Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:705

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
16/700911-12; 16/604086-10 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezit en verspreiden van kinderporno, verboden (imitatie) vuurwapenbezit. Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en de tenuitvoerlegging van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/700911-12; 16/604086-10 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te[woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2013 en 10 februari 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J. Bredius, advocaat te Zeist.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: In de periode van 7 oktober 2011 tot en met 22 mei 2012 een gewoonte

heeft gemaakt van het in het bezit hebben van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal, dan wel van het openlijk tentoon stellen en/of het vervaardigen en/of het invoeren en/of het doorvoeren en/of het uitvoeren daarvan.

Feit 2: In de periode van 3 april 2011 tot en met 10 februari 2012 een gewoonte
heeft gemaakt van het verspreiden van kinderpornografisch materiaal.

Feit 3: Op 22 mei 2012 een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van alle feiten nietig, dan wel partieel nietig is.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft hij bepleit dat uit de tekst van de tenlastelegging niet duidelijk blijkt om welke foto’s/afbeeldingen het gaat. In de tenlastelegging is wel een omschrijving opgenomen van de gedragingen welke te zien zouden zijn op de afbeeldingen, maar niet is duidelijk om welke afbeeldingen het gaat.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman bepleit dat de tekst van de tenlastelegging niet conform artikel 2, eerste lid, onder zeven van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) is. Gelet op de tekst van de tenlastelegging, in relatie tot artikel 2, eerste lid, onder zeven WWM, kan niet bewezen worden dat het aangetroffen wapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft bepleit dat sprake is van ne bis in idem. Verdachte is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 22 september 2011 veroordeeld voor dezelfde feiten en ten aanzien van dezelfde foto’s als waar onderhavige zaak op ziet. Iemand tweemaal vervolgen voor hetzelfde feit is naar de letter van de wet niet toegestaan.

Ten tweede heeft de raadsman bepleit dat er een ne bis in idem-situatie bestaat ten aanzien van feit 2 ten opzichte van feit 1. Onder feit 1 is –hetzij impliciet– het verspreiden van kinderpornografisch materiaal ten laste is gelegd. Dit is ook onder feit 2 aan verdachte ten laste gelegd, zodat sprake is van vervolging voor twee maal hetzelfde feit.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De geldigheid van de dagvaarding

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 geldig is.

Wat betreft de feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat in het dossier een collectiescan van het aangetroffen kinderpornografische materiaal is opgenomen. In deze zogenoemde kruistabel is aangegeven van welke gedragingen/handelingen sprake is op alle aangetroffen afbeeldingen. Deze handelingen zijn vervolgens omschreven in de tenlastelegging. Daarmee is voldaan aan de eisen die de wet stelt.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ne bis in idem. Verdachte wordt niet nogmaals vervolgd voor het vervaardigen van de afbeeldingen. De strafbare feiten waar verdachte thans voor wordt vervolgd, zien bovendien op een andere periode dan de periode waarvoor verdachte is veroordeeld bij vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 september 2011. Van vervolging voor hetzelfde feit als waarvoor verdachte reeds veroordeeld is, is dan ook geen sprake.

Evenmin bestaat een ne bis in idem-situatie van feit 2 ten opzichte van feit 1. Het onder feit 1 ten laste gelegde ziet op het bezit van kinderpornografisch materiaal. Feit 2 ziet op het verspreiden daarvan. Van een dubbele vervolging is geen sprake.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De geldigheid van de dagvaarding

Op grond van artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit. De tenlastelegging dient een feitelijke omschrijving te omvatten van het strafbare feit dat de verdachte verweten wordt gepleegd te hebben.

Ten aanzien van feit 1 en 2

De Hoge Raad heeft op 20 december 2011 (LJN: BS1739) beslist dat aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Zonder feitelijke omschrijving van de afbeeldingen in de tenlastelegging voldoet de tenlastelegging niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging een feitelijke omschrijving omvat van de totale hoeveelheid foto’s die zijn aangetroffen. In het dossier is een kruistabel opgenomen, betreffende een collectiescan van het totale aantal aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen. Uit deze collectiescan volgt wat er op de aangetroffen afbeeldingen te zien is. De feitelijke tekst van de tenlastelegging is daarop gebaseerd.

