Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7047

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2014
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
2729826 UC EXPL 14-1336
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huur chalet; gebruik als woonruimte; verlenging huurovereenkomst voor bepaalde tijd voor nogmaals bepaalde tijd is vernietigbaar; samenloop boetebeding en contractuele rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/104
WR 2015/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2729826 UC EXPL 14-1336 aw/1370

Vonnis van 29 oktober 2014

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij,

gemachtigde: Invorderingsbedrijf B.V.,

tegen:

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde 1],

gedaagde partij

gemachtigde: mr. J.A. van Ham,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde 2],

gedaagde partij

gemachtigde: mr. A.J.G. Tijhuis.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens wijziging van eis

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] heeft met ingang van 1 december 2010 van [eiseres] gehuurd het chalet gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. De huurovereenkomst is gesloten voor de duur van 12 maanden. De huurprijs bedraagt € 520,00 per maand indien de huur maandelijks, vóór de eerste van de betreffende maand wordt voldaan en € 620,00 per maand bij betaling na de eerste van de betreffende maand. Ter zake van voorschot servicekosten is een bedrag van € 155,00 per maand verschuldigd. De door de huurder verschuldigde waarborgsom bedraagt € 485,00.

2.2.

Op 1 december 2010 heeft [gedaagde 2] zich ten opzichte van [eiseres] als borg verbonden tot nakoming van de betalingsverplichtingen van [gedaagde 1] uit de huurovereenkomst, te weten de betaling van huur, energiekosten, schade en eventuele andere kosten voortvloeiend uit de huurovereenkomst.

2.3.

Na het verstrijken van de huurperiode hebben [eiseres] en [gedaagde 1] op 30 november 2011 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot hetzelfde chalet, ingaande op 1 december 2011 en voor de duur van 12 maanden. De huurprijs en het voorschot servicekosten zijn ongewijzigd gebleven.

2.4.

Begin juli 2012 is [gedaagde 1] uit het chalet vertrokken.

2.5.

De huur over de maanden februari 2012 en juli tot en met november 2012 is onbetaald gebleven.

2.6.

[eiseres] heeft de waarborgsom bij het einde van de huur niet aan [gedaagde 1] geretourneerd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om aan haar te betalen € 5.978,17 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2014 tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten ingaande de vijftiende dag na de betekening van het te wijzen vonnis en het vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel.

3.2.

[eiseres] legt aan zijn vorderingen – kort samengevat – ten grondslag dat [gedaagde 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Hij heeft een huurachterstand laten ontstaan en het gehuurde bij zijn vertrek vies, vol rommel en beschadigd achtergelaten. Ook is hij nog een bedrag aan servicekosten verschuldigd. [gedaagde 2] heeft zich als borg verbonden voor nakoming van de verplichtingen van [gedaagde 1] uit de huurovereenkomst, reden waarom [eiseres] ook hem op betaling aanspreekt.

Het gevorderde bedrag van € 5.978,17 bestaat uit:

Huur € 3.100,00 (5 x € 620,00 over februari 2012 en juli t/m oktober 2012)

Servicekosten € 827,08

Schade € 1.075,00

Waarborgsom € 485,00-

Subtotaal € 4.517,08

Incassokosten € 697,82

Contractuele rente € 763,27

Totaal € 5.978,17

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.

3.4.

Op de inhoud van de wederzijdse standpunten van partijen zal, voor zover voor de beoordeling van belang, in het hiernavolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde 2]

4.1.

[eiseres] spreekt [gedaagde 2] aan uit hoofde van borgtocht. [gedaagde 2] voert als meest verstrekkend verweer aan dat de borgtocht ongeldig is, omdat hij deze is aangegaan als particulier en geen maximumbedrag is overeengekomen.

4.2.

[eiseres] heeft niet weersproken dat [gedaagde 2] de borgtocht als particulier is aangegaan. De verbintenis van de hoofdschuldenaar, dat is [gedaagde 1], staat op het moment dat de borgtocht wordt aangegaan niet vast. In dat geval is de borgtocht alleen geldig voor zover een in geld uitgedrukt maximumbedrag is overeengekomen. Aan dat vormvereiste is niet voldaan. Op grond van de wet is de borgtocht niet geldig (artikel 7:858 BW in samenhang met artikel 3:39 BW). De vordering van [eiseres] dient reeds daarom ten opzichte van [gedaagde 2] te worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd behoeft (in dit kader) geen bespreking meer.

