Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:7040

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
16/701060-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering en oplichting. Hij heeft met oudere mensen, met wie hij in contact is gekomen door zijn werk op het gebied van uitvaartverzekeringen, een persoonlijke band opgebouwd en zodoende hun vertrouwen gewonnen. Eén van de slachtoffers heeft hij gezegd haar pinpas aan hem te geven, zodat hij geld voor haar kon pinnen. Hij heeft vervolgens € 4.000,-- van haar rekening gehaald en deze bedragen zonder haar instemming voor zichzelf gehouden. Het andere slachtoffer heeft hij eerst geadviseerd om verzekeringsgelden uit te laten keren en vervolgens heeft hij later, door middel van een leugen, het slachtoffer, waarmee hij inmiddels een heel vertrouwelijke band had, ertoe bewogen om hem € 7.000,-- te lenen, die hij nooit heeft terugbetaald. Verdachte heeft twee verklaringen gebruikt welke valselijk zijn opgemaakt. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van documenten met handtekeningen van het slachtoffer, waarover hij beschikte uit hoofde van zijn werkzaamheden. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701060-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 december 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Nieuwegein, Huis van Bewaring te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4].

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. Zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en oplichting van [benadeelde 1] in de periode van 24 juni 2013 tot en met 12 september 2014.

2. Zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en oplichting van [benadeelde 2] in de periode van 1 november 2013 tot en met 12 september 2014.

3. Zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte in de periode van 24 juni 2013 tot en met 12 september 2014.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte wegens gebrek aan bewijs moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft daartoe primair in het bijzonder aangevoerd dat de aangiftes van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen en (subsidiair) dat een enkele leugen onvoldoende is voor bewezenverklaring van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat het handschriftonderzoek geen bewijs van valsheid in geschrift oplevert.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Bewijs.1

Ten aanzien van de feiten 1 en 3

Mevrouw [benadeelde 1] heeft op 24 december 2013 aangifte tegen verdachte gedaan en bij de politie als volgt verklaard -zakelijk weergegeven-:

In juni 2013 heb ik besloten een uitvaartverzekering af te sluiten. Ik heb hiervoor contact opgenomen met [benadeelde 4]. Op 24 juni 2013 kwam op afspraak een adviseur van [benadeelde 4], [verdachte].2 [verdachte] is op 16 december 2013 met mij meegegaan naar het ziekenhuis. Hij zei tegen mij: “Geef je pinpas aan mij, ik ga wel geld voor je pinnen en dan kom ik het geld vrijdag brengen”. Ik gaf mijn pinpas en code. Ik dacht; als hij het zegt klopt het wel.

Er bleek sinds 16 december veel geld van de rekening te zijn afgehaald met behulp van de bankpas:

op 16 december 2013: € 1.000,--

op 17 december 2013: € 1.000,--

op 18 december 2013: € 1.000,--

op 20 december 2013: € 1.000,--.

De bankpas is vanochtend geblokkeerd.3

Uit de rekeningafschriften van aangeefster blijken de volgende geldopnames:

op 16 december 2013: € 1.000,-- euro4

op 17 december 2013: € 1.000,-- euro5

op 18 december 2013: € 1.000,--6

op 20 december 2013: € 1.000,--.7

Getuige [getuige 2], de buurvrouw van aangeefster, heeft bij de politie als volgt verklaard -zakelijk weergegeven-:

In de 2e helft van 2013 ging aangeefster achteruit. Ze was vergeetachtig.

