Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6833

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
C/16/348640 / HA ZA 13-533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Vernietiging bindend advies van de Restitutiecommissie. Er zal met inachtneming van het vonnis een nieuw bindend advies door deze commissie moeten worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/348640 / HA ZA 13-533

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

1 [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats], Zuid-Afrika,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats], Zuid-Afrika,

eiseressen,

advocaat mr. P.W.L. Russell,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. van der Vliet.

Partijen zullen hierna [eiseressen c.s.] en Gemeente Utrecht genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 oktober 2013,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2014.

    1.2. [eiseressen c.s.] heeft voorafgaand aan de comparitie van partijen een akte wijziging van eis, tevens overlegging producties, met schriftelijke toelichting aan de rechtbank en gedaagde toegezonden. De rechtbank heeft tijdens de comparitie van partijen bepaald dat dit stuk wordt geweigerd, met dien verstande dat dat de bij dit stuk overgelegde producties als ter zitting ingediend worden beschouwd en dat de inhoud van deze producties bij repliek nader moeten worden toegelicht, in het bijzonder aan de hand van de punten zoals opgesomd in het proces-verbaal. De wijziging van eis is wel toegestaan, omdat de Gemeente Utrecht daartegen geen bezwaar had.

1.3.

Het proces-verbaal van comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk hun op- en aanmerking op dit proces-verbaal te geven. [eiseressen c.s.] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 7 april 2014.

1.4.

Vervolgens heeft [eiseressen c.s.] een conclusie van repliek genomen en Gemeente Utrecht een conclusie van dupliek. [eiseressen c.s.] en Gemeente Utrecht hebben daarna ieder nog een nadere conclusie genomen, waarna vonnis is bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gemeente Utrecht is eigenaar van het schilderij [naam schilderij 1]
(ca. 1530) van de kunstenaar Jan [kunstschilder] (hierna: het schilderij).

2.2.

Het schilderij bevindt zich in de collectie van het [museum] (hierna: het Museum) en wordt vanaf 1958 in opdracht van Gemeente Utrecht
door haar beheerd.


2.3. Het schilderij was tot november 1933 in eigendom van de joodse ondernemer
[B] ([jaar]) (hierna: [B]).

2.4.

[eiseressen c.s.] is gerechtigd tot de nalatenschap van [B].
De oma van [eiseressen c.s.], [A] (hierna:
[A]), was enig erfgenaam van [B]. De moeder van [eiseressen c.s.] was op haar beurt enig erfgenaam van [A] en [eiseressen c.s.] is erfgenaam van haar moeder.

2.5.

[eiseressen c.s.] heeft aanspraak gemaakt op de restitutie van het schilderij wegens de door haar gestelde onvrijwilligheid van het bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het nazi-regime.

2.6.

Bij besluit van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
van 16 november 2001 (hierna: het Instellingsbesluit) is de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (hierna: de Restitutiecommissie) ingesteld.

2.7.

In artikel 2 van het Instellingsbesluit is het volgende bepaald:

1. Er is een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over
de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de
oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime
onvrijwillig het bezit heeft verloren en die zich thans in bezit van de Staat der Nederlanden
bevinden.

2. De commissie heeft voorts tot taak op verzoek van de minister advies uit te brengen over
geschillen over teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door
omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime onvrijwillig het bezit verloor of
diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden.

3. De minister dient een verzoek om advies als bedoeld in het tweede lid uitsluitend in bij de
commissie, indien de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenamen en de huidige bezitter
gezamenlijk de minister daarom gevraagd hebben.

4. De commissie verricht de adviestaak, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van het
rijksbeleid ter zake.

5. De commissie verricht de adviestaak, bedoeld in het tweede lid, naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid.”.

2.8.

Partijen hebben de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gezamenlijk verzocht om de Restitutiecommissie te verzoeken om advies uit te brengen over de teruggave van het schilderij aan [eiseressen c.s.] De Staatssecretaris heeft vervolgens bij brief van 28 november 2011 de Restitutiecommissie verzocht om dit advies te geven.

2.9.

