Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6924

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
C-16-339576 - HA ZA 13-169
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap eerst overleden ouder. Begrip inboedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0025
ERF-Updates.nl 2015-0087

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/339576 / HA ZA 13-169

Vonnis van 24 december 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W. Haasdijk te Badhoevedorp,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.A. de Vos-van der Eijk te Tiel,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. Gedaagden gezamenlijk zullen met [gedaagden] in mannelijk enkelvoud aangeduid worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 mei 2013 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 9 januari 2014 (in plaats van 2013 zoals abusievelijk in het proces-verbaal staat vermeld), in welk proces-verbaal de beslissing is opgenomen dat de schriftelijke reactie van [eiseres] op de conclusie van antwoord in conventie geen deel uitmaakt van de processtukken,

  • -

    de akte na comparitie van 5 maart 2014 van [eiseres],

  • -

    de akte uitlating van 5 maart 2014 van [gedaagde 1],

  • -

    de antwoordakte van 19 maart 2014 van [eiseres],

  • -

    de antwoordakte van 19 maart 2014 van [gedaagde 1],

  • -

    de antwoordakte 2 van 16 april 2014 van [eiseres],

  • -

    de antwoordakte van 21 mei 2014 van [gedaagde 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de kinderen van wijlen de heer [erflater] (hierna: erflater), overleden op [1993] te [plaats], België, en wijlen mevrouw [moeder] (hierna: moeder), overleden op [2012]. [gedaagde 2] is onder curatele gesteld.

2.2.

Erflater en moeder zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest, met uitsluiting van iedere gemeenschap.

2.3.

Erflater had de eigendom van de studio’s nummer 4B en 10 te [plaats]. De studio met nummer 10 is kort na het overlijden van erflater verkocht, waarna de opbrengst is verdeeld onder de erfgenamen. Erflater en moeder hadden de gezamenlijke eigendom van de recreatiewoning aan de [adres] te [plaats] (gemeente Wijdemeren) (hierna: de recreatiewoning te [plaats]).

2.4.

Erflater heeft bij zijn testament van 30 november 1993, opgemaakt naar Belgisch recht, over zijn vermogen beschikt. In het testament is vastgelegd, voor zover hier van belang:

2. Ik legateer aan mijn echtgenote:

a. a) de volle eigendom van het onroerend goed te [plaats], [adres], alsook mijn volledige inboedel, die aldaar voorhanden is, in de breedste zin van het woord;

b) het levenslang vruchtgebruik van al mijn rechten in de twee studio’s (“4 B” en “10”) in “Immeuble Foumon Tangou” te [plaats] en in ons vakantieverblijf te [plaats], alsmede het levenslang vruchtgebruik van mijn volledige inboedel die in die goederen voorhanden is, dit in de breedste zin van het woord;

c) de volle eigendom van de aandelen in die vennootschappen waarin ik, rechtstreeks of onrechtstreeks, een participatie heb van vijf procent van het kapitaal of meer, ook wanneer zulke aandelen door derden in hun eigen naam maar voor mijn rekening gehouden worden, bij voorbeeld onder fiduciair of trustverband.

Dit laatste legaat betreffende mijn aandelenbezit wordt gedaan op last voor mijn echtgenote jegens mijn overige erfgenamen en legatarissen een schuld te erkennen ter waarde van hun aanspraken op mijn nalatenschap, zoals deze aanspraken voortvloeien uit dit testament. [De vordering van mijn overige erfgenamen en legatarissen op mijn echtgenote zal enkelvoudige rente dragen aan de wettelijke rentevoet in Nederland welke, tesamen met de hoofdsom, slechts opeisbaar is bij haar overlijden. De gelegateerde aandelen zullen in pand worden gegeven als waarborg van de aflossing van de schuld die door mijn echtgenote zal onderschreven worden. De successierechten verschuldigd door mijn kinderen of afstammelingen zullen door mijn echtgenote betaald worden. De vordering van mijn echtgenote op mijn kinderen of afstammelingen die daardoor ontstaat, zal in mindering komen van hogergemelde vordering die zij zullen verkrijgen op mijn echtgenote. (…)

3. (…)

4. Ik beperk de rechten van mijn kinderen op hun voorbehouden erfdeel en legateer het saldo van het beschikbaar deel van mijn nalatenschap aan de vereniging zonder winstoogmerk “ANEBO”, die ik eerstdaags zal oprichten (…)

7. Voor het bepalen van het beschikbaar deel van mijn nalatenschap en van het voorbehouden erfdeel van mijn kinderen verwijs ik naar de bepalingen van de Belgische wet terzake.

