Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6857

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
UTR 13- 2486
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet schadefonds geweldsmisdrijven, eigen aandeel, geen disproportioneel geweld.

Eiser is slachtoffer geworden van mishandeling door de dader, waarbij eiser vervolgens ernstig letsel heeft opgelopen waardoor hij volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de dader als eerste een klap in het gezicht heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de intentie van eiser met het geven van de klap in het gezicht van de dader niet relevant is. Hoewel de dader duidelijk was richting eiser (hij wilde geen klap in het gezicht) heeft eiser toch een klap uitgedeeld. De vraag is of de dader vervolgens disproportioneel heeft gehandeld. De rechtbank gaat er van uit dat de dader eiser een klap of een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. De dader heeft op geweld met de blote hand gereageerd met geweld met de blote hand. Dat hij mogelijk harder heeft geslagen dan eiser en dat eiser met de vlakke hand heeft geslagen en de dader mogelijk niet, maakt niet dat verweerder het geweld van de dader disproportioneel heeft hoeven te achten. Verweerder heeft derhalve de aanvraag om een uitkering in redelijkheid kunnen afwijzen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/2486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.M.G. Pouls),

en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Wallet).

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen om medische stukken te overleggen ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij ernstig neusletsel heeft opgelopen als gevolg van de gebeurtenis op 11 juli 2010. Bij brief van 3 september 2014 met bijlagen heeft eiser gereageerd, waarna verweerder in de gelegenheid is gesteld te reageren. Op 17 oktober 2014 is de reactie van verweerder ontvangen. Bij brief van 10 november 2014 heeft verweerder nog een vraag van de rechtbank over het beleid dat gold ten tijde van de bestreden besluitvorming beantwoord. Na de verkregen toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is op 11 juli 2010 het slachtoffer geworden van mishandeling door de heer [dader] (hierna: de dader). Hij heeft vervolgens ernstig letsel opgelopen waardoor hij volledig arbeidsongeschikt is geraakt.

2. Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Wsg, omdat verweerder het aannemelijk acht dat eiser een eigen aandeel heeft gehad in wat er is gebeurd, zodat eiser de schade zelf moet dragen.

3. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wsg kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

4. Op grond van artikel 5 van de Wsg kan een uitkering achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de dader als eerste een klap heeft gegeven. Eiser is echter van mening dat het gaat om een zogenaamde “happy slap”, een vriendelijke klap met de vlakke hand in het gezicht. Bovendien had de dader rekening moeten houden met het feit dat eiser had gedronken en had kunnen vallen. Eiser heeft in dit verband voorts aangevoerd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen door artikel 5 van de Wsg toe te passen. De dader heeft wel degelijk geweld gebruikt tegen eiser, welk geweld mogelijk disproportioneel was. Daarnaast is eiser van mening dat gezien de ernst van het letsel, namelijk hersenletsel, de aanvraag niet volledig dient te worden afgewezen, maar dat een gedeeltelijke toewijzing op zijn plaats zou zijn wanneer de schade al niet volledig zou worden vergoed.

6. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 5 van de Wsg de vraag dient te worden beantwoord of het slachtoffer het geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer werd had kunnen en moeten voorkomen. Ter invulling van deze bevoegdheid voert verweerder beleid. De uitgangspunten hiervan staan in paragraaf 1.5 van de beleidsbundel. Bekeken wordt of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij kon en moest verwachten dat de dader geweld tegen hem zou toepassen. In die gevallen waarin het geweld tegen het slachtoffer niet in verhouding staat tot wat hem is te verwijten en het letsel zeer ernstig is, wijst verweerder de aanvraag niet volledig af, maar bepaalt hij de uitkering op een lager bedrag. Toepassing van dit beleid leidt volgens verweerder tot de conclusie dat eiser als eerste geweld heeft gebruikt en daarmee een eigen aandeel heeft gehad in hetgeen is gebeurd. Het letsel is weliswaar ernstig, maar de reactie van de dader was volgens verweerder niet disproportioneel. Eisers aanvraag wordt derhalve volledig afgewezen.

7. De rechtbank stelt voorop dat de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg terughoudend dient te worden getoetst, aangezien de beslissing over een uitkering uit het schadefonds op een discretionaire bevoegdheid van verweerder berust. Dit geldt tevens voor de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5 van de Wsg. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder in redelijkheid een uitkering uit het schadefonds heeft kunnen weigeren.