De zaak is door de Restitutiecommissie in behandeling genomen (dit onder nummer: RC 3.131). [eiseressen c.s.] is in deze procedure bijgestaan door advocaat mr. O. Ossmann te Zwitserland (hierna te noemen: mr. Ossmann). Gemeente Utrecht is in deze procedure niet door een gemachtigde bijgestaan.
Tegelijk met deze zaak waren er nog drie andere zaken bij de Restitutiecommissie aanhangig, waarin [eiseressen c.s.] aanspraak maakte op restitutie van een schilderij.


2.10. Partijen hebben in het kader van de procedure bij de Restitutiecommissie schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het door de commissie vastgestelde ‘Reglement inzake adviesprocedure in het kader van artikel 2, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (hierna: het Reglement), en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden. Dit Reglement is door beide partijen als productie in het geding gebracht. In dit Reglement is – voor zover in deze zaak van belang – het volgende vermeld:

“Artikel 3
De commissie adviseert naar redelijkheid en billijkheid, waarbij de commissie in ieder geval in de overwegingen kan betrekken:
a. de Internationaal en nationaal aanvaarde beginselen zoals de Washington Principles en
de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst voor zover zij van
overeenkomstige toepassing zijn;
b. de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan;
c. de mate waarin de verzoeker zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen;
d. de omstandigheden van de verwerving door de bezitter en het door hem verrichte onderzoek vóór
de verwerving van het werk;
e. het belang van het werk voor de verzoeker;
f. het belang van het werk voor bezitter;

g. het belang van het openbaar kunstbezit.”.

Artikel 6
1. (…)
2. De commissie stelt partijen in de gelegenheid om binnen zes weken een toelichting te geven op
hun standpunt en de commissie van nadere toelichting te voorzien.

4. De commissie kan, na ontvangst van de door de bezitter gegeven toelichting, in iedere stand van de
behandeling bepalen:
a. dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden;
b. dat de commissie zelfstandig inlichtingen zal inwinnen en/of nader onderzoek zal verrichten;
d. dat de verzoeker en/of bezitter nadere stukken of informatie zullen geven met inachtneming van
een door de commissie te bepalen termijn.
(…)
Artikel 7
3. Partijen kunnen tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling stukken aan de commissie
toezenden.

Artikel 8
1. In het geval de commissie bepaalt dat zij zelfstandig nader onderzoek zal verrichten, dan legt zij
haar bevindingen vast in een conceptonderzoeksrapport.
2. De commissie zendt het conceptonderzoeksrapport naar partijen. Deze kunnen hierop schriftelijk
reageren binnen een termijn van zes weken.
4. De commissie stelt vervolgens het onderzoeksrapport vast en geeft mede op basis daarvan haar
advies.
5. Indien het nader onderzoek is beperkt tot het horen van getuigen of deskundigen of tot het laten

uitvoeren van een onderzoek door één of meer door haar aan te wijzen deskundige(n), dan kan de
commissie volstaan met toezending van het verslag hiervan aan partijen, waarop deze binnen een

termijn van twee weken kunnen reageren.

Artikel 9
Partijen zenden alle stukken die zij in deze procedure aan de commissie doen toekomen terstond in afschrift aan de andere partij.”.

2.12.

De Restitutiecommissie heeft beide partijen verzocht om een door haar aan hen verstrekt vragenformulier in te vullen, hetgeen partijen hebben gedaan.
De Restitutiecommissie heeft bepaald dat partijen elkaar geen stukken moeten sturen maar dat zij uitsluitend via de Restitutiecommissie moeten communiceren.

2.13.

De Restitutiecommissie heeft vervolgens een zelfstandig onderzoek verricht en daarvan een conceptonderzoeksrapport opgesteld gedateerd 7 januari 2013, welk rapport zij bij brief/e-mail van 8 januari 2013 aan partijen heeft gezonden met daarbij de opmerking dat partijen in de gelegenheid worden gesteld om binnen zes weken schriftelijk op dit conceptrapport te reageren. Bij dit conceptrapport waren twaalf bijlagen gevoegd.

2.14.

