoeken, anders dan bij de heikikker, niet op voorhand ongeschikt achtte. In deze e-mail staat onder meer het volgende:


‘het (in de mail van de heer [G] voorgestelde, toevoeging voorzieningenrechter) tijdstip (de vroege ochtend) is niet juist voor de rugstreeppad: aangezien een deel van de populatie al in winterslaap is, hopen we met die platen nu juist nog actieve, eventueel foeragerende rugstreeppadden te vinden die zich opwarmen onder de platen en daarvoor is de schemering/vroege avond het enige juiste tijdstip - in de ochtend zijn die al lang en breed weer ingegraven en nagenoeg onvindbaar. Wat betreft de heikikker, zoals ik in mijn eerder reactie al duidelijk maakte is het nu niet meer mogelijk relevante informatie van deze soort te verzamelen. (…)’

10.3

In een e-mail van 3 december 2014, gericht aan verzoekster en verweerder, heeft [I] uiteengezet welke conclusies naar zijn mening uit het verrichte onderzoek kunnen worden getrokken:

‘- ik acht het niet aannemelijk dat er grote aantallen rugstreeppadden overwinteren/verblijven op de zandplaat, dit betekent dus dat de gunstige staat van instandhouding van deze soort niet in geding is, maar dat het niet uit te sluiten is dat er individuele exemplaren verblijven op de zandplaat.
- aangaande het extra werk in oktober het volgende: omdat de afzetting van het terrein niet constant goed heeft gefunctioneerd, is er mede op mijn initiatief een extra controle geweest om de aan- of afwezigheid van de rugstreeppad op de zandplaat te onderzoeken. Daartoe zijn tientallen houten platen neergelegd op de zandplaat. Omdat dit alles plaatsvond op het randje van de activiteitsperiode van de rugstreeppad is een referentie in een vergelijkbaar gebied nodig om aan te kunnen tonen dat de rugstreeppad nog actief was - gelukkig bevinden zich in de directe nabijheid enkele vergelijkbare plekken met rugstreeppadden. Gedurende de bezoeken zijn zowel op de zandplaat als ook in de referentiegebieden geen rugstreeppadden waargenomen: enerzijds een teken dat het seizoen grotendeels voorbij was voor deze soort en een deel van de dieren in hun winterverblijf zit - anderzijds ook een signaal dat er geen grote hoeveelheden rugstreeppadden op de zandplaat zitten want de bewuste avonden in oktober waren relatief mild en er zijn in oktober door heel Nederland nog rugstreeppadden gezien, ook in vergelijkbaar veenweidegebied (tot nu toe 42 meldingen in de NDFF).’

10.4

In een e-mail van 4 december 2014, gericht aan verzoekster, heeft [I] zijn standpunt nogmaals herhaald:

‘het klopt date het niet aannemelijk is dat er (grote aantallen) rugstreeppadden op de bewuste zandplaat zitten, daarmee valt niet uit te sluiten dat er individuele exemplaren zitten (dat kun je in leefgebied van de rugstreeppad eigenlijk nooit: mobiele soort met gravende leefwijze) maar de gunstige staat van instandhouding van die soort in de polder is niet in het geding. (…)’

10.5

Verzoekster heeft betoogd dat aan het in oktober 2014 verrichte onderzoek geen andere conclusie kan worden verbonden dan dat de rugstreeppad ten tijde van dit onderzoek al in winterrust verkeerde. De voorzieningenrechter volgt deze uitleg niet. Verzoekster heeft weliswaar terecht gesteld dat uit de Soortenstandaard blijkt dat als hoofdregel kan worden aangehouden dat de rugstreeppad in oktober in winterrust gaat, uit de Soortenstandaard blijkt echter ook dat het mogelijk is dat de rugstreeppad in november in winterrust gaat en dat het exacte moment waarop de rugstreeppad in winterrust gaat kan variëren, afhankelijk van de lokale klimatologische en meteorologische omstandigheden. Blauwhoed heeft met de door haar overgelegde gegevens voldoende aangetoond dat de maand oktober 2014 dermate zacht is geweest dat het aannemelijk is dat ten tijde van het onderzoek eind oktober 2014 nog niet alle rugstreeppadden hun winterverblijf hadden opgezocht. Dit blijkt ook uit de mail van [I] van 3 december 2014, waarin staat dat de avonden waarop de waarnemingen zijn gedaan relatief mild waren, op basis waarvan hij tot de conclusie komt dat er nog wel rugstreeppadden hadden kunnen worden aangetroffen. Daar komt bij dat zowel uit de NDFF als uit waarnemingen.nl blijkt dat de rugstreeppad - zij het zeer sporadisch - ook in november 2014 nog wel in vergelijkbare gebieden is waargenomen.

11. Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verweerder, mede gelet op dit onderzoek, heeft kunnen concluderen dat van een overtreding van de Ffw geen sprake is omdat er onvoldoende indicatie is dat de rugstreeppad wel op de zandplaat voorkomt.

11.1

Verweerder heeft door middel van een door hem overgelegde e-mail van ecoloog [K] van 16 december 2014 toegelicht dat er ondanks intensief onderzoek geen rugstreeppadden in het met zand bedekte gebied zijn gevonden. Het rapport van Adviesbureau Els & Linde en het betoog van verzoekers is volgens verweerder gebaseerd op verkeerde aannames, namelijk dat de rugstreeppad op 22 oktober 2014 al in winterrust was en dat de amfibieënschermen tot 22 oktober 2014 niet goed hebben gefunctioneerd, terwijl de schermen vanaf 1 oktober 2014 grotendeels adequaat hebben gefunctioneerd. Verweerder stelt, onder verwijzing naar de e-mail van [I] van 3 december 2014, dat het weliswaar nooit 100% is uit te sluiten dat een soort aanwezig is, maar dat op basis van de resultaten van het veldonderzoek in oktober wel met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden geconcludeerd dat er geen rugstreeppadden aanwezig zijn op de zandplaat.

11.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat de beoogde activiteiten van Blauwhoed niet in strijd zijn met Ffw. Hij overweegt daartoe allereerst dat er nimmer waarnemingen zijn gedaan van rugstreeppadden op de zandplaat. Ook bij het verrichte veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan, terwijl het – zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen – niet aannemelijk is dat al alle rugstreeppadden in de betreffende onderzoeksperiode in winterrust waren. [I] concludeert ten aanzien van dit onderzoek dat het niet aannemelijk is dat er rugstreeppadden overwinteren/verblijven op de zandplaat, maar dat het niet uit te sluiten is dat er individuele exemplaren verblijven op de zandplaat. In zijn e-mail van 4 december 2014 schrijft hij echter ook dat het nooit is uit te sluiten dat er in het leefgebied van de rugstreeppad individuele exemplaren zitten. Daarnaast is uit de notitie van Bureau Waardenburg van 23 oktober 2014 af te leiden dat de rugstreeppad slechts incidenteel in het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 zal verblijven en dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat er volgens de NDFF in de laatste tien jaar geen waarnemingen in dit gebied bekend zijn. De enkele waarneming van verzoekster op 24 augustus 2014 van een rugstreeppad in het plangebied, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat deze waarneming is gedaan buiten de zandplaat, dat Blauwhoed onweersproken heeft gesteld dat niet verifieerbaar is of de waarneming überhaupt in het plangebied Leeuwenveld 3 en 4 is gedaan en dat verweerder in het door verzoekster gedane verzoek om handhaving en het door haar overgelegde inventarisatierapport aanleiding heeft gezien om het hiervoor besproken nadere onderzoek te laten verrichten. Het rapport van Els & Linde leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft ten aanzien van dit onderzoek terecht gesteld dat de conclusie is gebaseerd op een aantal onjuiste aannames.

12. Ten aanzien van de overige in het verzoek om handhaving genoemde diersoorten is niet gesteld en is de voorzieningenrechter ook niet gebleken dat er aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen.

13. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor de verwachting dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand kan blijven. Bij het nemen van de beslissing op bezwaar dient verweerder wel de in deze uitspraak geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen en in te gaan op de overige gronden die verzoekster in bezwaar heeft aangevoerd. Er is derhalve geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.