Daarbij wordt nog opgemerkt dat de rechtbank tijdens de terechtzitting van 10 februari 2014 in raadkamer kennis heeft genomen van de afbeeldingen en heeft vastgesteld dat daarop is te zien wat in de tenlastelegging is omschreven. De raadsman heeft ter terechtzitting duidelijk gemaakt dat de verdediging niet betwist dat op de aangetroffen afbeeldingen te zien is wat er in de tenlastelegging is omschreven en dat er geen behoefte aan bestaat kennis te nemen van de afbeeldingen. De rechtbank stelt dan ook vast dat het ook voor verdachte duidelijk is waar de verdenking op ziet en waartegen hij zich dient te verweren.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 en 2 geldig.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft bepleit dat de tekst van de tenlastelegging niet conform artikel 2, eerste lid, onder zeven WWM is, omdat daarin niet is opgenomen dat het wapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

Volgens artikel 13, eerste lid WWM juncto artikel 55, eerste lid WWM is het verboden een wapen van categorie I voor handen te hebben. Dit is de strafbaarstelling waar de tekst van de tenlastelegging op gebaseerd dient te worden. Vervolgens is van belang dat het voor verdachte duidelijk is om wat voor wapen het gaat. Welke wapens onder categorie I vallen, staat vervolgens opgenomen in artikel 2 WWM.

In onderhavige zaak wordt het verdachte verweten dat hij een wapen van categorie I, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid onder 7 WWM voor handen heeft gehad. Duidelijk is in de tenlastelegging omschreven om wat voor wapen het gaat en met die feitelijke omschrijving is voldaan aan de eis van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Niet is vereist dat in de tekst van de tenlastelegging wordt opgenomen dat het betreffende wapen voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 geldig.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman is aangevoerd dat sprake is van een ne bis in idem, wat -volgens de raadsman- zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging dan wel vrijspraak. Bij een geslaagd beroep op het ne bis in idem-beginsel, zal het rechtsgevolg evenwel de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zijn. De rechtbank zal om die reden het verweer van de raadsman als zijnde gericht op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie opvatten en beoordelen.

Het ne bis in idem-beginsel vindt zijn grondslag in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht waarin wordt bepaald dat ‘niemand andermaal kan worden vervolgd voor een feit waarvoor te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland (…) onherroepelijk is beslist’. Verdachte is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 22 september 2011 veroordeeld voor –onder andere– het verspreiden, vervaardigen en het in bezit hebben van afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken. Op al deze afbeeldingen was hetzelfde slachtoffer als in onderhavige zaak, te weten [slachtoffer ], te zien. De periode waarop de veroordeling van 22 september 2011 ziet is 1 augustus 2006 tot en met 10 september 2009. Dit vonnis is op 7 oktober 2011 onherroepelijk geworden.

Alhoewel het in onderhavige strafzaak wederom gaat om het verspreiden en het in bezit hebben van dezelfde afbeeldingen als waarop de veroordeling van verdachte op 22 september 2011 ziet, gaat het thans om een andere periode. Onder feit 1 wordt verdachte verweten –kort gezegd– dat hij in de periode van 7 oktober 2011 tot en met 22 mei 2012 foto’s in zijn bezit heeft gehad. Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 3 april 2011 tot en met 10 februari 2012 dezelfde foto’s heeft verspreid. Van een vervolging voor hetzelfde feit als waarvoor verdachte reeds onherroepelijk is veroordeeld is dan ook geen sprake. Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat sprake is van ne bis in idem van feit 2 ten opzichte van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Ter terechtzitting van 25 november 2013 heeft de officier van justitie, op de vraag van de voorzitter, duidelijk gemaakt dat het onder 1 ten laste gelegde feit ziet op de 18 afdrukken van foto’s die zijn aangetroffen én de 81 afbeelding die zijn aangetroffen op de CD-ROMS én de foto die is aangetroffen op de mobiele telefoon van verdachte. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie duidelijk gemaakt dat dit feit ziet op de afbeeldingen die op internet zijn geplaatst. Ter terechtzitting van 10 februari 2014 heeft de officier van justitie nogmaals benadrukt dat feit 1 ziet op het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal en dat feit 2 ziet op het verspreiden daarvan.