Ze had een vriend. Die hebben wij allemaal gezien. Ze was hier heel groot mee. Naderhand vertelde ze dat ze hem had ontmoet bij [benadeelde 4]. Hij wilde ook haar begrafenis regelen. Die man kwam geregeld bij haar. Hij deed haar financiën en nam de boodschappen over als zij niet meer kon. Ze gingen samen boodschappen doen. Het was net een verliefd span. Op een maandag moest ze naar het ziekenhuis. Die man, [verdachte], ging met haar mee. Hij zou haar ook thuis brengen. ‘s Middags kwam ze terug en vertelde ze dat [verdachte] nog wat boodschappen voor haar aan het doen was. De volgende dag kwam ze bij mij dat [verdachte] nog niet terug gekomen was met de boodschappen.8 Toen bleek dat hij ook haar pinpas had meegenomen. Ze was een beetje in paniek. Ze kreeg [verdachte] ook niet te pakken. Zij kwam later lijkbleek met een brief van de bank in haar hand. Er stond op dat er maandag, woensdag en ik geloof nog een keer elke keer € 1000,-- was afgeschreven. Dit waren pintransacties geweest. Ze kon niet begrijpen hoe hij met haar pinpas € 1000,--- eraf had gehaald. Ik zei dat het dom was geweest om haar pas mee te geven.9

In het dossier bevinden zich de volgende documenten:

1. een handgeschreven verklaring, ondertekend met de naam mw. [benadeelde 1], inhoudende een verklaring van 20 december 2013, waarin wordt verklaard dat [benadeelde 1] € 2.750,-- terug heeft ontvangen van [verdachte], zijnde € 3.000,- minus een kerstgeschenk van € 250,--.10

2. een handgeschreven verklaring ondertekend met de naam mw. [benadeelde 1], inhoudende een verklaring van 16 december van [benadeelde 1] dat ze haar pinpas aan [verdachte] meegeeft om € 3.000,-- op te nemen.11

[getuige 2] heeft desgevraagd tegenover de politie verklaard dat zij er absoluut niets over gehoord had dat [benadeelde 1] in de week na 16 december 2013 verklaringen had ondertekend, waaruit bleek dat [verdachte] dit met haar toestemming deed. Zij kon zich dit ook niet voorstellen. Aangeefster was in deze week juist overstuur geweest dat het geld was opgenomen.12

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bovengenoemde documenten van 16 en 20 december 2013 te hebben opgemaakt.13

Handschriftonderzoek

Er is door het NFI een handschriftonderzoek gedaan naar de handtekeningen op naam van[benadeelde 1] onder de verklaring van overdracht van geld (blz.nrs. 326 en 001 - document 2) en de terbeschikkingstelling van de bankpas (blz.nrs. 327 en 002 - document 4) (zijnde de hiervoor genoemde documenten). De handtekeningen zijn vergeleken met een vel

A4 papier met het opschrift: [naam] (blz.nrs. 338 en 01- document 1) met daarop de handtekening van aangeefster en een vel A4 papier betreffende een doorslag van een

informatiedocument van Uitvaartverzekering [benadeelde 4], (blz.nrs. 356 en 18 - document 3) met daarop een doorslag van een handtekening van aangeefster.14

De bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek zijn als volgt.

Ten aanzien van document 1 en 2

De kans op het vinden van een mate van overlap zoals die nu is te zien tussen de handtekeningen op de documenten 1 en 2 is uitermate klein bij afzonderlijk geplaatste handtekeningen met deze graad van complexiteit.15

Conclusie:

Hypothese A: De betwiste handtekening op document 2 (zijnde een kopie) is een kopie van de originele, spontane, handtekening op het originele stuk document 1.

Hypothese B: De betwiste handtekening op document 2 (zijnde een kopie) is een kopie van een andere, spontane handtekening dan de handtekening op het originele stuk document 1.

De bevindingen van het onderzoek zijn veel (100-10.000 keer) waarschijnlijker wanneer hypothese A waar is dan wanneer hypothese B waar is.16

Ten aanzien van document 3 en 4

Tussen de handtekeningen op de documenten 3 en 4 is eveneens een opmerkelijk grote mate van overlap te zien. Omdat in de kopie op document 4 elementen zichtbaar zijn die ontbreken in de (doordruk)kopie op document 3, kan de op document 4 zichtbare handtekening geen directe kopie zijn van die op document 3. Gezien de geconstateerde mate van overlap is de kans groot dat de ontbrekende elementen wel zichtbaar zijn in het origineel van de op document 3 doorgedrukte handtekening.