2.5.

De vereniging zonder winstoogmerk “ANEBO” is nooit opgericht.

2.6.

Op een niet nader genoemde datum in 1996 heeft notaris mr. [A] een akte opgemaakt met daarin een overeenkomst tussen moeder aan de ene kant, in de akte aangemerkt als pandgever, en partijen aan de andere kant, aangemerkt als pandhouders. De inhoud van de overeenkomst luidt als volgt, voor zover hier van belang:

De vereniging zonder winstoogmerk “ANEBO”, waarvan sprake in het testament werd nooit opgericht.

Tengevolge hiervan hebben de erfgenamen op 25 mei 1994 een overeenkomst afgesloten waarvan de inhoud letterlijk als volgt luidt:

“Overeenkomst tussen : … Waarbij:

A.De erfgenamen, - naar aanleiding van de onduidelijkheid gerezen ingevolge de niet oprichting van de V.Z.W. ANEBO - , over gaan tot de interpretatie van de zinsnede in alinea twee onder punt 2.c, van het testament door wijlen de heer [erflater] gedicteerd aan notaris [A] te Antwerpen op dertig november negentienhonderd drieënnegentig, geregistreerd, die letterlijk als volgt luidt:

“Dit laatste legaat betreffende mijn aandelenbezit wordt gedaan op last van mijn echtgenote jegens mijn overige erfgenamen en legatarissen een schuld te erkennen ter waarde van hun aanspraken op mijn nalatenschap, zoals deze aanspraken voortvloeien uit dit testament.”

Door deze niet-oprichting van de V.Z.W. ANEBO zouden de aanspraken van de kinderen van de overledene op diens nalatenschap dermate groot worden dat de last opgelegd aan de weduwe, mevrouw [moeder], zou leiden tot een negatieve verkrijging in haar hoofde. Mede wegens de berusting door mevrouw [moeder] in het verzoek van wijlen haar echtgenoot geen andere rechten in de nalatenschap op te eisen, komen partijen overeen, de last in hoofde van mevrouw [moeder], en dus de vordering van de kinderen op haar, te beperken tot de tegenwaarde van de aandelen verkregen door mevrouw [moeder] ingevolge dezelfde beschikking onder 2c) van het testament.

B. Mevrouw [moeder] berust in het testament en verzaakt aan andere aanspraken op de nalatenschap dan deze die voortvloeien uit de beschikkingen opgenomen onder punt 2 van gezegd testament.

C. Partijen verbinden er zich toe het nodige te doen om de vordering van de kinderen op mevrouw [moeder] te waarborgen, hetzij door toekenning van een recht van bewindvoering aan een derde, hetzij door een pandstelling. Deze waarborg zal door een afzonderlijke overeenkomst worden vastgelegd.”

Opgave van de schuld

De pandgever erkent bijgevolg schuldig te zijn aan de pandhouders, zijnde de kinderen van de heer [erflater] voornoemd, een bedrag gelijk aan de waarde van de aanspraken van de erfgenamen op gezegde nalatenschap, zoals deze aanspraken voortvloeien uit het aangehaalde testament en uit de overeenkomst nadien tussen partijen afgesloten, waarbij de vordering van de kinderen op mevrouw [moeder] beperkt wordt tot de tegenwaarde van de aandelen door haar verkregen.

Dat overeenkomstig de aangifte van nalatenschap het volgende aandelen betreft met de opgegeven waarde op datum van overlijden:

(… opsomming aandelen, rechtbank)

SCHULDERKENTENIS

Derhalve erkent mevrouw [moeder] bij deze een schuld jegens haar drie kinderen, allen voornoemd, ten bedrage van HONDERDZEVENENTACHTIG MILJOEN ZEVENHONDERDZEVENENVEERTIGDUIZEND ZEVENHONDERD VIJFENTWINTIG FRANK (187.747.725,- F).

Zij herbevestigt, ingevolge haar berusting in het testament, dat deze vordering enkelvoudige rente zal dragen aan de wettelijke rentevoet in Nederland.