Gelet op deze uitleg van de officier van justitie, alsmede gelet op het duidelijke verschil in aantal afbeeldingen dat is opgenomen onder feit 1 en feit 2 in samenhang met de inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat het evident is, en dat dat ook verdachte duidelijk heeft kunnen zijn, dat de officier van justitie heeft bedoeld onder feit 1 aan verdachte te laste te leggen het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal en onder feit 2 het verspreiden daarvan.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in haar vervolging.

Voor het overige heeft de rechtbank vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hiertoe heeft de raadsman –onder meer– het volgende aangevoerd:

Het staat niet onomstotelijk vast dat het verdachte is geweest die de foto’s op internet heeft gezet. Niet kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte gebruik heeft gemaakt van het e-mailadres en het IP-adres welke te linken zijn aan het plaatsen van de betreffende afbeeldingen. Het e-mailadres kan door een ieder zijn gebruikt. Daarnaast circuleerden de afbeeldingen al op internet en waren zo voor een ieder vrij toegankelijk om te verspreiden. Verdachte dient van het aan hem onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het nagebootste vuurwapen is in een kast aangetroffen. Derhalve was het vuurwapen niet voor bedreiging of afdreiging geschikt. Verdachte dient van het aan hem onder 3 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3.1

De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

Getuige [getuige] gaf aan dat ze op de internetsite [site 1] pornografische foto’s was tegengekomen van [slachtoffer ].1 Het ging om het album met albumcode [code]. De foto’s waren geplaatst op:

03-04-2011

15-04-2011

19-11-2011

29-11-20112

04-12-2011

24-12-2011

06-01-2012

12-01-2012

10-02-2012.

Op deze data was het gehele album, of gedeeltes van het album met de albumcode [code], door de gebruiker met het e-mailadres [e-mailadres] geplaatst.3 Aan het e-mailadres [e-mailadres] was het IP-adres [nummer 1] gekoppeld. Bij dit IP-adres hoorde de tenaamstelling: [verdachte], [adres].4 Op de site was ook ingelogd vanuit IP-adres [nummer 2].5 Dit IP-adres behoorde vanaf 1 februari 2012 bij [adres].6 De naw-gegevens die hierbij horen zijn [verdachte] [adres].7

Op 22 mei 2012 vond een doorzoeking plaats in de woning ’[adres]. Verdachte werd aangehouden.8 Er werden een 18-tal kleurenafdrukken in beslag genomen.9 Verbalisant [verbalisant 1] herkende het meisje op de afbeeldingen als [slachtoffer ] en kwalificeerde alle afdrukken als kinderpornografisch van aard.10 Ook werden er CD-ROMS in beslag genomen.11 In totaal werden daarop 81 afbeeldingen aangetroffen die als kinderpornografisch werden gekwalificeerd.12 Tijdens de doorzoeking werd voorts een Samsung in beslag genomen.13 In deze telefoon stond een contact genaamd [e-mailadres] en werd een afbeelding aangetroffen die overeenkwam met 1 van de 18 geprinte foto’s die ook bij de doorzoeking waren aangetroffen.14

Verdachte heeft hierover verklaard dat het klopt dat een mapje met foto’s van [slachtoffer ] in zijn kamer is aangetroffen.15 Ten aanzien van de foto’s die zijn aangetroffen op de CD-ROMS heeft verdachte verklaard dat hij al bang was dat de foto’s daar tussen zouden zitten. Hij had geen zin om alle cd’s na te kijken en ze weg te gooien.16

Ter terechtzitting van 10 februari 2014 heeft de rechtbank, na het bekijken van prints van alle aangetroffen afbeeldingen, vastgesteld dat daarop de gedragingen te zien zijn, zoals omschreven onder feit 1 en 2 op de tenlastelegging.17

In de slaapkamer van verdachte is op 22 mei 2012 voorts een vuurwapen aangetroffen.18 Op dit punt heeft verdachte verklaard dat het wapen van hem was.19 Dit wapen is een voorwerp in de vorm van een pistool, merk HFC, model Lightning Star, kaliber 6mm. Het betreft een voorwerp dat voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met echt bestaande vuurwapens en is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder 7 van de WWM.20

4.3.2

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2



De officier van justitie heeft aangegeven dat 20 van de 29 afbeeldingen bedoeld in feit 2 zien op de afbeeldingen zoals die zijn geplaatst en aangetroffen op de site [site 2]. Volgens de inhoud van het dossier zouden deze afbeeldingen geplaatst zijn ‘six months ago’. Nu op grond van dit enkele gegeven niet is vast te stellen of deze 20 afbeeldingen binnen de tenlastegelegde periode op internet zijn verspreid of daarvoor, wordt verdachte van het verspreiden van deze 20 afbeeldingen vrijgesproken.

