Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7046

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
2951239 UC EXPL 14-5492
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jachthuurovereenkomst; ontbreken dagtekening; gebruikerstoestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2951239 UC EXPL 14-5492 aw/1370

Vonnis van 17 december 2014

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand N.V.,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] jaagt al vele jaren op de gronden van [gedaagde], op grond van een tussen hen gesloten jachtovereenkomst als bedoeld in artikel 34 lid 1 van de Flora- en faunawet. Als de duur van de betreffende overeenkomst is verstreken, wordt tussen hen aansluitend een nieuwe overeenkomst opgemaakt.

2.2.

In 2007 ondertekenen partijen een formulier voor een jachthuurovereenkomst, afkomstig van de Koninklijke Jagers Vereniging (KNJV). Het formulier vermeldt onder “looptijd overeenkomst (min. 6, max 12 jaar)”: “begin 01-04-07 einde 01-04-2019”. Onder “toestemming grondgebruiker” heeft [gedaagde] zijn handtekening geplaatst. Onder “verhuur jachtgenot” heeft hij geen handtekening geplaatst. [gedaagde] is ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zowel eigenaar als gebruiker van de betreffende gronden.

2.3.

Bij brief van 19 januari 2013 deelt [gedaagde] aan [eiser] mee dat hij hem met onmiddellijke ingang de toegang tot zijn gronden ontzegt. Als reden daarvoor noemt hij dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij een overeenkomst voor de duur van 6 jaar had getekend. Daarnaast is hij niet tevreden over de wijze waarop [eiser] invulling geeft aan de jacht en de bestrijding van diersoorten. Bij afzonderlijke brief van diezelfde datum trekt [gedaagde] de aan [eiser] verstrekte grondgebruikersverklaring in.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat partijen onverminderd gebonden zijn aan de faunabeheerovereenkomst van maart 2007, en wel tot 1 april 2019, en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 270,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2014 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat - ten grondslag dat de faunabeheerovereenkomst is gesloten voor de duur van 12 jaar. Die overeenkomst houdt enerzijds in de huur door [eiser] van het jachtgenot op de gronden van [gedaagde] en anderzijds de toestemming om diersoorten te bestrijden. [gedaagde] heeft hem ten onrechte het jachtgenot en het recht om diersoorten te bestrijden ontnomen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de inhoud van de wederzijdse standpunten zal, voor zover voor de beoordeling van belang, in het hiernavolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het door [gedaagde] gevoerde verweer is innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds stelt hij dat hij in de oprechte veronderstelling verkeerde dat hij in 2007 een jachthuurovereenkomst had gesloten met [eiser] voor de duur van 6 jaar. Anderzijds stelt hij dat hij met [eiser] geen jachtovereenkomst heeft gesloten, omdat zijn handtekening op het formulier ontbreekt in de kolom “verhuur jachtgenot”. Hij meent alleen een grondgebruikersverklaring te hebben verstrekt, omdat hij zijn handtekening heeft geplaatst in de kolom “toestemming grondgebruiker”. [eiser] heeft volgens hem de overeenkomst vervalst door een accolade te plaatsen onder die handtekening, met het doel te doen voorkomen dat de handtekening ook ziet op de verhuur van het jachtgenot. Daarnaast stelt hij dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is, omdat deze niet is gedagtekend. De kantonrechter zal hierna op deze verweren ingaan.

4.2.

Het betreffende formulier dat door partijen is ingevuld en ondertekend vermeldt als looptijd van de overeenkomst: 01-04-2007 tot 01-04-2019, dat is dus een periode van 12 jaar. [eiser] heeft er vanuit mogen gaan dat [gedaagde] het formulier niet ongelezen zou ondertekenen. Voor zover [gedaagde] dit wel heeft gedaan, komt dat voor zijn rekening en risico. Niet is gesteld of gebleken dat de mogelijkheid van tussentijdse opzegging is overeengekomen. [eiser] mag [gedaagde] daarom houden aan de overeengekomen contractsperiode van 12 jaar.

4.3.