Conclusie

De bevindingen geven veel steun voor een nieuwe hypothese, hypothese E:

De betwiste handtekening op document 4 (zijnde een kopie) is een kopie van de originele, spontane handtekening waaruit de doorslag is ontstaan op document 3.17

Ten aanzien van feit 2

[benadeelde 2] heeft op 8 april 2014 aangifte tegen verdachte gedaan en bij de politie verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik heb verdachte leren kennen omdat hij als adviseur van [benadeelde 4] bij mij thuis kwam. Ik heb hem in november 2013 om hulp verzocht. [verdachte] zei dat wij oververzekerd waren. Hij was van mening dat de verzekering van Reaal overbodig was. [verdachte] gaf het advies om het premievrije deel uit te laten betalen. Het kwam voor mij en mijn vrouw op een bedrag van

€ 7.000,--. [verdachte] heeft alles met betrekking tot de verzekering van Reaal geregeld.18

In februari 2014 was [verdachte] weer bij ons thuis. Hij vroeg ons of wij hem een bedrag van

€ 10.000,-- konden lenen. Hij zat te wachten op papieren waar hij zijn handtekening op moest zetten, zodat hij zijn geld terug kon krijgen van de belastingdienst ofzo. Mijn vrouw

en ik wilden [verdachte] graag helpen, wij vonden het zielig. [verdachte] heeft mij op 6 februari 2014 meegenomen naar de ING bank. Hij heeft daar samen met mij een spoedbetaling van

€ 7.000,-- gedaan op zijn eigen rekening, Ik heb [verdachte] heel vaak gebeld, maar hij neemt niet op.19

In het dossier bevindt zich een bankafschrift met een spoedbetaling van € 7.000,-- aan [verdachte].20

Verbalisant [verbalisant] heeft het volgende gerelateerd -zakelijk weergegeven-:

Ik heb [benadeelde 2] meegedeeld dat [verdachte] had verklaard dat het bedrag van € 7.000,-- voor zijn werkzaamheden was. Ik hoorde dat de heer [benadeelde 2] verklaarde dat hij

€ 7.000,-- geleend had omdat [verdachte] aan had gegeven in de problemen te zitten omdat zijn vrouw de belasting niet goed ingevuld had. Hij verklaarde dat hij ook nooit heeft geweten dat [verdachte] er een andere zaak bij had. [benadeelde 2] verklaarde dat zij hun oudste zoon zijn verloren en dat [verdachte] die rol bijna invulde. [verdachte] gaf hen ook kussen en zoenen. De band was heel vertrouwelijk geworden.21

De getuige [getuige 1], schoonzoon van aangever, verklaarde dat [verdachte] heel amicaal met zijn schoonouders omging, alsof hij al jaren over de vloer kwam. Hij verklaarde dat [verdachte] zelf naar de keuken liep om koffie in te schenken. Hij schrok toen hij hoorde dat [verdachte] van het bedrijf [benadeelde 4] was en zijn schoonouders één keer in de week begeleidde en een kopje koffie kwam drinken. Mevrouw [benadeelde 2] had een goede band met [verdachte] en had het gevoel dat hij haar kind was.22

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [benadeelde 2] erg oververzekerd was en dat hij hem toen heeft geadviseerd één van zijn verzekeringen te stoppen.23

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij € 7.000,-- van [benadeelde 2] heeft ontvangen in ruil voor door hem verrichte werkzaamheden.24

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.2.