De komparanten onder 2, 3, en 4, pandhouders, weten dat hun vorderingen met de daarbij te rekenen rente, slechts opeisbaar zal zijn bij het overlijden van mevrouw [moeder], voornoemd onder 1.

Inpandgeving

Tot zekerheid van de betaling van voormelde schuld verklaart de pandgever ten titel van pand voornoemde aandelen in pand te hebben gegeven bij * te op *

(…)

Lasten en voorwaarden

1.De pandhouders erkennen dat * in het bezit werd gesteld van voormelde aandelen die * als pandhouder zal bewaren.

2.De pandhouders verbinden zich ertoe het pand op deze aandelen te lichten in voordeel van de pandgever in de mate dat deze schuld (hoofdsom en intresten) wordt terugbetaald.

3.De pandhouders hebben niet het recht enig gebruik te maken van de in pand gegeven aandelen.

2.7.

Moeder heeft bij testament van 14 juni 2010 – kort samengevat – [gedaagde 1] benoemd tot enig erfgenaam en executeur, [eiseres] en [gedaagde 2] onterfd en haar vier kleinkinderen een bedrag in contanten gelegateerd. [gedaagde 1] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.8.

[eiseres] heeft conservatoir deelgenotenbeslag gelegd op een bankrekening ten name van Erven Mevr. [moeder] en op een aantal roerende zaken die zich onder [gedaagde 1] bevinden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – de gemeenschap tussen partijen te verdelen, althans de wijze van verdelen te gelasten en [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Zij legt daaraan ten grondslag dat nu moeder inmiddels is overleden, zowel de nalatenschap van erflater als die van moeder gezamenlijk voor verdeling tussen partijen in aanmerking komen.

3.3.

[gedaagde 1] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen althans tot ontzegging van haar vorderingen met de veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde 1] vordert – kort samengevat – de door [gedaagde 1] voorgestelde wijze van verdelen van de studio in [plaats] en de recreatiewoning te [plaats] en de medewerking daaraan door [eiseres] alsmede opheffing van het door [eiseres] gelegde beslag, met de veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.6.

[eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde 1] in zijn vorderingen althans tot ontzegging van zijn vorderingen, met de veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Vanwege de samenhang tussen de beide zaken zullen deze gezamenlijk behandeld en beoordeeld worden.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat van verdeling van de nalatenschap van moeder, zoals door [eiseres] onder meer wordt gevorderd, in deze procedure geen sprake kan zijn. Zij is immers geen erfgenaam, zodat zij geen deelgenoot in deze nalatenschap is en haar vordering reeds om die reden strandt. In haar dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij aanspraak maakt op haar legitieme, maar het lichaam van de dagvaarding noch het petitum geeft voldoende aanknopingspunten om daarin een vordering tot uitkering van haar legitieme te zien, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Dat betekent dat in deze procedure alleen de verdeling van de nalatenschap van erflater aan de orde is. De rechtbank zal nu eerst beoordelen wat de omvang en de samenstelling was van de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden, aangezien partijen daarover van mening verschillen.

Omvang en samenstelling van de nalatenschap van erflater

4.3.

Niet in geschil is dat tot de nalatenschap behoort de studio te [plaats] (hierna: de studio) en de zich daarin bevindende inboedel en het onverdeelde aandeel (de helft) in de recreatiewoning en de onverdeelde helft van de zich daarin bevindende inboedel. Hieronder zal worden ingegaan op de wijze van verdelen van de hier genoemde onroerende goederen.

4.4.

Partijen twisten over de bestemming van de opbrengst van de veilingen die in 2007 en 2012 zijn gehouden waarbij namens moeder diverse roerende goederen zijn geveild. Volgens [eiseres] betreft dit goederen die niet tot de eigendom van moeder behoorden maar waarvan zij alleen het vruchtgebruik had, zodat de opbrengst deel uit maakt van de nalatenschap van erflater. Zij stelt dat uit de begripsbepaling van het woord “inboedel” in artikel 3:5 van het Burgerlijke Wetboek (BW) volgt dat aan moeder geen kunstobjecten zijn gelegateerd omdat “verzamelingen van voorwerpen van kunst” zijn uitgezonderd van het geheel van goederen dat onder “inboedel” valt. [gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat de geveilde goederen inboedelgoederen waren als bedoeld in bepaling 2a van het testament van erflater. Deze goederen waren afkomstig uit de ouderlijke woning in [plaats] te België. De opbrengst behoort zodoende tot de nalatenschap van moeder en niet tot die van erflater, aldus [gedaagde 1].