Het formulier dat partijen hebben ingevuld heeft als aanhef (pagina’s 1 en 2):

“Overeenkomst als bedoeld in artikel 34 lid 1 van de Flora- en faunawet (jachthuur, meerdere huurder(s) en verhuurder) alsmede toestemming als bedoeld in art. 6 Besluit beheer en schadebestrijding dieren van de grondgebruiker ten behoeve van de uitvoering vrijstellingen (art.65), aanwijzingen (art. 67) en ontheffingen (art. 68).”

Op pagina 1 is daaraan nog de regel toegevoegd: “Voorts is (…) toestemming van de grondgebruiker voor de verhuur van het genot van de jacht voor zover vereist in art. 34 lid 4 Flora- en faunawet. (…)”

[gedaagde] wordt op pagina 1 aangeduid als verhuurder c.q. grondgebruiker en [eiser] als huurder. De tegenprestatie is volgens het contract € 1,-- per jaar. ([gedaagde] heeft niet betwist dat [eiser], in afwijking van het contract, als tegenprestatie € 300,00 per jaar aan hem heeft betaald.)

Op pagina 2 van de overeenkomst is opgenomen:

“Verhuurder verhuurt het genot van de jacht als bedoeld in artikel 33 van de Flora- en faunawet op de op de keerzijde van deze overeenkomst genoemde percelen tegen de aldaar genoemde tegenprestatie en de gebruikers van deze percelen geven toestemming aan de huurder(s) van het jachtgenot om op die percelen gebruik te maken van de ten behoeve van uitvoering van krachtens de Flora- en faunawet gegeven vrijstellingen (art 65), aanwijzingen (art. 67) en ontheffingen (art. 68).

(…)

Artikel 7. De grondgebruiker (indien dit een ander is dan de verhuurder) geeft huurder toestemming het hem ingevolge artikel 65, leden 3 en 4 toekomende recht uit te oefenen, alsmede de toestemming de bij hem in gebruik zijnde gronden te betreden art. 6 Besluit beheer en schadebestrijding dieren, ter uitvoering door de huurder van vrijstellingen (artikel 65) aanwijzingen (artikel 67) en ontheffingen (artikel 68) toestemming van de grondgebruiker voor de verhuur van het genot van de jacht voor zover vereist in art. 34 lid 4 Flora- en faunawet door het plaatsen van zijn handtekening in de kolom ‘Toestemming grondgebruiker’”.

4.4.

Als de eigenaar of verpachter en de gebruiker van de gronden niet dezelfde persoon zijn, vereist de wet dat de gebruiker toestemming geeft voor de verhuur van het jachtgenot. Zonder die toestemming is de eigenaar of verpachter niet bevoegd tot verhuur (artikel 34 lid 4 Flora- en faunawet). Dit betekent dat niet de huurder, maar de eigenaar/verpachter die de grond aan een derde in gebruik heeft gegeven - waarbij hij zich het jachtrecht heeft voorbehouden - toestemming van de grondgebruiker nodig heeft voor de verhuur van het jachtgenot. Het doel van die regeling is de belangen van de grondgebruiker te beschermen (MvA, Kamerstukken II 1995/96, 23 147, nr. 7, p. 53). Het verlenen door [gedaagde] van die toestemming tot verhuur aan [eiser] is dan ook zinloos. Vast staat dat [gedaagde] op het moment dat hij het formulier ondertekende zowel eigenaar als gebruiker was van de betreffende gronden. In dit geval was toestemming van de grondgebruiker aan de eigenaar van de gronden voor de verhuur van het jachtgenot dus niet nodig. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat hij als grondgebruiker aan [eiser] toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 6 Besluit beheer en schadebestrijding dieren, voor het gebruik van de vrijstellingen, aanwijzingen en ontheffingen als bedoeld in de Flora- en faunawet (artikelen 65, 67 en 68), zonder dat hij het jachtgenot aan hem heeft verhuurd, overweegt de kantonrechter dat bedoelde toestemming volgens de tekst van de overeenkomst door de grondgebruiker wordt gegeven aan de huurder van het jachtgenot. Die huurder is in dit geval, volgens de tekst van de overeenkomst, [eiser]. Daarbij wordt er bovendien vanuit gegaan dat de grondgebruiker niet dezelfde persoon is als de verhuurder. Ook zonder de accolade onder de handtekening van [gedaagde], waarvan hij stelt dat [eiser] deze buiten zijn medeweten, na de ondertekening van de overeenkomst heeft toegevoegd, is daarom in rechte voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] als eigenaar van de gronden aan [eiser] het jachtgenot heeft verhuurd. Partijen hebben daarnaar vervolgens ook gehandeld, zoals [eiser] terecht heeft opgemerkt.