Bij brief van 1 februari 2013 heeft de Restitutiecommissie nadere vragen aan Gemeente Utrecht gesteld.


2.15. Op 7 februari 2013 heeft door middel van een videoverbinding een gesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter en de secretaris van de Restitutiecommissie en
[eiseressen c.s.], met een geluidsverbinding met mr. Ossmann. Tijdens dit gesprek heeft één van de echtgenoten van [eiseressen c.s.] het woord gevoerd voor
[eiseressen c.s.]

2.16.

Mr. Ossmann heeft namens [eiseressen c.s.] bij brief van 18 februari 2013 op het conceptonderzoeksrapport gereageerd.

2.17.

Gemeente Utrecht heeft bij e-mail van 22 februari 2013 op het conceptonderzoeksrapport en de aan haar gerichte brief van de Restitutiecommissie van
1 februari 2013 gereageerd.

Deze e-mail luidt – voor zover in deze zaak van belang – als volgt:

“ Graag reageer ik hierbij op het conceptonderzoeksrapport van de restitutiecommissie inzake de claim [B] ten aanzien van de [naam schilderij 1] van Jan [kunstschilder], (…). Het rapport lijkt mij volledig.

Wat u vragen gesteld in de brief d.d. 1 februari 2013 betreft bericht ik u het volgende.
- Op 5 maart zullen wij vanuit het museum met twee personen zijn vertegenwoordigd:
[C] (directeur) en ondergetekende,
- De [naam schilderij 1] is in 1971 getaxeerd op 500.000 gulden. Het schilderij is
in 1998 maar de restaurator gegaan in Amsterdam en was toen door ons verzekerd voor
750.000 gulden. In 2008/2009 is het schilderij uitgeleend aan Museum Boijmans
Van Beuningen in verband met de Erasmus tentoonstelling. Bij die gelegenheid was het
door het museum zelf verzekerd (er heeft dus geen nieuwe taxatie plaatsgevonden) voor
2.000.000 euro. Dit bedrag is door het museum, zoals gebruikelijk bij bruikleenverkeer,
bewust heel hoog gehouden. Als vergelijking dient te worden opgemerkt dat het museum
in 1997 [naam schilderij 2] van Jan [kunstschilder], paneel 47,4 x 32,8 cm heeft aangekocht (de
tweede eigenhandige madonna van de in totaal drie door [kunstschilder]) voor 230.000 gulden.
- Het schilderij is twee keer gerestaureerd en twee keer van een nieuwe lijst voorzien.
Daarnaast zijn kosten gemaakt in verband met technisch onderzoek (…).”.


2.18. De Restitutiecommissie heeft bij brief gedateerd 25 februari 2013 aan
[eiseressen c.s.] en Gemeente Utrecht ter voorbereiding op de – reeds eerder door haar aan beide partijen aangekondigde – mondelinge behandeling van 5 maart 2013, nog de volgende informatie verstrekt:
- een overzicht van de door de Restitutiecommissie van partijen ontvangen stukken,
- een samenvatting aanvullend onderzoek door de Restitutiecommissie.



[eiseressen c.s.] stelt zich op het standpunt dat zij deze brief pas bij e-mail van
4 maart 2013 heeft ontvangen.



2.19. Op 5 maart 2013 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

[eiseressen c.s.] is daarbij vertegenwoordigd door mr. Ossmann, vergezeld door de historica [E] van het historisch onderzoeksbureau Facts & Files te Berlijn.
Voor het Museum waren [C] (directeur) en [D] (conservator oude kunst) aanwezig. Tijdens deze mondelinge behandeling is een DVD vertoond van het gesprek op 7 februari 2013 met [eiseressen c.s.].

2.20.

Bij brief en e-mail van 6 maart 2013 heeft de Restitutiecommissie aan
mr. Ossmann meegedeeld dat zij voldoende informatie heeft verkregen, dat de onderzoeksfase is gesloten, dat zij geen verdere informatie nodig heeft en dat het niet
langer mogelijk is om stukken in te dienen.

2.21.