4.5.

De rechtbank overweegt het volgende. In het testament is aan moeder de woning te [plaats] met de zich daarin bevindende inboedel “in de breedste zin van het woord” gelegateerd. [gedaagde 1] heeft aangevoerd, en dat is vervolgens onvoldoende door [eiseres] bestreden, dat de ouders van partijen welgesteld waren zodat tot de inboedel ook antieke en/of kunstvoorwerpen behoorden. Aangezien niet slechts “inboedel” maar “inboedel in de breedste zin van het woord” in het testament is opgenomen, heeft erflater kennelijk in zijn testamentaire bepaling een ruimere betekenis aan het begrip inboedel willen toekennen dan door de wetgever is gedaan in de hiervoor genoemde, door [eiseres] aangehaalde, wettelijke bepaling. Onder het door erflater gehanteerde begrip vallen dan niet alleen de roerende zaken die tot de huisraad, stoffering en meubilering behoren maar ook de overige elementen die tot de inrichting en verfraaiing van de woning in [plaats] behoorden. Als het om een kunstverzameling zou gaan die niet valt onder “inboedel in de breedste zin van het woord”, zoals [eiseres] heeft betoogd, dan had het in de rede gelegen dat erflater daarover afzonderlijk zou hebben beschikt in zijn testament zoals hij ook met zijn andere vermogensbestanddelen heeft gedaan. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het standpunt van [gedaagde 1] te volgen, zodat de opbrengst van de veilingen niet kan worden aangemerkt als tot de nalatenschap van erflater behorend.

4.6.

[gedaagde 1] heeft voorts betoogd dat de goederen die door [eiseres] in de dagvaarding zijn genoemd, eveneens goederen zijn die behoren tot de inboedel die aan moeder is gelegateerd zodat deze evenmin tot de te verdelen nalatenschap van erflater behoren. Ten aanzien van de “12-persoons verzilverde bestekcassette Auerhahn in 3-ladenkastje” heeft [eiseres] ter zitting aangevoerd dat deze tot de inboedel van de recreatiewoning te [plaats] behoorde. Door [gedaagde 1] is dit gemotiveerd weersproken, inhoudende dat hij samen met [eiseres] en een taxateur naar de inboedel van moeder, waaronder de cassette, heeft gekeken. [eiseres] heeft haar stelling daarna niet nader onderbouwd. Ook ten aanzien van de andere goederen heeft ze onvoldoende aangevoerd dat deze tot de inboedel van de recreatiewoning te [plaats] respectievelijk de studio behoorden. Om die reden is haar aanspraak op die goederen niet komen vast te staan. Dat betekent dat zij zonder grond beslag heeft doen leggen op deze goederen. De rechtbank zal – zoals door [gedaagde 1] is gevorderd – dit beslag opheffen.

4.7.

Voorts is in geschil of een bedrag van € 73.776,87 tot de te verdelen nalatenschap behoort. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat moeder dit bedrag ten onrechte heeft opgenomen van de rekening onder nummer [nummer] bij de ABN Amro ten name van De erven van de heer [erflater]. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat, als [eiseres] al een vordering op hem als erfgenaam van moeder heeft, hetgeen hij betwist, dit niet valt onder de door [eiseres] gevorderde verdeling zodat een dergelijke vordering geen deel uitmaakt van deze procedure. De rechtbank overweegt dat uit de dagvaarding niet voldoende duidelijk blijkt dat [gedaagde 1] anders dan als deelgenoot in de nalatenschap van erflater (en ook van moeder, hoewel onjuist) wordt aangesproken. Bovendien ontbreekt in het petitum een vordering tot betaling van het door [eiseres] genoemde bedrag door [gedaagde 1] – in hoedanigheid van erfgenaam van moeder – aan de nalatenschap van erflater. Op grond van het voorgaande kan de rechtbank niet ingaan op de door [eiseres] genoemde uitgaven door moeder, nu [eiseres] niet op adequate wijze een vordering dienaangaande heeft ingesteld.

4.8.

