Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6915

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
UTR 13/5527
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3539, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek handhaving van derde met betrekking tot belemmeren openbaarheid pad. Omstandigheid dat geen handhavingsverzoek is ingediend door degene die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, brengt op zichzelf niet mee dat deze niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit omtrent het al dan niet toepassen van handhavingsmaatregelen. Wettelijke grondslag voor bevoegdheid om handhavend op te treden indien openbaarheid van wegen wordt belemmerd is gelegen in artikel 2:10, derde en vierde lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet. Eiser is geen belanghebbende. Bezwaar is terecht, zij het op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard. Beroep gegrond en in stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/5527

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder

(gemachtigden: mr. R. Oosterhuis en J. Riemens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[X], vertegenwoordigd door haar maten [A], [B] en [C]te [woonplaats].

Procesverloop

Bij schrijven van 28 december 2011 heeft verweerder aan eiser zijn aan een ander ([naam 1]) gerichte besluit van 12 oktober 2011 om (voorlopig) te weigeren handhavend op te treden tegen het door derde-partij belemmeren van de openbaarheid van een voetpad op het perceel [adres 1] te [woonplaats], kenbaar gemaakt.

Bij brief van 13 augustus 2013 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat een vooraankondiging van handhavend optreden is toegezonden aan derde-partij met betrekking tot het belemmeren van de openbaarheid van het voetpad.

Bij besluit van 17 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het op 30 december 2011 gemaakte bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Onderhavige zaak is gelijktijdig met de beroepen met nummers UTR 13/2916,

UTR 14/1088, UTR 13/5528 en UTR 14/2267 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank op de zitting van 12 juni 2014 behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting toen aangehouden. Bij brief van 4 juli 2014 heeft de rechtbank de zaken doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft vervolgens, gelijktijdig met de behandeling van de beroepen met nummers UTR 14/1088, UTR 13/5528 en UTR 14/2267, plaatsgevonden op 22 september 2014. Het beroep met nummer UTR 13/2916 is op

22 september 2014 afzonderlijk ter zitting behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is verschenen [B], vergezeld van zijn partner.

In de genoemde zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is eigenaar van het perceel [adres 2] te [woonplaats] en exploiteert op deze locatie een paardenfokkerij. Derde-partij exploiteert een veehouderij op het perceel [adres 1] te [woonplaats]. Het voetpad, bekend als het [adres 3], is gedeeltelijk gelegen op het perceel [adres 1]. Het betreft een pad met een lengte van 265 meter en loopt vanaf de [adres 3] tot aan de [adres 3] te [woonplaats]. Het [adres 3] wordt op de 2e wijzigingslegger van 26 juli 1967 aangeduid met nummer 7, en de naam [adres 3].

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit enerzijds, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, gesteld dat het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is omdat er inmiddels (op 13 augustus 2013) een positief besluit is genomen op het verzoek om handhaving.

Anderzijds staat in het advies van de commissie bezwaarschriften waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, dat eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij geen belanghebbende is nu hij zelf geen verzoek tot handhaving heeft ingediend, maar een andere verzoeker dit heeft gedaan

3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bestreden besluit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, innerlijk tegenstrijdig is. Het beroep is in zoverre reeds gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

4. De rechtbank zal, in het belang van een definitieve beslechting van het geschil, de vraag beantwoorden of met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

5. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder het standpunt gehandhaafd dat eiser geen belanghebbende is bij het primaire besluit, omdat hij geen verzoek tot handhaving heeft gedaan.

6. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon volgens vaste rechtspraak een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

7. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ4962) overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat geen handhavingsverzoek is ingediend door degene die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, op zichzelf niet meebrengt dat deze niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit omtrent het al dan niet toepassen van handhavingsmaatregelen. In dat verband heeft de ABRvS overwogen dat betekenis toekomt aan het feit dat een dergelijk besluit niet slechts op verzoek, maar ook ambtshalve door het bevoegd gezag kan worden genomen. Een andere opvatting zou tot het uit het oogpunt van effectieve geschilbeslechting minder wenselijke gevolg leiden dat eiser alsnog een verzoek om handhaving zou kunnen doen, waarna na een bezwaarprocedure materieel hetzelfde geschil in een aparte procedure aan de bestuursrechter zou kunnen worden voorgelegd.

De enkele omstandigheid dat niet eiser maar een ander het handhavingsverzoek heeft gedaan, leidt dus niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid. Eiser is echter, zoals uit het navolgende blijkt, wel op andere gronden niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

8. Ingevolge artikel 1:1, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2013 (APV) wordt verstaan onder weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ingevolge artikel 2:10, derde en vierde lid, van de APV, voor zover van belang, is het verboden de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.

9. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 15 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1113) voortvloeit dat de wettelijke grondslag voor de bevoegdheid om handhavend op te treden indien de openbaarheid van wegen wordt belemmerd is gelegen in artikel 2:10, derde en vierde lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet.

10. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser - waar het gaat om de openbaarheid van het op het perceel van derde-partij gelegen (deel van) het [adres 3] - niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aangemerkt worden, omdat niet gesproken kan worden van een bijzonder individueel belang dat eiser onderscheidt van willekeurige andere personen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard regelmatig voor recreatieve doeleinden gebruik te maken van het [adres 3]. De enkele omstandigheid dat eiser voor recreatieve doeleinden gebruik maakt van het [adres 3] maakt op zichzelf niet dat hij een persoonlijk belang heeft bij de openbaarheid van het [adres 3] dat zich in voldoende mate onderscheidt van dat van anderen die daarvan gebruik willen maken. Het perceel van eiser grenst voorts weliswaar aan één kant aan het perceel van derde-partij, maar het [adres 3] is geheel aan de andere (niet-aangrenzende) kant van het perceel van derde-partij gelegen. Gelet op de afstand tussen het [adres 3] en de stoeterij zelf, kan niet worden volgehouden dat de gestelde belemmering van de openbaarheid van het [adres 3] voor eiser en zijn onderneming van enige ruimtelijk relevante betekenis kan zijn. Dit betekent dat verweerder terecht, zij het op onjuiste gronden, heeft geconcludeerd dat het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit zal de rechtbank dan ook in stand laten.

11. Gelet op het voorgaande, behoeven de overige gronden van beroep geen bespreking.

12. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de kosten van door [K] van het [naam 2] beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van door [K] verleende bijstand in deze procedure en in verband daarmee gemaakte kosten. De rechtbank wijst het verzoek in zoverre af. Eiser heeft tevens verzocht om vergoeding van zijn reis- en verletkosten van totaal € 260,-. De rechtbank stelt overeenkomstig artikel 8:75 van de Awb in samenhang met artikel 1, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de reiskosten van eiser vast op € 18,12 zijnde de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse, om twee zittingen bij te kunnen wonen. De verletkosten van eiser worden overeenkomstig artikel 1, onder d, van het Bpb vastgesteld op € 42,- uitgaande van 6 uur en een minimaal te hanteren uurtarief van € 7,-. Tevens dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 60,12 te betalen aan eiser;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. V.M.M. van Amstel en

mr. J.M. Willems, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.E. van Kessel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.