Bij brief en e-mail van 8 maart 2013 heeft de Restitutiecommissie aan
mr. Ossmann gezonden een afschrift van de brief van Gemeente Utrecht van
22 februari 2013 (zoals geciteerd in 2.17.).

2.22.

Op 25 april 2013 heeft de Restitutiecommissie haar bindend advies gegeven.
Dit advies houdt in dat Gemeente Utrecht (het Centraal Museum) niet gehouden is tot teruggave van het schilderij noch tot betaling van enige compensatie.

3 Het geschil

3.1.

[eiseressen c.s.] vordert – na wijzigingen van eis – dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a) het tussen partijen op 25 april 2013 gegeven bindend advies van de Restitutiecommissie
(met nummer RC 3.131) wordt vernietigd, en vervolgens

primair, Gemeente Utrecht te veroordelen tot teruggave van het schilderij, althans

subsidiair de zaak terug te verwijzen naar de Restitutiecommissie,
b) Gemeente Utrecht wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten te
vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eiseressen c.s.] stelt zich op het standpunt dat het door de Restitutiecommissie gegeven bindend advies als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden gekwalificeerd en dat dit bindend advies gelet op het bepaalde in artikel 7:904 lid 1 BW vernietigbaar is, omdat het door de wijze van totstandkoming en/of inhoud zo gebrekkig is, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, dat partijen elkaar daaraan houden.

3.3.

Gemeente Utrecht voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De onderhavige zaak betreft een internationaal geschil aangezien
[eiseressen c.s.] in Zuid-Afrika woont en Gemeente Utrecht in Nederland is gevestigd. De rechtbank dient dan ook eerst ambtshalve vast te stellen of hij rechtsmacht heeft. Geconcludeerd wordt dat dit het geval is. Partijen hebben zich hierover niet uitgelaten en hebben kennelijk stilzwijgend een forumkeuze voor de Nederlandse rechter gemaakt.

Verder stelt de rechtbank vast dat partijen het erover eens zijn dat dit geschil aan de hand van het Nederlandse recht moet worden beoordeeld, zodat de rechtbank dit zal doen.


4.2. De rechtbank stelt vast dat partijen het (terecht) erover eens zijn dat het bindend advies van de Restitutiecommissie dient te worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit brengt mee dat het bepaalde in titel 15 van boek 7 BW van toepassing is.
4.3. Als uitgangspunt geldt dat partijen gebonden zijn aan het bindend advies van de Restitutiecommissie. Dit leidt echter ingevolge het bepaalde in artikel 7:904 lid 1 BW uitzondering wanneer gebondenheid aan het bindend advies in verband met inhoud of
wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
In dat geval geldt dat het bindend advies vernietigbaar is. De rechter dient bij de beantwoording van de vraag of het bindend advies gelet op de hiervoor weergegeven maatstaf vernietigbaar is, terughoudendheid in acht te nemen.


4.4. [eiseressen c.s.] stelt zich op het standpunt dat de Restitutiecommissie bij de beoordeling van haar restitutieverzoek van een onjuist toetsingskader is uitgegaan. De Restitutiecommissie had volgens [eiseressen c.s.] het verzoek moeten beoordelen aan de hand van het Rijksbeleid en de Washington Principles. Op grond van dat toetsingskader, dat uitgaat van een moreel-beleidsmatige benadering, zou het verzoek van

[eiseressen c.s.] moeten zijn toegewezen, aldus het standpunt van

[eiseressen c.s.]