4.3.

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2], tot de datum van dit vonnis begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x het tarief van € 250,00).

Ten aanzien van [gedaagde 1]

Het voortijdig vertrek van [gedaagde 1] uit het gehuurde

4.4.

[gedaagde 1] beroept zich op de vernietigbaarheid van de huurovereenkomst wegens dwaling. Subsidiair doet hij een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Hij stelt dat hij uit het gehuurde is vertrokken omdat de gemeente Utrechtse Heuvelrug hem met ingang van 1 augustus 2012 verbood het chalet nog langer te bewonen, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per week. [eiseres] heeft hem daarover niet geïnformeerd bij het sluiten van de huurovereenkomst. Als hij had geweten dat het niet was toegestaan het chalet permanent te bewonen, dan was hij de huurovereenkomst niet althans niet op dezelfde voorwaarden aangegaan. Hij meent aan [eiseres] daarom niets meer verschuldigd te zijn.

4.5.

De kantonrechter constateert dat [gedaagde 1] de betreffende aanschrijving van de gemeente Utrechtse Heuvelrug ook bij dupliek niet in het geding heeft gebracht. [eiseres] stelt met die aanschrijving niet bekend te zijn. De kantonrechter overweegt voorts dat uit de correspondentie die tussen partijen heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de procedure niet blijkt dat de reden voor het plotseling vertrek van [gedaagde 1] is dat hij het chalet van de gemeente niet meer mocht bewonen. [gedaagde 1] schrijft aan [eiseres] dat hij in verband met zijn werk met spoed naar [woonplaats] is verhuisd (productie 2 bijlage 4 bij dagvaarding). Daarnaast is niet geloofwaardig dat [gedaagde 1] er niet van op de hoogte was dat het chalet, dat is gelegen in een vakantiepark, niet permanent mocht worden bewoond, gelet op de lijst met aandachtspunten die hij bij het sluiten van de huurovereenkomst heeft ondertekend. [eiseres] verwijst naar die lijst, waarin is opgenomen dat het mogelijk is het chalet 12 maanden per jaar recreatief te gebruiken, maar dat registratie in de gemeentelijke basisadministratie niet mogelijk is (productie 1 bij dagvaarding). Het beroep op dwaling wordt daarom verworpen. De redelijkheid en billijkheid kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat [gedaagde 1] na zijn voortijdig vertrek uit het gehuurde aan [eiseres] niets meer is verschuldigd.

4.6.

[gedaagde 1] voert voorts aan dat hij de huurovereenkomst tussentijds heeft opgezegd tegen 1 augustus 2012, namelijk per e-mailbericht van 3 juli 2012. De huurovereenkomst ziet op woonruimte. Op grond van artikel 7:230 BW in samenhang met artikel 7:242 lid 2 BW is de huurovereenkomst daarom na verloop van 12 maanden voor onbepaalde tijd verlengd. [gedaagde 1] kon deze opzeggen op een termijn van een maand (artikel 7:271 lid 2 BW). Na verrekening van de waarborgsom met de huur over februari 2012 is hij geen huur meer verschuldigd.

4.7.

[eiseres] stelt dat [gedaagde 1] de huurovereenkomst niet heeft opgezegd. Hij is van de een op de andere dag vertrokken.

4.8.

De kantonrechter overweegt dat [gedaagde 1] stelt dat hij het chalet heeft gehuurd om er permanent te wonen. [eiseres] stelt weliswaar dat [gedaagde 1] te kennen heeft gegeven dat hij er slechts een paar dagen per week zal verblijven, maar om als woonruimte te kunnen worden gekwalificeerd is niet vereist dat het gehuurde permanent wordt bewoond (HR 8 januari 1999, NJ 1999,495) en evenmin dat, zoals [eiseres] ook heeft aangevoerd, de huurder op het betreffende adres is ingeschreven bij de gemeente. Voldoende aannemelijk is dat het chalet zodanig is ingericht dat het als woning bruikbaar is. In dit verband is van belang dat de huurovereenkomst is gesloten voor de duur van 12 maanden. [gedaagde 1] heeft het chalet feitelijk gebruikt als woning, niet als vakantieverblijf. Er is dus geen sprake van gebruik van woonruimte dat naar zijn aard van slechts korte duur is, zoals doorgaans wel het geval zal zijn als een chalet op een vakantiepark wordt gebruikt voor een periode van één of enkele weken, voor de duur van een vakantie. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat de huurovereenkomst ziet op woonruimte als bedoeld in artikel 7:232 BW, waarop afdeling 5 van Boek 7 BW van toepassing is.