Hoewel [eiseres] de tot de nalatenschap van erflater behorende aandelen niet heeft genoemd in haar opsomming van de tot de nalatenschap behorende goederen, zal de rechtbank ingaan op de rechten van partijen dienaangaande omdat partijen hierover wel hebben gedebatteerd en dit punt hen kennelijk verdeeld houdt. Uit de onder 2. weergegeven overeenkomst blijkt dat partijen met hun moeder hebben afgesproken dat zij hun aanspraken vanwege hun rechten uit de nalatenschap van hun vader beperken tot, kort samengevat, de waarde van de aandelen die moeder krachtens het testament in legaat had verkregen. [gedaagde 1] heeft gesteld dat moeder aan zowel [eiseres] als aan [gedaagde 1] al bij haar leven een derde (1/3) deel van de totale waarde van dit aandelenpakket heeft uitgekeerd in de vorm van aandelen. Dit is onvoldoende door [eiseres] bestreden zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Dat betekent dat moeder jegens [eiseres] en [gedaagde 1] haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft nageleefd en [eiseres] op dit punt niets meer heeft te vorderen. Dat het niet tot de vestiging van het pandrecht is gekomen, doet daaraan niet af. Aangezien aan [gedaagde 2] niet al een dergelijke betaling door moeder is gedaan, is deze verplichting jegens [gedaagde 2] wel blijven bestaan. Deze vordering van [gedaagde 2] op de nalatenschap van moeder valt echter buiten het bestek van de verdeling van de nalatenschap van erflater die in deze procedure is gevorderd.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de helft van de inboedel behorende bij de recreatiewoning te [plaats] en de volledige inboedel behorende tot de studio tot de nalatenschap van erflater behoort en dat deze verdeeld dient te worden. Partijen hebben op dit punt geen beslissing van de rechtbank verlangd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen de verdeling van deze goederen zelf tot stand brengen.

De recreatiewoning te [plaats] en de studio

4.10.

Partijen twisten over de waarde van de recreatiewoning te [plaats] en over de wijze van verdelen. De recreatiewoning is op 27 maart 2003 te koop gezet voor een bedrag van € 895.000,00, maar dat heeft niet tot verkoop van het pand geleid. De makelaar heeft op 1 juni 2005 de verkoopopdracht teruggegeven. [eiseres] heeft ter zitting eerst verklaard dat zij het pand toebedeeld wil krijgen tegen niet meer dan € 340.000,00, omdat er volgens haar problemen met de fundering zijn waardoor het pand dreigt weg te zakken. Zij heeft een taxatierapport van 1 oktober 2013 van het pand door makelaar [B] (hierna: makelaar [B]) in het geding gebracht, waarin een marktwaarde van € 340.000,00 is genoemd, rekening houdend met een investering van € 72.000,00 voor het herstel van de fundering van het getaxeerde inclusief de reparatie van de gevolgschade. Volgens haar moeten er dringend maatregelen genomen worden om (verdere) verzakking van het pand te voorkomen. [gedaagde 1] heeft laten weten te kunnen instemmen met toebedeling van het pand aan [eiseres], maar niet tegen de door haar voorgestelde waarde omdat de recreatiewoning volgens hem, gelet op de ligging aan de Loosdrechtse Plassen, veel meer waard is. Om tot een oplossing te komen, hebben partijen tijdens de zitting de afspraak gemaakt dat ook [gedaagde 1] aan een door hem te kiezen makelaar opdracht zal geven het pand te taxeren. Indien partijen dan nog niet tot overeenstemming kunnen komen, zouden partijen de beide makelaars opdracht geven een derde makelaar te benoemen. Daarna dienden deze drie makelaars een eensluidende taxatie uit te brengen. [eiseres] zou de recreatiewoning tegen de alsdan bepaalde waarde toebedeeld krijgen. Deze afspraak heeft er echter niet toe geleid dat op dit punt een minnelijke regeling is bereikt. Ten eerste heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat zij de recreatiewoning niet zonder meer toebedeeld dient te krijgen maar alleen “desgewenst” en ten tweede is er geen eensluidende taxatie van de drie ingeschakelde makelaars tot stand gekomen. De door [gedaagde 1] ingeschakelde makelaar, [C], komt uit op een marktwaarde met de aanname van permanente woondoeleinden (gelet op het voorontwerp tot wijziging van het huidige bestemmingsplan) van € 625.000,00 en een marktwaarde met de aanname van recreatieve woondoeleinden van € 475.000,00. Vervolgens is door de beide taxateurs een derde taxateur ingeschakeld, te weten mr. [D]. Uit zijn taxatierapport d.d. 1 april 2014 blijkt dat hij en makelaar [B] de marktwaarde taxeren op € 355.000,00. De andere makelaar, [C], heeft zich daar echter niet mee kunnen verenigen zodat een eensluidend oordeel is uitgebleven. De rechtbank overweegt dat nu partijen geen overeenstemming over de waarde van de recreatiewoning te [plaats] hebben weten te bereiken en de door of namens hen ingeschakelde makelaars geen eensluidende taxatie hebben uitgebracht, er geen gevolg kan worden gegeven aan de ter zitting gemaakte afspraak dat het pand aan [eiseres] zal worden toebedeeld.