4.5. De Restitutiecommissie heeft als primaire taak de minister van OCW op diens verzoek te adviseren over individuele verzoeken tot restitutie van kunstvoorwerpen die
in het bezit van de Staat zijn (artikel 2 lid 1 Instellingenbesluit). Daarnaast adviseert de Restitutiecommissie over restitutiekwesties waarbij de Staat niet is betrokken, zoals bij claims op kunstvoorwerpen uit provinciale of gemeentelijke collecties (artikel 2 lid 2 Instellingenbesluit). De onderhavige zaak heeft betrekking op deze laatste situatie. Hiervoor geldt – anders dan [eiseressen c.s.] kennelijk meent – een ander beoordelingskader dan voor claims op kunstvoorwerpen in rijksbezit. Claims op kunstvoorwerpen in rijksbezit dienen te worden beoordeeld aan de hand van het Rijksbeleid (artikel 2 lid 4 Instellingenbesluit), terwijl claims op kunstvoorwerpen uit provinciale of gemeentelijke collecties dienen te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 lid 5 Instellingenbesluit). Ten aanzien van deze laatste claims geldt dan ook dat de Restitutiecommissie meer discretionaire beoordelingsruimte heeft, zij kan de belangen van de verschillende partijen tegen elkaar afwegen, en zij kan dan ook andere oplossingen adviseren dan uitsluitend teruggave van het geclaimde kunstwerk.
Het standpunt van [eiseressen c.s.] dat de onderhavige claim alleen dient te worden beoordeeld aan de hand van het Rijksbeleid en de Washington Principles gaat
gezien het voorgaande dan ook niet op. Het is dan ook, in tegenstelling tot wat
[eiseressen c.s.] meent, niet zo dat – zoals het Rijksbeleid en de Washington Principles voorschrijven/adviseren – een restitutieverzoek moet worden gehonoreerd, wanneer, zoals in de onderhavige zaak het geval is, vaststaat dat het betreffende cultuurgoed onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het
nazi-regime.

4.6.

[eiseressen c.s.] kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat de Restitutiecommissie bij de beoordeling van het restitutie-verzoek de wederzijdse belangen van partijen zou meewegen. Het beoordelingskader volgt uit het bepaalde in artikel 2 lid 5 Instellingenbesluit. Bovendien is in artikel 3 van het Reglement – welk reglement [eiseressen c.s.] voorafgaand aan de procedure bij de Restitutiecommissie heeft ontvangen en waaraan zij zich heeft geconformeerd – vermeld dat de Restitutiecommissie naar redelijkheid en billijkheid beslist en dat zij daarbij in ieder geval de in dit artikel vermelde omstandigheden zal kunnen betrekken, waaronder de mate waarin de verzoeker zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen, de omstandigheden van de verwerving door de bezitter en het door hem verrichte onderzoek vóór de verwerving van het werk, het belang van het werk voor de verzoeker, het belang van het werk voor bezitter, het belang van het openbaar kunstbezit. [eiseressen c.s.] diende er dan ook rekening mee te houden dat er door de Restitutiecommissie vragen zou worden gesteld over de wederzijdse belangen van partijen.



4.7. Uit het bindend advies volgt dat de Restitutiecommissie in lijn met het in
artikel 3 Reglement weergegeven beoordelingskader het verzoek van [eiseressen c.s.]
tot teruggave van het schilderij heeft beoordeeld. Zij heeft vastgesteld dat
[eiseressen c.s.]thans als enige is gerechtigd tot de nalatenschap van [B] (7.2 van het bindend advies), dat [B] het bezit van het schilderij onvrijwillig heeft verloren vanwege het nazi-regime (7.3 en 7.4 van het bindend advies) en dat Gemeente Utrecht eigenaar is van het schilderij (7.5 van het bindend advies). Vervolgens heeft zij de wederzijdse belangen van partijen afgewogen en op grond daarvan geoordeeld dat het belang van Gemeente Utrecht bij behoud van het schilderij zwaarder weegt dan het belang van [eiseressen c.s.] bij teruggave van het schilderij (7.6 van het bindend advies).

4.8.

De belangenafweging die de Restitutiecommissie heeft gemaakt is, weergegeven in 7.6 van het bindend advies. Deze overweging luidt als volgt:

“ 7.6. Thans komt de commissie toe aan een afweging van de belangen van partijen bij teruggave respectievelijk behoud van het schilderij. Op dit punt overweegt de commissie als volgt.

Het belang van verzoekers bij teruggave van het onderhavige schilderij, enerzijds, is het terughalen van familiegeschiedenis (‘Getting family history back’) waarbij verzoekers hebben gewezen op de hechte vriendschap tussen hun grootmoeder [A] en het echtpaar [B]. Door de onderling verweven, door vervolging en vlucht bepaalde geschiedenissen van hun eigen familie en die van het echtpaar [B], is het werk met hen verbonden. Als erfgenamen van [B] achten verzoekers het daarnaast rechtvaardig om terug te krijgen wat hun toebehoort.