Overwegingen

Ten aanzien van de feiten 1 en 3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangeefster hem op 16 december 2013 heeft gevraagd om geld voor haar te pinnen. Op zijn verzoek heeft zij volgens verdachte een verklaring ondertekend dat zij haar bankpas ter beschikking stelde. Hij heeft diezelfde dag 1x voor haar gepind. Verder heeft hij op 17, 18 en 20 december 2013 telkens € 1.000,-- voor haar gepind. Hij heeft de gepinde bedragen op 20 december 2013 in één keer aan aangeefster gegeven. Op zijn verzoek heeft zij toen voor ontvangst van het geld getekend. Zij heeft toen gevraagd of verdachte nog meer geld voor hem wilde pinnen. Op 28 december

heeft verdachte dit geprobeerd en werd de pas door de geldautomaat ingeslikt. Aangeefster begon dingen door elkaar te halen en vergat het als verdachte langs kwam, aldus verdachte.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het door de verdachte geschetste scenario op geen enkele wijze steun vindt in het dossier, integendeel. Op grond van de aangifte, de verklaring van [getuige 2], de nadere verklaring van aangeefster van 30 december 201325 (waarin zij verklaart dat [verdachte] haar op 30 december 2013 in een telefonisch contact heeft laten weten dat hij het geld nog niet had gebracht) en het handschriftonderzoek (in onderling verband en samenhang bezien) acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - van oordeel dat verdachte de gelden die hij onder zich had omdat hij deze -kennelijk - voor [benadeelde 1] heeft gepind, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Dat verdachte mogelijk reeds voorafgaand aan het pinnen voornemens was de gelden voor zichzelf te behouden staat daaraan niet in de weg.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien -, voorts van oordeel dat verdachte de door hem voor aangeefster opgestelde documenten valselijk heeft opgemaakt.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij € 7.000,-- van [benadeelde 2] heeft ontvangen in ruil voor door hem verrichte werkzaamheden. Verdachte betwist dat hij het geld van [benadeelde 2] heeft geleend. Voorts heeft hij betwist hij bij [benadeelde 2] en zijn vrouw kind aan huis was, zijn eigen koffie inschonk en hen kuste.

De rechtbank heeft geconstateerd dat deze verklaring van verdachte op geen enkele wijze steun vindt in het dossier, integendeel.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een (verregaande) persoonlijke band tussen verdachte en de heer en mevrouw [benadeelde 2] was ontstaan. [benadeelde 2] heeft verklaard dat verdachte geen werkzaamheden voor hem heeft verricht. In de administratie van verdachte26 werd geen factuur (voor een totaal van € 7.000,--) of andere administratie inzake werkzaamheden voor [benadeelde 2] aangetroffen. Dat deze bij de doorzoeking kwijt zouden zijn geraakt, acht de rechtbank niet aannemelijk. Tot slot blijkt [verdachte] ook andere klanten van zijn werkgever (te weten [benadeelde 3], [B] en [C]) te hebben verzocht om hem geld te lenen. Hij zei ook tegen hen geldproblemen te hebben.27

In het licht van het bovenstaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - van oordeel dat verdachte door listige kunstgrepen (namelijk door naast een zakelijke ook een persoonlijke band met [benadeelde 2] aan te gaan en te zeggen dat zijn vrouw de belasting verkeerd had ingevuld, waardoor onterecht een groot geldbedrag aan de belasting was overgemaakt, en dat hij daarom geld wilde lenen, terwijl hij wist dat [benadeelde 2] korte tijd tevoren een groot geldbedrag had ontvangen) [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van € 7.000,--. Uit de verklaring van verdachte zelf leidt de rechtbank

af dat verdachte niet van plan is (geweest) het van [benadeelde 2] ontvangen bedrag terug te betalen.

Vrijspraak

Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen die erop kunnen duiden dat aangeefster [benadeelde 1] in het najaar van 2013 grote geldbedragen (in totaal: € 19.500,--) van haar bankrekening voor verdachte heeft opgenomen en aan hem heeft uitgeleend, welke bedragen volgens aangeefster niet door hem zijn terugbetaald, maar de verklaring van aangeefster dat deze geldbedragen aan verdachte zijn overhandigd, wordt op dit specifieke punt onvoldoende door aanvullend bewijs ondersteund. Het dossier bevat daardoor onvoldoende wettig bewijs voor oplichting of verduistering in de periode tot december 2013. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van verduistering cq. oplichting van deze geldbedragen.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde verduistering, de onder 2 tenlastegelegde oplichting en de onder 3 ten laste gelegde valsheid in geschrifte.