4.5.

Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat de jachthuurovereenkomst niet rechtsgeldig is, omdat deze niet gedagtekend is. Hij heeft een kopie van zijn exemplaar van de overeenkomst overgelegd, waarop geen datum is vermeld in de kolom “datum overeenkomst”. Ook [eiser] heeft een kopie van zijn exemplaar van de overeenkomst in het geding gebracht. Op die kopie is in de kolom “datum overeenkomst” ingevuld: maart 2007.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat het ontbreken van de dagtekening in de overeenkomst niet wordt genoemd als één van de gronden voor nietigheid (artikel 34 lid 3 Flora- en faunawet). Aan het schriftelijkheidsvereiste is in dit geval voldaan (artikel 34 lid 1 Flora- en faunawet). Volgens de wetsgeschiedenis van de Jachtwet, die aan de Flora- en faunawet vooraf is gegaan, heeft degene die niet is de eigenaar of beperkt gerechtigde (erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter) een schriftelijk bewijs nodig, waaruit de burgerrechtelijke bevoegdheid blijkt om op de betreffende grond te jagen. Dit bewijs kan zijn een schriftelijke huurovereenkomst of een schriftelijke vergunning. Dat schriftelijkheidsvereiste wordt gesteld omdat degene die jaagt zonder dat hij gerechtigd is tot het genot van de jacht, strafbaar is (Kamerstukken II, 2607, 3). Uit het huurcontract moet dus voldoende blijken gedurende welke periode de huurder bevoegd is tot het genot van de jacht op de betreffende gronden. Uit de wetsgeschiedenis kan niet worden opgemaakt dat de eis van dagtekening een ander, specifiek doel dient. In dit geval vermeldt het contract de ingangsdatum en de einddatum van de huurperiode, namelijk 01-04-2007 respectievelijk 01-04-2019. Over de bevoegdheid van [eiser] tot het genot van de jacht kan daarom geen onduidelijkheid bestaan. Het ontbreken van de dagtekening op het contract dat [gedaagde] in kopie heeft overgelegd kan niet tot de conclusie leiden dat de jachthuurovereenkomst niet rechtsgeldig is. Of [eiser] zijn exemplaar van het contract eerst na ondertekening van een dagtekening heeft voorzien, doet in het kader van deze beoordeling daarom niet ter zake.

4.7.

[gedaagde] voert nog aan dat hij niet langer grondgebruiker is, omdat hij de gronden na het sluiten van de jachthuurovereenkomst aan een derde, een vennootschap onder firma, in gebruik heeft gegeven. Voor de schadebestrijding is toestemming nodig van de opvolgend grondgebruiker. [eiser] heeft die toestemming niet. Hij heeft op zijn gronden daarom niets meer te zoeken, aldus [gedaagde].

4.8.