Anderzijds heeft het Museum betoogd dat het onderhavige schilderij van groot belang en beeldbepalend is voor zijn collectie. Het Museum heeft er in dat kader op gewezen dat:

het Museum zich sinds zijn ontstaan toelegt op het samenbrengen van een zo volledig mogelijk overzicht van de Utrechtse schilderkunst, waarvoor het oeuvre van de Utrechtse schilder [kunstschilder] van essentieel belang is;

het Museum het grootste aantal schilderijen van [kunstschilder] ter wereld beheert en in het verleden al vier monografische tentoonstellingen over deze kunstenaar heeft georganiseerd;

het specifieke belang van dit werk volgt uit het feit dat het thans geclaimde schilderij een van de sleutelstukken is van de permanente opstelling. Het werk is uitvoerig beschreven in publicaties;

het Museum het onderhavige kunstwerk tweemaal heeft gerestaureerd en er veelvuldig onderzoek naar heeft gedaan.

Oordelend naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid komt de commissie tot de conclusie dat het door verzoekers aangevoerde belang bij teruggave van het geclaimde schilderij onvoldoende gewicht in de schaal legt om het eigendomsrecht van dit werk voor het Museum terzijde te schuiven. Verzoekers staan niet in familierelatie tot [B], hebben hem nooit gekend en hebben geen herinneringen aan het schilderij. Dat de kunstcollectie van groot belang moet zijn geweest voor [B] staat los van het belang van het werk voor verzoekers, terwijl de bijzondere vriendschap tussen [B] en hun grootmoeder [A] naar het oordeel van de commissie niet door de kunstcollectie van [B] wordt belichaamd. Daarbij komt dat uit niets blijkt dat [B] of zijn erfgenaam in een eerder stadium pogingen heeft ondernomen om het schilderij terug te vinden.

De commissie is daartegenover van oordeel dat het Museum overtuigend heeft aangetoond dat het behoud van het schilderij van groot belang is voor de collectie van het Museum en voor het museumpubliek.

Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat het belang van verzoekers, ondanks de aanvaarde onvrijwilligheid van het bezitsverlies door [B] als een direct gevolg van het naziregime in Duitsland, niet opweegt tegen het belang van het Museum. Zij zal partijen adviseren dat het Museum het schilderij [naam schilderij 1] niet behoeft terug te geven aan verzoekers.
(…).”.


4.9. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die – uitgaande van de feitelijke juistheid van de omstandigheden die aan deze belangenafweging ten grondslag liggen – de conclusie dragen dat daarbij de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, zijn overschreden. Met andere woorden de Restitutiecommissie heeft op basis van de aan haar belangenafweging ten grondslag liggende omstandigheden in redelijkheid kunnen oordelen dat de belangenafweging in het voordeel van
Gemeente Utrecht uitpakt. Het bindend advies is om die reden dan ook niet vernietigbaar.

4.10.

[eiseressen c.s.] betoogt dat de Restitutiecommissie gelijke zaken ongelijk heeft behandeld/beoordeeld en dat het bindend advies om die reden niet in stand kan blijven. Volgens [eiseressen c.s.] waren de omstandigheden in de zaak tegen Groninger Museum (bekend onder nummer RC 3.126) gelijk aan die in de onderhavige zaak en is het restitutieverzoek in de zaak tegen het Groninger Museum wel toegewezen.

Dit betoog gaat niet op. Uit het bindend advies in de zaak tegen het Groninger Museum, welk advies door [eiseressen c.s.] in het geding is gebracht, kan worden opgemaakt dat er geen sprake was van gelijke omstandigheden. In de zaak tegen het Groninger Museum is overwogen dat het museum geen kunsthistorisch of ander belang bij behoud van het schilderij heeft aangevoerd en dat het museum weinig of geen belangstelling voor het schilderij heeft, hetgeen ook blijkt uit het feit dat het schilderij zich reeds lange tijd in depot bevindt en gedurende de laatste decennia niet is tentoongesteld of is uitgeleend (zie 7.6. van het bindend advies inzake de zaak tegen Groninger Museum). In de onderhavige zaak is nu juist overwogen dat Gemeente Utrecht heeft betoogd dat het schilderij van groot belang en beeldbepalend is voor zijn collectie.