4.11.

De rechtbank zal, rekening houdend met de belangen van partijen, bepalen dat de woning wordt verdeeld door deze te verkopen waarna de verkoopopbrengst tussen de drie partijen zal worden verdeeld. Daarbij hebben [eiseres] en [gedaagde 2] ieder recht op een zesde (1/6) deel van de opbrengst en [gedaagde 1] op vier zesde (4/6) deel. Aangezien in het geval van verkoop aan een derde alle partijen belang hebben bij een zo hoog mogelijke verkoopprijs, zal de rechtbank bepalen dat de verkoopopdracht aan makelaar [C] verstrekt dient te worden aangezien hij van de drie makelaars de vrije verkoopwaarde het hoogste taxeert. De door hem getaxeerde waarde van € 475.000,00 dient dan als reëel te verwachten verkoopprijs te gelden, gelet op de huidige bestemming (recreatieve doeleinden). Dat kan betekenen dat de vraagprijs in eerste instantie hoger zal zijn. Partijen dienen zich daarbij te richten naar het advies van deze makelaar. Indien verkoop van het pand tegen een verkoopprijs van minimaal € 475.000,00 niet binnen twee maanden na dit vonnis is gerealiseerd, dienen partijen met de makelaar in overleg te treden over een nieuwe vraag- en laatprijs. Partijen dienen zich ook dan weer te richten naar het advies van de makelaar. Indien de door de makelaar geadviseerde laatprijs op enig moment overeenkomt met de waarde waartegen [eiseres] het pand toebedeeld wil krijgen, dient haar de mogelijkheid te worden geboden het pand tegen deze waarde toebedeeld te krijgen onder de voorwaarde dat zij de andere deelgenoten hun vorderingen wegens onderbedeling zal voldoen, in die zin dat aan [gedaagde 1] een bedrag van vier zesde (4/6) deel van de waarde en aan [gedaagde 2] een bedrag van een zesde (1/6) deel van de waarde zal toekomen. De rechtbank zal bepalen dat in alle gevallen de kosten van de makelaar door partijen zullen worden gedragen in de volgende verhouding: een zesde (1/6) deel door [eiseres], een zesde (1/6) deel door [gedaagde 2] en vier zesde (4/6) deel door [gedaagde 1].

4.12.

[eiseres] dient, zoals [gedaagde 1] heeft gevorderd, mee te werken aan bezichtigingen door potentiele kopers van de recreatiewoning door de recreatiewoning te [plaats] telkens een uur voordat de bezichtiging plaatsvindt te verlaten en niet eerder in de woning terug te keren dan na afloop van de bezichtiging. Bij verkoop aan een derde dient zij de recreatiewoning uiterlijk een week voor de overdracht te verlaten, te ontruimen en in verzorgde staat, dat wil zeggen bezemschoon, achter te laten. Voor een machtiging om de ontruiming op kosten van [eiseres], zo nodig zelf te doen bewerkstelligen of desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie, bestaat geen grond. De bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming vloeit namelijk reeds voort uit de artikelen 555 en 444 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Ten aanzien van de kosten geldt dat op voorhand niet valt vast te stellen of er ontruimingskosten zullen worden gemaakt en zo ja, wat daarvan de omvang zal zijn, zodat deze niet kunnen worden toegewezen.

4.13.