4.9.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat woonruimte slechts eenmaal voor bepaalde tijd kan worden verhuurd. Een (al dan niet stilzwijgende) contractuele verlenging voor opnieuw bepaalde tijd is vernietigbaar, voor zover in het nadeel van de huurder van de hoofdregel van artikel 7:230 BW is afgeweken (Kamerstukken II 1997/98, 26 089, nr. 3, p. 40). Dit betekent dat de per 1 december 2010 gesloten huurovereenkomst na verloop van 12 maanden is verlengd voor onbepaalde tijd en dat [gedaagde 1] deze in juli 2012 kon opzeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Het e-mailbericht van [gedaagde 1] aan [eiseres] van 3 juli 2012 (productie 2 bijlage 4 bij dagvaarding), waarop [gedaagde 1] zich beroept, kan worden aangemerkt als een opzegging van de huurovereenkomst. Rekening houdend met de opzegtermijn van één maand eindigt de huurovereenkomst op 1 september 2012. [gedaagde 1] is aan [eiseres] tot en met augustus 2012 de maandelijkse huur verschuldigd.

De hoogte van de huurprijs

4.10.

[eiseres] vordert een huur van € 620,00 per maand. Volgens [gedaagde 1] is een huur overeengekomen van € 520,00 per maand en is de verhoging van € 100,00 per maand wegens te late betaling aan te merken als een boete, die is gebaseerd op een onredelijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG. Het beding is onredelijk omdat het ertoe strekt de consument die zijn verbintenissen niet nakomt een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen. Naast het bedrag van € 100,00 per maand vordert [eiseres] immers ook rente en vergoeding van buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten. [eiseres] kan niet én boete én rente vorderen. Boete en (wettelijke) rente sluiten elkaar uit. Het boetebeding is daarom onredelijk bezwarend. Subsidiair verzoekt [gedaagde 1] de kantonrechter de boete van € 100,00 per maand te matigen.

4.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het bedrag van € 100,00 per maand waarop [eiseres] aanspraak maakt, inderdaad het karakter van een boete wegens te late betaling. Het bedrag van € 100,00 wordt [gedaagde 1] immers pas verschuldigd als hij de huur niet bij vooruitbetaling, vóór de eerste van de betreffende maand voldoet, maar op een later tijdstip. Ook de tekst van het huurcontract wijst op die uitleg: “Deze huurprijs wordt vooraf betaald (…)” (cursivering kantonrechter). Dit duidt op een overeengekomen betalingstermijn. Als [gedaagde 1] zich aan die termijn niet houdt, dient hij een boete van € 100,00 te betalen bovenop de huurprijs. Een andere uitleg is niet aannemelijk. Niet valt in te zien immers op grond waarvan [gedaagde 1] € 100,00 meer zou moeten betalen voor exact hetzelfde huurobject. De bepaling dat [gedaagde 1] een hogere huurprijs verschuldigd is als hij de huur niet vóór de eerste van de betreffende maand betaalt, kwalificeert daarom als een (verkapt) boetebeding.

4.12.

Dit beding kwalificeert echter niet als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW en/of als een onredelijk bezwarend beding in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG, waarop [gedaagde 1] zich beroept. [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat het een beding betreft dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Juist het feit dat het beding is geformuleerd als een kernbeding, te weten een beding dat de omvang van de betalingsverplichting inhoudt, alsook het feit dat het beding in de overeenkomst zelf is opgenomen, maakt dat niet aannemelijk is dat het van tevoren is opgesteld en [gedaagde 1] geen invloed op de inhoud daarvan heeft kunnen hebben. Bovendien stelt [eiseres] dat hij het chalet als particulier en niet bedrijfsmatig verhuurt. [gedaagde 1] heeft onvoldoende gesteld om te oordelen dat dit anders is.

4.13.