4.11.

[eiseressen c.s.] voert verder aan dat in strijd met het Reglement geen definitief onderzoeksrapport is vastgesteld alvorens een bindend advies af te geven.

In artikel 8 van het Reglement is bepaald dat de Restitutiecommissie nadat zij partijen in de gelegenheid heeft gesteld op schriftelijk op het conceptonderzoeksrapport te reageren het onderzoeksrapport vaststelt en mede op basis daarvan haar advies geeft. Vaststaat dat partijen in lijn met dit artikel in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk te reageren op het conceptonderzoeksrapport. Dat de Restitutiecommissie daarna wellicht niet duidelijk aan partijen te kennen heeft gegeven dat zij het onderzoeksrapport vaststelt, is niet in lijn met het Reglement, maar levert niet een zo’n ernstige procedurefout op dat het bindend advies daarom aantastbaar is. Daarbij komt dat [eiseressen c.s.] door deze mogelijke procedurefout niet is benadeeld. Zij heeft op het conceptrapport kunnen reageren en niet gesteld of gebleken is dat deze reactie niet is meegenomen bij de beslissing. Er is dan ook geen sprake van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.

4.12.

[eiseressen c.s.] stelt zich verder op het standpunt dat het bindend advies vernietigbaar is, omdat volgens haar bij de totstandkoming van dit advies fundamentele beginselen van het procesrecht, en met name het motiveringsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor, is geschonden.

4.13.

Als uitgangspunt geldt dat de fundamentele beginselen van procesrecht, zoals het beginsel van hoor- en wederhoor en de motiveringsplicht, in de totstandkomingsfase, in beginsel, in acht moeten worden genomen. Gebondenheid aan een beslissing waaraan een ernstig totstandkomingsgebrek kleeft, is volgens vaste jurisprudentie, in beginsel, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als blijkt dat het totstandkomingsgebrek geen relevante nadelige invloed heeft gehad op de inhoud van de beslissing.

4.14.

Het motiveringsbeginsel is volgens [eiseressen c.s.] geschonden doordat
de Restitutiecommissie niet heeft gemotiveerd waarom er volgens haar geen familierelatie
tussen [eiseressen c.s.] en [B] heeft bestaan, dit terwijl [eiseressen c.s.]
heeft aangevoerd dat sprake was van een met een met een huwelijk gelijk te stellen “common law marriage” tussen [B] en haar oma, [A].

4.15.

Indien het standpunt met betrekking tot het common law in de bindend adviesprocedure daadwerkelijk gemotiveerd naar voren is gebracht – hetgeen door Gemeente Utrecht wordt betwist – zou het niet bespreken door de Restitutiecommissie
van dit standpunt een motiveringsgebrek kunnen opleveren. Dit betekent echter nog niet
dat het bindend advies vernietigbaar is. Het is namelijk de vraag of de Restitutiecommissie wanneer zij aan haar motiveringsplicht zou hebben voldaan zou hebben geoordeeld dat er een familierelatie heeft bestaan tussen [eiseressen c.s.] en [B], en zo ja, of zij in dat geval ook zou hebben geoordeeld dat de belangenafweging in dat geval anders zou uitpakken, namelijk in het voordeel van [eiseressen c.s.]
Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die erop wijzen, dat dit inderdaad het geval zou zijn geweest. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat Gemeente Utrecht heeft aangevoerd dat het common law marriage in de staat New York, waar [B] en [A] verbleven niet wordt erkend.

4.16.

[eiseressen c.s.] voert aan dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden doordat:
- de videoconferentie van 7 februari 2013 gebrekkig was,
- zij diverse stukken niet, althans niet tijdig, heeft ontvangen, terwijl Gemeente Utrecht
deze stukken wel kende,

- de mondelinge behandeling van 5 maart 2013 gebrekkig was.