4.3.3

Aanvullende bewijsoverweging

Verdachte is door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 22 september 2011 onder andere veroordeeld voor het -in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 10 september 2009- verspreiden en vervaardigen van afbeeldingen met daarop seksuele gedragingen van [slachtoffer ], die toen nog geen 18 jaar was. Dit vonnis is op 7 oktober 2011 onherroepelijk geworden.

Onderhavige strafzaak ziet op dezelfde afbeeldingen van [slachtoffer ], welke afbeeldingen verdachte na het vonnis van 22 september 2011 nog in zijn bezit had en op meerdere data na 10 september 2009 op het internet heeft geplaatst.

Gelet op de eerdere veroordeling van verdachte, alsmede gelet op de tijdspanne waarin verdachte de betreffende afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad en heeft geplaatst/verspreid op internet, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de strafverzwarende variant van het ‘gewoonte’ maken van het bezit en het verspreiden van de afbeeldingen van [slachtoffer ] welke als kinderpornografisch gekwalificeerd moeten worden.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

In de periode van 7 oktober 2011 tot en met 22 mei 2012 te [plaats] 18 foto's en gegevensdragers bevattende afbeeldingen (te weten meer cd-roms en een mobiele telefoon), telkens in bezit heeft gehad

terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

- het vaginaal penetreren met (een) vinger(s)/hand) van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en

- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand) en

- het geheel of gedeeltelijk naakt laten poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon door het camerastandpunt en de uitsnede van de afbeeldingen nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

2.

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 april 2011 tot en met 10 februari 2012 te [plaats], in elk geval in Nederland, 9 foto's, telkens heeft verspreid

terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

- het vaginaal penetreren (met (een) vinger(s)/hand) van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en

- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met (een) vinger(s)/hand) en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt laten poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon door het camerastandpunt en de uitsnede van de afbeeldingen nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld gebracht

worden waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

3.

op 22 mei 2012 te [plaats] een wapen van categorie I onder 7°, te weten een pistool, merk HFC, model Lighting Star, kaliber 6 mm, dat door zijn vorm en afmetingen een

sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

Feit 1: Van het plegen van het misdrijf van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben een gewoonte maken.

Feit 2: Van het plegen van het misdrijf van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden een gewoonte maken.

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie I.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een werkstraf aan verdachte op te leggen eventueel met daaraan gekoppeld een voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft afbeeldingen van slachtoffer [slachtoffer ] met daarop seksueel getinte gedragingen in zijn bezit gehad en op het internet verspreid. Het slachtoffer was ten tijde van het maken van deze foto’s 16 jaar oud, waardoor de afbeeldingen kinderpornografisch van aard zijn. Door het verspreiden van de foto’s van het slachtoffer heeft verdachte de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer in ernstige mate aangetast. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Te meer omdat verdachte in 2011 ook al is veroordeeld voor het in bezit hebben en verspreiden van dezelfde foto’s van dit slachtoffer. Verdachte was een gewaarschuwd mens. Kennelijk heeft deze veroordeling verdachte er echter niet van weerhouden nogmaals de fout in te gaan. In dit verband dient voorts opgemerkt te worden dat het dossier concrete aanwijzingen bevat dat verdachte op nog grotere schaal afbeeldingen van het slachtoffer op internet heeft gezet dan thans aan hem ten laste is gelegd maar dat dat buiten de tenlastegelegde periode zou hebben plaatsgevonden.

Voorts heeft verdachte door zijn handelswijze bijgedragen aan het in stand houden van de vraag van kinderpornografie.