De kantonrechter stelt voorop dat een wisseling van grondgebruikers geen einde maakt het huurrecht van [eiser] met betrekking tot het jachtgenot op de gronden van [gedaagde]. De opvolgend grondgebruiker verkrijgt het gebruik van gronden, waarvan het jachtgenot door de eigenaar is verhuurd (artikel 35 Flora- en faunawet). [eiser] kan zijn bevoegdheden tot schadebestrijding echter alleen blijven uitoefenen met de schriftelijke toestemming van die opvolgend grondgebruiker (artikel 6 Besluit beheer en schadebestrijding dieren; artikel 65 lid 6 Flora- en faunawet; uitspraak Raad van State 10 februari 2010, JM 2010/47). [gedaagde] heeft zijn stelling dat niet hij, maar een niet met name genoemde vennootschap onder firma grondgebruiker is, ondanks de betwisting door [eiser] niet met stukken onderbouwd. In rechte is daarom niet komen vast te staan dat [gedaagde] niet langer grondgebruiker is. [eiser] is gerechtigd tot het betreden van de gronden van [gedaagde] ter uitoefening van zijn bevoegdheden ten aanzien van de jacht en de schadebestrijding.

4.9.

[gedaagde] stelt dat hij niet tevreden is over de wijze waarop [eiser] van zijn huurrecht gebruik maakt. In de winter van 2012/2013 liepen bij [gedaagde] de frustraties hoog op omdat [eiser] het wel nodig vond om met veel jagers de laatste hazen dood te schieten, maar geen enkele moeite deed om de enorme ganzenschade tet bestrijden. Hij heeft daarom, zo stelt hij, bij brieven van 19 januari 2013 de jachthuurovereenkomst beëindigd en de grondgebruikersverklaring ingetrokken. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hem enig verwijt treft.

4.10.

Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd begrijpt de kantonrechter dat [eiser] niet alleen het recht heeft verkregen om te jagen op de gronden van [gedaagde], maar ook toestemming om schade door (beschermde) dieren te bestrijden. Dat die toestemming zou zijn verleend voor de duur van slechts 1 jaar en dus niet voor de duur van 12 jaar, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Dit neemt niet weg dat aan die verkregen toestemming geen betekenis meer toekomt op het moment dat [gedaagde] geen grondgebruiker meer is. De kantonrechter verwijst naar hetgeen daarover eerder is overwogen onder r.o. 4.8.

4.11.

[gedaagde] stelt zich – anders dan [eiser] – op het standpunt dat [eiser] op grond van de overeenkomst niet alleen bevoegd, maar ook verplicht is de schade door beschermde dieren (afdoende) te bestrijden. Wat daarvan ook zij, [gedaagde] heeft niet betwist dat hij [eiser] pas in de brieven van 19 januari 2013 voor het eerst heeft aangesproken op de gestelde tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld de overeenkomst te ontbinden wegens wanprestatie, dan is die ontbinding niet gerechtvaardigd, omdat [eiser] niet in verzuim is geraakt. De ontbinding heeft niet het door [gedaagde] beoogde rechtsgevolg, te weten het einde van de overeenkomst.

4.12.

De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen als hierna in het dictum te melden. Het contract dat partijen hebben ondertekend wordt door [eiser] in het petitum aangeduid als: faunabeheerovereenkomst. Daarmee wordt, volgens de tekst van het contract, gedoeld op jachthuur volgens artikel 34 lid 1 Flora- en faunawet alsmede de toestemming als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68 Flora- en faunawet, dat is de toestemming voor bestrijding van schade door (beschermde) diersoorten (de tekst onderaan de 1e pagina). De kantonrechter zal de onderhavige overeenkomst tussen partijen daarom in het dictum aanduiden als: faunabeheerovereenkomst.

4.13.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding een bedrag van € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu het toepasselijke wettelijke tarief niet in de aanmaning is vermeld.

4.14.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld. Hij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de datum van dit vonnis begroot op in totaal € 472,77, te weten:

  • -

    € 77,00 vastrecht;

  • -

    € 95,77 explootkosten inclusief informatiekosten;

  • -

    € 300,00 salaris gemachtigde (2 punten x het tarief van € 150,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat tussen partijen een faunabeheerovereenkomst bestaat voor de duur van 12 jaar, ingaande op 1 april 2007 en eindigend op 1 april 2019, op grond waarvan [eiser] als huurder het jachtgenot heeft op de gronden van [gedaagde] en hij beschikt over de toestemming van [gedaagde] om op die gronden schade door dieren te bestrijden;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 472,77;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.