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tenlastegelegde oplichting en de onder 2 tenlastegelegde verduistering. De rechtbank zal verdachte dan ook van deze onderdelen van de tenlastelegging partieel vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en

met 12 september 2014 te Utrecht, (telkens) opzettelijk een aantal geldbedragen (4 x

1000 euro), toebehorende aan [benadeelde 1], welke goederen verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten welke geldbedragen verdachte voor voornoemde [benadeelde 1] had gepind, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 12 september 2014 te

Utrecht, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 7000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk een zakelijke en persoonlijke relatie aangegaan met die [benadeelde 2] en (ondermeer)

- tegen die [benadeelde 2] gezegd dat hij oververzekerd was en vervolgens die [benadeelde 2] geadviseerd het premie vrij deel uit te laten betalen en vervolgens voor die [benadeelde 2] geregeld dat dit premie vrije deel (van ongeveer 7000 euro) werd uitbetaald aan die [benadeelde 2] en

- vervolgens tegen die [benadeelde 2] gezegd dat door zijn, verdachtes, vrouw er onterecht een groot geldbedrag (ongeveer 13000 euro) was overgemaakt aan de belasting en vervolgens aan die [benadeelde 2] gevraagd of hij, verdachte, een geldbedrag van 10000 euro kon lenen en (vervolgens, toen [benadeelde 2] aangaf dat hij maar 7000 had) gevraagd of hij, verdachte, 7000 euro kon lenen tot hij, verdachte, het geld terug had van de belasting, waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en met 5 oktober 2014 te Utrecht, telkens een geschrift, te weten bevestigingen door [benadeelde 1] van een

ontvangst van een geldbedrag en het ter beschikking stellen van de bankpas van [benadeelde 1], welke bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk een handtekening geplaatst die door moest gaan voor de handtekening van die [benadeelde 1], zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

1 Verduistering;

2 Oplichting;

3 Valsheid in geschrift, meer malen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering en oplichting. Hij heeft met oudere mensen, met wie hij in contact is gekomen door zijn werk op het gebied van uitvaartverzekeringen, een persoonlijke band opgebouwd en zodoende hun vertrouwen gewonnen. Eén van de slachtoffers heeft hij gezegd haar pinpas aan hem te geven, zodat hij geld voor haar kon pinnen. Hij heeft vervolgens € 4.000,-- van haar rekening gehaald en deze bedragen zonder haar instemming voor zichzelf gehouden. Het andere slachtoffer heeft hij eerst geadviseerd om verzekeringsgelden uit te laten keren en vervolgens heeft hij later, door middel van een leugen, het slachtoffer, waarmee hij inmiddels een heel vertrouwelijke band had, ertoe bewogen om hem € 7.000,-- te lenen, die hij nooit heeft terugbetaald.
Verdachte heeft twee verklaringen gebruikt welke valselijk zijn opgemaakt. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van documenten met handtekeningen van het slachtoffer, waarover hij beschikte uit hoofde van zijn werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat dit ernstige feiten zijn. Verdachte heeft zijn slachtoffers kennelijk bewust uitgezocht, deze door hun hoge leeftijd kwetsbare personen als makkelijke prooi gezien, van wie hij zonder veel risico en met eenvoudige middelen geld afhandig kon maken. Hij heeft daar op schaamteloze en lafhartige wijze misbruik van gemaakt en deze mensen van hun (spaar)geld beroofd.
Door op voornoemde wijze te handelen heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem stelden, zij zijn door de verdachte gedupeerd en hen is overlast bezorgd. Verdachte heeft gehandeld uit puur winstbejag en zich niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden. Bovendien heeft verdachte door zijn optreden het vertrouwen in de medemens, van wie oudere mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, ernstig geschaad. Door gebruik te maken van twee valselijk opgemaakte verklaringen heeft verdachte getracht justitie te misleiden. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 21 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds tweemaal eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen;
- een verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 24 november 2014, waaruit volgt dat de reclassering vanwege de ontkennende houding van verdachte geen reclasseringscontact geïndiceerd acht.

Uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt ook dat verdachte bij de reclassering heeft verklaard dat hij nooit meer in deze branche werkzaam zal zijn, om dergelijke feiten in de toekomst te voorkomen. Nu verdachte dit in een eerdere rapportage in het kader van een eerdere strafzaak ook al heeft verklaard en desondanks weer in herhaling is gevallen, hecht de rechtbank hieraan geen geloof en acht zij de kans op recidive aanwezig.

Verdachte blijft elke betrokkenheid bij het tenlastegelegde ontkennen. Voorts heeft hij geen enkel berouw getoond ten aanzien van de door hem gemaakte slachtoffers.

Al het vorenstaande in aanmerking genomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. De rechtbank zal, nu de rechtbank minder dan de officier van justitie bewezen acht, tot een lagere straf

komen. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend en geboden.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De vordering van [A] (voor een totaal van € 24.500,--) wordt afgewezen omdat [A] heeft verklaard geen erfgenaam te zijn van de inmiddels overleden [benadeelde 1] en zodoende niet aangemerkt kan worden als belanghebbende.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De behandeling van de vordering van [benadeelde 2] (voor een totaal van € 7.300,--), levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is hiervoor aansprakelijk.

De rechtbank waardeert de materiële schade op € 7.000,--. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

Voor het (betwiste) restant van de vordering (€ 300,-- aan immaterieel schade) is de rechtbank van oordeel dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld dat deze schade is ontstaan en dat deze een rechtstreeks gevolg is van het bewezen geachte feit. Dit nadere onderzoek levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Nu niet is gebleken dat door de bewezen geachte feiten aan [benadeelde 3] rechtstreeks schade is toegebracht, is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Nu niet is gebleken dat door de bewezen geachte feiten aan [benadeelde 4] rechtstreeks schade is toegebracht, is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 225, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1 Verduistering;

2 Oplichting;

3 Valsheid in geschrift, meer malen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de benadeelde partijen

Wijst de vordering van [A] af.

Wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 7.000,--.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 2] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op het bedrag van € 7.000,-- ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 71 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.F. Haeck, voorzitter,

mrs. A. van Maanen en J.G. van Ommeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en

met 12 september 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

(telkens) opzettelijk een aantal geldbedragen (van 7000, 4500, 8000 en/of 4 x

1000 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte

(telkens) anders dan door misdrijf, te weten welke geldbedragen verdachte van

voornoemde [benadeelde 1] had geleend en/of voor voornoemde [benadeelde 1] had gepind, in

ieder geval onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en

met 12 september 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

(telkens) met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels

[benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van een aantal geldbedragen (van

7000, 4500, 8000 en/of 4 x 1000 euro)

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

(telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid

(als tussenpersoon in dienst van [benadeelde 4]) bemiddeld bij het afsluiten van een

uitvaartverzekering en/of (vervolgens) een anderszins zakelijke en/of

persoonlijke relatie aangegaan met die [benadeelde 1] en (ondermeer)

- meermalen tegen die [benadeelde 1] gezegd dat hij, verdachte, geld nodig had, onder

andere omdat zijn auto kapot was en/of de ramen van zijn, verdachtes, auto

waren ingegooid en/of zijn, verdachtes, auto was gestolen en/of (vervolgens)

aan die [benadeelde 1] gevraagd of hij, verdachte, geld kon lenen en/of

- tegen die [benadeelde 1] gezegd dat het onzin was dat ze een spaarrekening had en

dat ze haar geld beter op een betaalrekening kon hebben en/of

- tegen die [benadeelde 1] gezegd 'geef je pinpas aan mij, ik ga wel geld voor je

pinnen en dan kom ik het brengen', althans woorden van gelijke aard of

strekking

waardoor die [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgiftes;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