8. Op grond van paragraaf 1.5 van de beleidsbundel kan een uitkering achterwege blijven of op een lager bedrag worden vastgesteld, als de toegebrachte schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan slachtoffer is toe te rekenen (artikel 5 van de Wsg). Bij de bepaling of er sprake is van een eigen aandeel van het slachtoffer zal de vraag beantwoord moeten worden of het slachtoffer het geweldsmisdrijf had kunnen en moeten voorkomen. Bekeken wordt of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten. Om te bepalen of een uitkering wordt toegewezen dan wel afgewezen worden de handelingen van het slachtoffer en de dader met elkaar vergeleken. Indien het geweld dat op een slachtoffer is toegepast vergelijkbaar is met het geweld dat het slachtoffer zelf als eerste heeft toegepast, dan wordt een aanvraag volledig afgewezen. De rechtbank oordeelt dat dit beleid in beginsel niet onredelijk is.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de intentie van eiser met het geven van de klap in het gezicht van de dader niet relevant is. De dader was kennelijk niet van de klap gediend en heeft ook blijkens verschillende getuigenverklaringen, inclusief de verklaring van de broer van eiser voorafgaand aan de klap tegen eiser gezegd dat hij niet geslagen wilde worden. Ook een vriend van eiser, aan wie eiser een klap wilde geven, heeft laten blijken hier niet van gediend te zijn. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eiser tot het inzicht had moeten komen dat zijn klappen in het gezicht niet werden gewaardeerd door de aanwezigen en dat hij er mee moest stoppen. Hoewel de dader duidelijk was richting eiser, heeft eiser toch een klap uitgedeeld.

10. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat de dader disproportioneel heeft gehandeld omdat eiser naast hersenletsel ook ernstig neusletsel heeft opgelopen en dit niet kan zijn veroorzaakt door slechts een klap in het gelaat overweegt de rechtbank als volgt.

11. De rechtbank gaat er vanuit dat de dader eiser een klap of een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Dat leidt de rechtbank af uit de eigen aangifte van eiser, neergelegd in een proces-verbaal van 11 juli 2011, waarbij eiser spreekt over een harde klap recht op zijn neus. Dat proces-verbaal heeft hij na doorlezing en volharding ondertekend en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit proces-verbaal onjuist is, zodat van zijn verklaring moet worden uitgegaan. Tevens is in de medische informatie van de afdeling neurologie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht van 12 juli 2010 over het verblijf van eiser op de afdeling Spoedeisende hulp vermeld onder: Anamnese: Heteroanamnese ambulance en broer: “(…) klap in het gelaat gehad en gevallen op het hoofd (…)”. Voorts is daarin vermeld dat op de spoedeisende hulp is geconstateerd dat de bovenlip aan de linkerzijde gezwollen was, er een scheefstand van de neus was en eiser een bloedneus heeft gehad. Er is röntgenonderzoek gedaan en geen melding gemaakt van een neusfractuur. Niet is gebleken dat een behandeling voor de scheefstand van het neustussenschot of van de bloedneus (epistaxis) nodig was. Er was geen septumhematoom. In verklaringen van twee getuigen (van [getuige 1] en eisers broer [getuige 2] d.d. 14 april 2014 in een voorlopig getuigenverhoor in een civiele zaak en van [getuige 2] van 25 september 2011 bij de politie) wordt gesproken over een vuistslag. Dat in de verpleegkundige overdracht van eiser d.d. 3 augustus 2010 wordt gesproken over “forse klappen op het gezicht” leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, want dit wordt niet ondersteund door het verslag van de afdeling neurologie die eiser op de afdeling Spoedeisende hulp heeft gezien en een heteroanamnese van eisers broer ([getuige 2]) heeft opgenomen en ook niet door eisers aangifte of door de overgelegde getuigenverklaringen.

12. De dader heeft dus op geweld met de blote hand gereageerd met geweld met de blote hand. Dat hij mogelijk harder heeft geslagen dan eiser en dat eiser met de vlakke hand heeft geslagen en de dader mogelijk niet, maakt niet dat verweerder het geweld van de dader, gelet op de verweerder toekomende discretionaire bevoegdheid, disproportioneel heeft hoeven te achten. De rechtbank betrekt hierbij dat het letsel in het gezicht blijkens hetgeen in overweging 11 is overwogen, niet zodanig ernstig was dat hierover anders zou moeten worden geoordeeld. Dat eiser dronken was en had kunnen vallen, hetgeen ook is gebeurd, heeft dit voor verweerder niet anders hoeven te maken. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat het geven van een klap door de dader niet disproportioneel is in reactie op de klap die eiser hem heeft gegeven. Een klap terugkrijgen is in de situatie waarin je iemand slaat, en dat ondanks een waarschuwing, redelijk voorzienbaar. De ernst van het letsel dat eiser door zijn val heeft opgelopen is, hoe zeer ook voor eiser te betreuren, in het kader van de door verweerder te verrichten beoordeling, gelet hierop, niet relevant. Verweerder heeft derhalve de aanvraag om een uitkering in redelijkheid geheel kunnen afwijzen.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. ter Brugge, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.