Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6942

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
C-16-370779 - HA ZA 14-465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/20

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/370779 / HA ZA 14-465

Vonnis in incident van 10 december 2014

in de zaak van

[eiser] ,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [bedrijf] B.V,

wonende te Utrecht,

eiser in conventie in de hoofdzaak,

verweerder in reconventie in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. E.S.H. Wolfkamp te Utrecht,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

eiser in het incident,

advocaat mr. E.S. Ebels te Den Haag,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]worden genoemd.

1 . De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding, met producties,

  • de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] B.V., met productie,

  • de incidentele conclusie tot vrijwaring tevens conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde sub 1], met producties,

  • de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) is bij vonnis van 19 mei 2009 van de rechtbank Utrecht (thans Midden-Nederland) failliet verklaard.

2.2. Tot 2002 was [gedaagde sub 2] via [gedaagde sub 3]enig aandeelhouder van [bedrijf]. In 2002 werd mevrouw [A] (hierna: [A]) via [holding] B.V. (hierna: [holding]) minderheidsaandeelhouder voor 25%.

2.3. In de periode 2000 tot aan het faillissement zijn de volgende personen (indirect) bestuurder van [bedrijf] geweest: [gedaagde sub 2] via [gedaagde sub 3](21 februari tot en met 13 juli 2007), [A] via [holding] (29 maart 2002 tot en met 3 november 2006), [gedaagde sub 1] (1 december 2006 tot en met 6 maart 2009) en drs. [B] (19 maart 2009 tot en met 19 mei 2009).

2.4. De curator houdt [gedaagde sub 1] ex artikel 2:248 lid 1 BW aansprakelijk voor het boedeltekort. Voorts houdt de curator [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]op grond van artikel 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de door (de crediteuren van) [bedrijf] geleden schade.

2.5. [gedaagde sub 1] vordert in dit incident dat hem wordt toegestaan [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 2] B.V., [A] en [holding] in vrijwaring op te roepen. [gedaagde sub 1] voert daartoe aan dat hem geen blaam treft, dat het handelen van [gedaagde sub 2] en [A] de oorzaak van het faillissement is geweest en dat zij om die reden jegens hem aansprakelijk zijn indien hij in de hoofdzaak veroordeeld wordt tot betaling van enig bedrag aan de curator. De curator refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

2.6. Voor toewijzing van een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat eiser in het incident, de gewaarborgde ([gedaagde sub 1]), zich met redenen omkleed beroept op een rechtsverhouding met een derde, de waarborg, die meebrengt dat de waarborg verplicht is om de nadelige gevolgen van een eventuele veroordelende beslissing tegen de gewaarborgde in de hoofdzaak te dragen. Dat heeft [gedaagde sub 1] niet gedaan. Hij stelt enkel dat niet zijn handelen, maar het handelen van [gedaagde sub 2] en [A] de oorzaak van het faillissement is geweest. Indien dit verweer in de hoofdzaak deugdelijk blijkt zal de hoofdzaak voor [gedaagde sub 1] bevredigend eindigen, zodat geen regres nodig is. In dat geval is voor vrijwaring geen plaats. De incidentele vordering wordt daarom afgewezen.

2.7. [gedaagde sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, begroot op € 452,00 aan salaris advocaat.

3. De beoordeling in de hoofdzaak

3.1. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

3.2. Elk van partijen wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum aan de rechter (t.a.v. de roladministratie) en aan de wederpartij toe te zenden (kopieën van) de bescheiden (voor zover nog niet in het geding gebracht) waarop zij ter comparitie een beroep wenst te doen (zie artikel 2.9 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken).

3.3. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.4. De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

3.5. Ter comparitie zal niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

3.6. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn.

3.7. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen.

3.8. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.

3.9. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. wijst het gevorderde af,

4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van het incident, aan de zijde van curator tot op heden begroot op € 452,00,

in de hoofdzaak

4.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

4.4. bepaalt dat de curator, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [gedaagde sub 3]dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

4.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen twee weken na vonnisdatum voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari 2015 tot en met april 2015, bij welke opgave zij ten minste vijftien dagdelen vrij dienen te laten waarop de comparitie zou kunnen plaatsvinden, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

4.6. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

4.7. bepaalt dat na vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

4.8. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

4.9. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2014.

JK/4204