Naast het in bezit hebben en verspreiden van kinderpornografische afbeeldingen, heeft verdachte ook een imitatie vuurwapen in zijn bezit gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens die zeer sterke gelijkenis vertonen met een echt vuurwapen kan een onaanvaardbaar risico voor de samenleving en de veiligheid van personen opleveren. Immers, niet zelden worden imitatievuurwapens gebruikt om gewapende overvallen te plegen of derden mee te bedreigen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 30 juli 2013. Hieruit volgt dat verdachte op 22 september 2011 is veroordeeld wegens het plegen van gelijksoortige strafbare feiten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. De tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf is thans ook aan de orde en zal onder rubriek 11 nader besproken worden.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op een Reclasseringsadvies d.d. 27 augustus 2012 en een ‘Voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever’. Hieruit volgt dat verdachte weinig problemen ondervindt in zijn leven. Het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een veroordeling wordt niet wenselijk geacht, gelet op het ontbreken van enige motivatie daartoe bij verdachte. De kans op recidive wordt gering ingeschat. De rechtbank plaatst bij dit laatste evenwel haar vraagtekens.

Uit het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 22 september 2011 volgt immers dat verdachte, nadat hij destijds door de politie was gehoord en spijt had betuigd, nog foto’s van het slachtoffer op het internet heeft verspreid. Vervolgens is verdachte hiervoor veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om ook na zijn veroordeling door te gaan met het plaatsen van foto’s van het slachtoffer op internet. Gelet op deze gang van zaken schat de rechtbank het recidiverisico hoger in dan de Reclassering.

Verdachte heeft geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijke als stok achter de deur, passend en geboden is. Gelet op de ernst van de feiten, alsmede het feit dat verdachte in 2011 ook al voor eenzelfde type feit is veroordeeld ten aanzien van foto’s van hetzelfde slachtoffer, zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

9 Het beslag

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de goederen, op de beslaglijst genummerd 4 en 7, te retourneren aan verdachte.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen, op de beslaglijst genummerd 1, 2, 3, 5 en 6, heeft de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer gevorderd.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de onder 1 genoemde pc aan de moeder van verdachte, en de onder 3 genoemde telefoon aan verdachte te retourneren.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen, zoals op de beslaglijst genummerd 1 tot en met 7.

Met betrekking tot de voorwerpen onder de nummers 1, 2, 3, 5 en 6 zijn de onder feit 1 en 2 bewezen geachte feiten begaan. Daarnaast zijn deze voorwerpen bestemd tot het begaan van dergelijke feiten en zijn zij van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De voorwerpen onder de nummers 1, 2, 3, 5 en 6 moeten dan ook worden onttrokken aan het verkeer.

De voorwerpen opgenomen onder de nummers 4 en 7 dienen aan verdachte geretourneerd te worden.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] in zijn geheel wordt toegewezen inclusief de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] af te wijzen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer ] heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 122,24 betreffende materiële schade en een bedrag van € 1.500,00 betreffende immateriële schade.

De behandeling van de vordering van [slachtoffer ], levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.722,24, te weten € 1.500,00 aan immateriële schade en € 122,24 aan materiële schade. De vordering kan dan ook in zijn geheel worden toegewezen inclusief de wettelijke rente berekend vanaf 15 februari 2012, zijnde de datum waarop [slachtoffer ] bekend is geworden met het feit dat de foto’s, waarop de bewezenverklaring onder feit 2 ziet, op internet circuleren.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering) aan verdachte opgelegd.

11 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

11.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging, betreffende een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, in zijn geheel toe te wijzen.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de stukken bevindt zich de op 8 juni 2012 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/604086-10, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 22 september 2011 van de meervoudige kamer in het arrondissement Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.

Tevens bevindt zich bij de stukken een kennisgeving, bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, gedateerd 10 oktober 2011.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel, te weten vier maanden gevangenisstraf, te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 36c, 36d, 36f. 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in haar vervolging;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: Van het plegen van het misdrijf van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben een gewoonte maken

Feit 2: Van het misdrijf van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden een gewoonte maken.

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie I.