Hij

in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 12 september 2014

te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland

opzettelijk een geldbedrag (van 7000 euro), geheel of ten dele toebehorende

aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten welk

geldbedrag verdachte van voornoemde [benadeelde 2] had geleend, in ieder geval

onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij

in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 12 september 2014 te

Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het

aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of

meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels

[benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (van 7000 euro)

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid

(als tussenpersoon in dienst van [benadeelde 4]) bemiddeld bij het afsluiten van een

uitvaartverzekering en/of (vervolgens) en/of (vervolgens) een anderszins

zakelijke en/of persoonlijke relatie aangegaan met die [benadeelde 2] en (ondermeer)

- tegen die [benadeelde 2] gezegd dat hij oververzekerd was en/of dat de

verzekering van Reaal overbodig was en/of (vervolgens) die [benadeelde 2]

geadviseerd het premie vrij deel uit te laten betalen en/of (vervolgens)

voor/namens die [benadeelde 2] geregeld dat dit premie vrije deel (van ongeveer

7000 euro) werd uitbetaald aan die [benadeelde 2] en/of

- ( vervolgens) tegen die [benadeelde 2] gezegd dat zijn, verdachtes, vrouw een

er onterecht een groot geldbedrag (ongeveer 13000 euro) was overgemaakt aan de

belasting en/of (vervolgens) aan die [benadeelde 2] gevraagd of hij, verdachte,

een geldbedrag van 10000 euro kon lenen en/of (vervolgens, toen [benadeelde 2]

aangaf dat hij maar 7000 had) gevraagd of hij, verdachte, 7000 euro kon lenen

tot hij, verdachte, het geld terug had van de belasting

waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3.

Hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en

met 5 oktober 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland

(telkens) een geschrift, te weten bevestigingen door [benadeelde 1] van een

ontvangst van betaling en/of overdracht/afdracht van een geldbedrag en/of het

ter beschikking stellen van de bankpas van [benadeelde 1], welke bestemd waren

om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte (telkens) valselijk een handtekening geplaatst die door

moest gaan voor de handtekening van die [benadeelde 1], in elk geval een andere

handtekening dan die van hem verdachte, zulks (telkens) met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nr. PL0900-2014249590 z (gevoegd als bijlage 1 bij het dossier met nummer PL0900-2014249590 z-a) met doorgenummerde pagina’s 1-321) bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een proces-verbaal van aangifte door (wijlen) [benadeelde 1] d.d. 24 december 2013, p. 13

3 Idem, p. 14.

4 Een geschrift, zijnde een afschrift van de betaalrekening van[benadeelde 1], p. 19

5 Idem, p. 19

6 Idem, p. 24

7 Idem, p. 25

8 Pv verhoor getuige [getuige 2] (buurvrouw van [benadeelde 1]), p. 281.

9 Idem, p. 282.

10 Een geschrift, zijnde verklaring van overdracht van geld d.d. 20 december 2013, p. 286.

11 Een geschrift, zijnde een ter beschikking stelling van de bankpas d.d. 16 december 2013, p. 287.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 285.

13 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 9 december 2014.

14 Een geschrift, zijnde een NFI-Rapport d.d. 18 november 2014 “Vergelijkend onderzoek aan handtekeningen”, p. 4.

15 Idem, p. 10.

16 Idem, p. 11.

17 Idem, p. 12.

18 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2], d.d. 8 april 2014, p. 47.

19 Idem, p. 48.

20 Een geschrift, zijnde een afschrift betaalrekening van [benadeelde 2], p. 52.

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2014, p. 122.

22 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2014, p. 123.

23 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 30

24 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 9 december 2014.

25 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster, p. 16.

26 Proces-verbaal van bevindingen van doorzoeking, p. 134.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 32, p. 35 en p. 36.