De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde 1] aldus dat hij daarnaast van mening is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [eiseres] betaling zou kunnen vorderen van zowel de boete als de contractuele rente.

4.14.

Dit verweer slaagt. Beide bedingen zien (mede) op vertragingsschade. De boete, die tevens dient als prikkel tot nakoming, is fors. Ook de contractuele rente van 12% per jaar is aanzienlijk. [eiseres] vordert betaling van zowel de boete als de contractuele rente. Het boetebeding moet op grond van het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW daarom buiten toepassing blijven.

4.15.

Dit leidt ertoe dat [gedaagde 1] aan [eiseres] ter zake van achterstallige huur over de maanden februari 2012 en juli tot en met augustus 2012 een bedrag van in totaal € 1.560,00 is verschuldigd (3 x € 520,00). Het meerdere dat [eiseres] op grond van het boetebeding vordert zal worden afgewezen, evenals de gevorderde huurtermijnen over de periode na augustus 2012.

Energiekosten

4.16.

[gedaagde 1] maakt bezwaar tegen het feit dat [eiseres] hem servicekosten in rekening brengt voor de periode na 1 augustus 2012. Hij heeft vanaf zijn vertrek uit het gehuurde namelijk geen energie en water meer verbruikt. In reactie daarop stelt [eiseres] dat hij geen kosten voor energie en water in rekening heeft gebracht over de periode na 1 augustus 2012. Hij verwijst naar de berekening die hij als productie 2 bijlage 3 bij dagvaarding heeft overgelegd. Die berekening lijkt inderdaad te zien op de periode tot (en met) juli 2012. De per juli 2012 door [eiseres] gehanteerde meterstanden komen echter exact overeen met de meterstanden per 31 oktober 2012 (volgens de factuur van Succes parken van diezelfde datum, overgelegd als productie 6 bij conclusie van repliek/wijziging van eis). [eiseres] is bij de afrekening servicekosten, gelet op zijn eigen stellingen over hoe de kosten moeten worden berekend, van onjuiste meterstanden uitgegaan.

4.17.

Voor de berekening van hetgeen [gedaagde 1] nog aan [eiseres] is verschuldigd ter zake van energie- en waterkosten kan in elk geval worden aangesloten bij de factuur van Succes parken van 10 april 2012 (productie 6 bij conclusie van repliek/wijziging van eis). De beginstanden op die factuur zijn van 20 oktober 2011. [eiseres] begint de afrekening servicekosten echter (ongeveer) een maand later, op 30 november 2011, omdat tot aan die datum al is afgerekend. [gedaagde 1] heeft dit niet betwist, zodat de kantonrechter daarvan zal uitgaan. De eindstanden waarvan de factuur uitgaat zijn opgenomen per 10 april 2012, het moment waarop [gedaagde 1] nog in het gehuurde verbleef. Van het bedrag van de factuur, dat is € 1.062,92, komt daarom 5/6 deel voor doorberekening aan [gedaagde 1] in aanmerking. Dat is een bedrag van € 885,76. Over de periode 10 april tot 1 augustus 2012, een periode van ongeveer 4 maanden, zal een bedrag van € 240,40 worden gerekend (dat is 4/7 deel van het factuurbedrag van € 420,70, volgens de factuur van Succes parken van 31 oktober 2012, die ziet op de periode 10 april 2012 tot 31 oktober 2012, een periode van bijna zeven maanden). In totaal komt een bedrag van € 1.126,16 ten laste van [gedaagde 1]. Tevens vordert [eiseres] een bedrag van in totaal € 285,00 ter zake van bijdrage restafval, CAI en parklasten over 2012. Een bedrag van € 190,00 komt voor doorberekening in aanmerking (uitgaande van een huurperiode van 8 maanden). In totaal bedragen de servicekosten € 1.316,16 (€ 1.126,16 + € 190,00). Daarop strekt in mindering hetgeen [gedaagde 1] al aan voorschot heeft voldaan, een bedrag van in totaal € 775,00, zodat resteert door hem te voldoen € 541,16. Dit bedrag is toewijsbaar. Voor het overige worden de gevorderde servicekosten afgewezen.

Schade door onjuiste oplevering van een woning

4.18.