- verklaart het bewezene strafbaar;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- bepaalt dat een gedeelte, te weten 5 (vijf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2(twee) jaren navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

Algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de goederen genummerd 1, 2, 3, 5 en 6;

- gelast de teruggave aan veroordeelde van de goederen genummerd 4 en 7;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer ] toe tot € 1.722,24 (zegge duizendzevenhonderd tweeëntwintig euro en vierentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 februari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer ] voornoemd;

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer ] aan de Staat € 1.722,24 (zegge duizendzevenhonderd tweeëntwintig euro en vierentwintig eurocent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 27 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 22 september 2011 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mrs. J.A. Schuman en E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 oktober 2011

tot en met 22 mei 2012 te[plaats], in elk geval in Nederland,

ongeveer 100 foto's en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende één of meer

afbeelding(en) (te weten één of meer cd-rom(s) en/of een mobiele telefoon),

(telkens) heeft

openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd

en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad en/of

(in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 mei 2012) heeft aangeboden

en/of verworven en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk

en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had

bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele

gedragingen bestonden uit:

- het vaginaal penetreren (met (een) vinger(s)/hand) van het lichaam van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of

- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met

(een) vinger(s)/hand) en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) pero(o)n(en) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze

perso(o)n(en) door het camerastandpunt en/of de uitsnede van de

afbeelding(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht

worden

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

MEDEDELINGEN:

De officier van justitie deelt mede dat de hierboven omschreven

afbeeldingen/filmfragmenten ter voorkoming van strafbare feiten en verdere

verspreiding van bovengenoemd materiaal, niet in het dossier zijn gevoegd en

ook niet in afschrift zullen worden verstrekt. De officier van justitie zal

voorbeelden van genoemde afbeeldingen/filmfragmenten op de terechtzitting

aanwezig hebben en desgewenst aan de rechtbank overleggen. Voorafgaand aan de

terechtzitting kan inzage in genoemd materiaal verleend worden op afspraak

met de officier van justitie

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 april 2011

tot en met 10 februari 2012 te [plaats], in elk geval in Nederland,

ongeveer 29 foto's en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende één of meer

afbeelding(en), (telkens) heeft

verspreid

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had

bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele

gedragingen bestonden uit:

- het vaginaal penetreren (met (een) vinger(s)/hand) van het lichaam van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of

- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met

(een) vinger(s)/hand) en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) pero(o)n(en) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze

perso(o)n(en) door het camerastandpunt en/of de uitsnede van de

afbeelding(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht

worden

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

MEDEDELINGEN:

De officier van justitie deelt mede dat de hierboven omschreven

afbeeldingen/filmfragmenten ter voorkoming van strafbare feiten en verdere

verspreiding van bovengenoemd materiaal, niet in het dossier zijn gevoegd en

ook niet in afschrift zullen worden verstrekt. De officier van justitie zal

voorbeelden van genoemde afbeeldingen/filmfragmenten op de terechtzitting

aanwezig hebben en desgewenst aan de rechtbank overleggen. Voorafgaand aan de

terechtzitting kan inzage in genoemd materiaal verleend worden op afspraak

met de officier van justitie

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 22 mei 2012 te [plaats] (een) wapen(s) van categorie I onder

7°, te weten (een) nabootsing(en) van (een) pistool, merk HFC, model Lighting

Star, kaliber 6 mm, dat/die door zijn/hun vorm, afmetingen en kleur een

sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], p. 89.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], p. 90.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], p. 91.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], p. 90.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], p. 90.

6 Het geschrift, te weten een faxbericht van Ziggo Security aan Unit Landelijke Interceptie d.d. 3 juli 2012, p. 206.

7 Het geschrift, te weten een faxbericht van Ziggo Security aan Unit Landelijke Interceptie d.d. 9 juli 2012, p. 185.

8 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4], p. 106.

9 Het proces-verbaal van bevindingen kinderporno-onderzoek van[verbalisant 1], p. 108.

10 Het proces-verbaal van bevindingen kinderporno-onderzoek van[verbalisant 1], p. 108.

11 Het aanvullend proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed van[verbalisant 1] en [verbalisant 5], p. 256.

12 Het aanvullend proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed van[verbalisant 1] en [verbalisant 5], p. 261.

13 Het proces-verbaal van [verbalisant 6], p. 110.

14 Het proces-verbaal van [verbalisant 6], p. 113.

15 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 25 november 2013.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 83.

17 De eigen waarneming van de rechtbank d.d. 10 februari 2014.

18 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4], p. 106 en 107.

19 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 10 februari 2014.

20 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7], p. 298.