Gelet op de moeizame onderhandelingen tussen partijen met betrekking tot de recreatiewoning te [plaats], ziet de rechtbank aanleiding [eiseres] te veroordelen om mee te werken aan de verstrekking van de verkoopopdracht aan de makelaar en aan de verkoop en levering van dit pand, en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de door haar te verrichten rechtshandelingen, telkens indien zij de benodigde medewerking niet binnen een week na het eerste verzoek daartoe (door [gedaagde 1], zijn advocaat, de makelaar en/of de notaris die het transport verzorgt) verleent.

4.14.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde 1] de studio zou laten taxeren, dat deze taxatie tussen partijen bindend zou zijn en dat [gedaagde 1] zou onderzoeken of hij de studio tegen die waarde toebedeeld wil krijgen. Inmiddels is duidelijk dat de taxateur de waarde van de studio op CHF 82.500,00 heeft bepaald. [gedaagde 1] heeft de rechtbank (nog) niet laten weten of hij de studio wil overnemen tegen deze waarde. De rechtbank zal daarom als wijze van verdelen bepalen dat de studio tegen de hiervoor genoemde waarde aan hem dient te worden toebedeeld onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde 1] daarmee instemt binnen twee maanden na de datum van dit vonnis en met de bepaling dat [gedaagde 1] aan [eiseres] en aan [gedaagde 2] een bedrag van CHF 27.500,00 per persoon zal voldoen. Indien [gedaagde 1] niet binnen twee maanden instemt met deze toebedeling, of zich daarover niet binnen deze termijn heeft uitgelaten of indien hij het genoemde bedrag niet binnen deze termijn aan [eiseres] en [gedaagde 2] voldoet, dient de studio te worden verkocht. Partijen dienen zich in dat geval te richten naar het advies van de makelaar, met dien verstande dat het hiervoor genoemde bedrag van CHF 82.500,00 in eerste instantie als minimum verkoopprijs heeft te gelden. Indien de studio vervolgens niet binnen twee maanden is verkocht, dienen partijen met de makelaar in overleg te treden over de te hanteren vraag- en laatprijs en zich te richten naar het advies van de makelaar. Partijen zijn ieder gerechtigd tot een derde (1/3) deel van de verkoopopbrengst. In beide gevallen zal [eiseres] moeten meewerken aan alle daarvoor benodigde (rechts)handelingen. Een veroordeling daartoe acht de rechtbank echter niet op zijn plaats, aangezien [eiseres] met [gedaagde 1] ter zitting reeds heeft afgesproken dat de taxatie van de makelaar bindend is en dat aan [gedaagde 1] de keuze wordt gelaten om de studio over te nemen of dat deze aan een derde wordt verkocht, zodat er geen reden is om aan te nemen dat [eiseres] niet zou meewerken aan levering van haar onverdeelde aandeel in de studio aan [gedaagde 1] of aan een derde. De rechtbank zal voorts bepalen dat in alle gevallen iedere partij een derde (1/3) deel van de makelaarskosten dient te dragen.

4.15.

De vorderingen van [gedaagde 1] die zien op de taxatie van de beide panden (in het petitum opgenomen onder I tot en met IV en gedeeltelijk onder VII) zullen worden afgewezen nu deze vanwege de afspraken ter zitting en de hiervoor genomen beslissingen door de rechtbank als achterhaald kunnen worden beschouwd.

Beslag en proceskosten

4.16.

De rechtbank zal het namens [eiseres] gelegde beslag op de bankrekening bij de Rabobank onder nummer [nummer] ten name van de Erven mevrouw [moeder] opheffen aangezien de rechtbank van oordeel is dat, zoals hiervoor is overwogen, de vordering van [eiseres] dient te worden afgewezen voor zover deze ziet op aanspraken op de nalatenschap van moeder en het beslag in verband daarmee is gelegd.

4.17.