[eiseres] stelt dat hij schade heeft geleden ter hoogte van € 1.075,00, omdat [gedaagde 1] het gehuurde vies, vol rommel en beschadigd heeft achtergelaten. [gedaagde 1] heeft de gestelde schade gemotiveerd betwist.

4.19.

Volgens de wet en vaste jurisprudentie dient schade als gevolg van de onjuiste oplevering van een woning zoveel mogelijk concreet te worden berekend (conclusie A-G Huydekoper bij HR 3 oktober 2003, NJ 2004, 50). Daarbij houdt de rechter rekening met alle omstandigheden van het geval. [gedaagde 1] betwist dat [eiseres] kosten heeft gemaakt, omdat hij de werkzaamheden zelf heeft verricht. [eiseres] heeft geen nota’s en/of betalingsbewijzen in het geding gebracht waaruit blijkt dat dit anders is en waaruit kan worden opgemaakt dat hij voor het herstel van het chalet en voor het afvoeren van de achtergelaten rommel een bedrag van € 1.075,00 heeft betaald. Evenmin heeft hij een specificatie in het geding gebracht waaruit blijkt welke herstelwerkzaamheden precies zijn verricht en welke kosten met die verschillende werkzaamheden zijn gemoeid. De overgelegde foto’s en de verstrekte specificatie (€ 325,00 schoonmaakkosten, € 275,00 kosten afvoer spullen, € 475,00 herstelwerkzaamheden interieur) volstaan in dit verband niet. De gevorderde schadevergoeding wegens niet correcte oplevering moet daarom, reeds wegens gebrek aan voldoende onderbouwing, worden afgewezen.

Waarborgsom

4.20.

De huurovereenkomst vermeldt een door [gedaagde 1] te betalen waarborgsom van € 485,00. Het had daarom op de weg van [gedaagde 1] gelegen om aan te tonen dat hij aan [eiseres] een waarborgsom heeft betaald die hoger is, namelijk € 520,00. Nu hij dit ook bij dupliek niet heeft gedaan en [eiseres] betwist dat hij meer dan € 485,00 heeft ontvangen, aanvaardt de kantonrechter als juist dat een waarborgsom is betaald van € 485,00. Dit bedrag strekt in mindering op hetgeen [gedaagde 1] nog aan [eiseres] is verschuldigd aan huur en servicekosten.

Conclusie

4.21.

[gedaagde 1] is aan [eiseres] verschuldigd een bedrag van in totaal € 1.616,16 (€ 1.560,00 huur + € 541,16 servicekosten minus € 485,00 waarborgsom).

Contractuele rente

4.22.

[eiseres] vordert de contractuele rente over het toe te wijzen bedrag met ingang van 18 oktober 2012. Hij berekent dit bedrag per 4 juni 2014, dat is de datum van de akte wijziging eis, op € 763,27. Die berekening kan niet worden gevolgd, reeds omdat [eiseres] daarbij uitgaat van een hoofdsom van € 5.002,08. Bovendien heeft hij de betreffende renteberekening niet in het geding gebracht. De kantonrechter zal in plaats daarvan de contractuele rente toewijzen vanaf 1 september 2012, de datum dat de huurovereenkomst is geëindigd. Blijkens het gewijzigde petitum in de akte wijziging eis vordert [eiseres] vanaf 4 juni 2014 de wettelijke rente, reden waarom over de hoofdsom van € 1.616,16 vanaf die datum de wettelijke in plaats van de contractuele rente zal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.23.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu het toepasselijke wettelijke tarief niet in de aanmaning is vermeld.

Proceskosten

4.24.

[gedaagde 1] is aan te merken als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot de datum van dit vonnis begroot op in totaal € 614,43, te weten:

  • -

    € 219,00 vastrecht;

  • -

    € 93,80 explootkosten;

  • -

    € 1,63 informatiekosten;

  • -

    € 300,00 salaris gemachtigde (2 punten x het tarief van € 150,00).

De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als gevorderd. Het verzoek om het vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel wordt niet ingewilligd, omdat geen sprake is van een onbetwiste schuldvordering.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.616,16 te vermeerderen met de contractuele rente over € 1.616,16 vanaf 1 september 2012 tot 4 juni 2014 en de wettelijke rente over € 1.616,16 vanaf 4 juni 2014 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 614,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag ingaande 15 dagen na de betekening van het vonnis tot de voldoening;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2014.