Omdat partijen broer en zuster(s) van elkaar zijn ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

in reconventie

5.1.

heft op het beslag op de zich onder [gedaagde 1] bevindende roerende zaken, welke staan vermeld in het proces-verbaal van deurwaarder C.J.U.M. Ramakers van 11 februari 2013,

5.2.

heft op het beslag op de bankrekening onder nummer [nummer] bij de Rabobank Vijfheerenlanden te Vianen ten name van de Erven mevrouw [moeder],

in conventie en in reconventie

5.3.

gelast de volgende wijze van verdelen van de recreatiewoning te [plaats]:

5.3.1.

door of namens partijen dient aan makelaar [C] te Hilversum opdracht te worden gegeven tot verkoop van de recreatiewoning gelegen aan de [adres] te [plaats] (kadastraal bekend gemeente Loosdrecht, sectie I, nummer 1245),

5.3.2.

voor de vraagprijs dienen partijen zich te richten naar het advies van de makelaar, met dien verstande dat € 475.000,00 als minimum verkoopprijs heeft te gelden,

5.3.3.

indien de recreatiewoning niet binnen twee maanden na de datum van dit vonnis is verkocht, dienen partijen met de makelaar in overleg te treden over de te hanteren vraag- en laatprijs en zich te richten naar het advies van de makelaar,

5.3.4.

indien de makelaar op enig moment een laatprijs adviseert die overeenstemt met de waarde waartegen [eiseres] de woning toebedeeld wil krijgen, dient zij de woning toebedeeld te krijgen onder de voorwaarde dat zij de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die wegens de overbedeling van [eiseres] ontstaan, zal voldoen,

5.3.5.

in alle gevallen dienen de makelaarskosten door [eiseres], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de volgende verhouding gedragen te worden: een zesde (1/6) deel door [eiseres], een zesde (1/6) deel door [gedaagde 2] en vier zesde (4/6) deel door [gedaagde 1],

5.3.6.

bij verkoop van de woning aan een derde komt de opbrengst volgens de volgende verhouding aan partijen toe: een zesde (1/6) deel aan [eiseres], een zesde (1/6) deel aan [gedaagde 2] en vier zesde (4/6) deel aan [gedaagde 1],

5.4.

veroordeelt [eiseres] om mee te werken aan bezichtigingen door potentiële kopers van de recreatiewoning te [plaats] door de recreatiewoning telkens een uur voordat de bezichtiging plaatsvindt te verlaten en daarin niet eerder terug te keren dan na afloop van de bezichtiging,

5.5.

veroordeelt [eiseres] om bij verkoop van de recreatiewoning te [plaats] aan een derde, de recreatiewoning uiterlijk een week voor de overdracht te verlaten, te ontruimen en bezemschoon achter te laten,

5.6.

bepaalt dat indien [eiseres] niet binnen een week na het eerste verzoek daartoe zoals genoemd in rechtsoverweging 4.13. haar medewerking verleent aan het verstrekken van de verkoopopdracht van de makelaar zoals onder 5.3.1. genoemd en/of aan het sluiten van de koopovereenkomst en/of aan de levering van de recreatiewoning, dit vonnis telkens in de plaats treedt van de door haar te verrichten rechtshandeling,

5.7.

gelast de volgende wijze van verdelen van de studio:

5.7.1.

de studio 4B in “[naam]” te [plaats] te Zwitserland, dient te worden toebedeeld aan [gedaagde 1] tegen het bedrag van CHF 82.500,00 onder de (opschortende) voorwaarde dat hij daarmee instemt binnen twee maanden na de datum van dit vonnis,

5.7.2.

[gedaagde 1] dient daarbij aan [eiseres] en [gedaagde 2] een bedrag van CHF 27.500,00 te voldoen wegens overbedeling,

5.7.3.

indien [gedaagde 1] niet binnen twee maanden na dit vonnis heeft ingestemd met de hierboven genoemde toebedeling en/of niet binnen deze termijn het bedrag van CHF 27.500,00 aan [eiseres] en aan [gedaagde 2] heeft overgemaakt, dient de studio te worden verkocht,

5.7.4.

voor de vraagprijs dienen partijen zich dan te richten naar het advies van de makelaar, met dien verstande dat CHF 82.500,00 als minimum verkoopprijs heeft te gelden,

5.7.5.

indien de studio vervolgens niet binnen twee maanden na verstrekking van de verkoopopdracht is verkocht, dienen partijen met de makelaar in overleg te treden over de te hanteren vraag- en laatprijs en zich te richten naar het advies van de makelaar,

5.7.6.

bij verkoop van de studio komt aan iedere partij een derde (1/3) deel van de opbrengst toe,

5.7.7.

in alle gevallen dienen partijen ieder een derde (1/3) deel van de makelaarskosten te dragen,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.1

1 type: HP coll: AFH