4.17.

Dit beginsel van hoor en wederhoor is neergelegd in artikel 19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit artikel bepaalt dat partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld hun standpunt naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure
ter kennis van de rechter zijn gebracht. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een van de partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Schending van dit beginsel levert in beginsel een ernstig totstandkomingsgebrek op en zou kunnen leiden tot vernietiging van het bindend advies.

4.18. De rechtbank volgt [eiseressen c.s.] niet in haar betoog dat de op
7 februari 2013 gehouden videoconferentie gebrekkig is geweest. Vooropgesteld wordt dat de commissie gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 4 onder d van het Reglement bevoegd is om de verzoeker en/of bezitter om nadere informatie en stukken te verzoeken.

Niet valt in het zien waarom dit niet in de vorm van een videoconferentie zou kunnen. De op
7 februari 2013 gehouden videoconferentie was – anders dan [eiseressen c.s.] kennelijk meent – dus niet bedoeld om [eiseressen c.s.] in de gelegenheid te stellen haar standpunt nog eens nader te onderbouwen, maar had tot doel dat de Restitutie-commissie nadere informatie van haar zou verkrijgen. De Restitutiecommissie had in dat kader de regie. Het was aan haar om te bepalen op welke vragen zij nog een antwoord van [eiseressen c.s.] wenste te verkrijgen. Dat [eiseressen c.s.] niet in het bezit was van de door de Restitutiecommissie aan de Gemeente Utrecht gezonden brief van
1 februari 2013 maakt deze videoconferentie – in tegenstelling tot [eiseressen c.s.] betoogt – nog niet gebrekkig. Er zijn verder onvoldoende aanknopingspunten dat de Restitutiecommissie de door [eiseressen c.s.] gegeven antwoorden heeft misverstaan/verkeerd heeft geïnterpreteerd, omdat – zoals [eiseressen c.s.] aanvoert – sprake was van een gebrekkige verbinding. Ook zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling van [eiseressen c.s.] dat mr. Ossmann niet werd toegestaan om [eiseressen c.s.] tijdens deze conferentie bij te staan en te adviseren, terwijl er wel inhoudelijke vragen werden gesteld. Integendeel, vaststaat dat er ook een verbinding was geregeld met mr. Ossmann. Dat deze verbinding zo gebrekkig was dat hij in feite niet kon meepraten is evenmin gebleken. Bovendien geldt dat de Restitutiecommissie de regie had en dat het aan haar was om te bepalen wie, [eiseressen c.s.] of mr. Ossmann, haar vragen diende te beantwoorden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat mr. Ossmann ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 5 maart 2013 in de gelegenheid is gesteld om de standpunten van [eiseressen c.s.] nog nader toe te lichten.



4.19. [eiseressen c.s.] stelt zich verder op het standpunt dat sprake is van schending van het beginsel van hoor- en wederhoor doordat zij diverse stukken niet, althans niet tijdig, heeft ontvangen, terwijl Gemeente Utrecht deze stukken wel kende. Het gaat daarbij om:
- de brief van de Restitutiecommissie aan Gemeente Utrecht van 1 februari 2013,
- de aan de Restitutiecommissie gerichte e-mail van Gemeente Utrecht van 22 februari 2013,
- de brief van de Restitutiecommissie van 25 februari 2013 met daarbij gevoegd de
samenvatting van het aanvullend onderzoek van de Restitutiecommissie.
[eiseressen c.s.] voert aan dat zij daardoor is benadeeld, aangezien zij daardoor in feite op achterstand is komen te staan. Zij heeft zich hierdoor niet gemotiveerd kunnen verweren tegen de door Gemeente Utrecht ingenomen standpunten waardoor de Restitutiecommissie ten onrechte van de juistheid van die standpunten is uitgegaan en bij haar beoordeling heeft betrokken.

4.20.

De rechtbank stelt vast dat de aan Gemeente Utrecht gerichte brief van de Restitutiecommissie van 1 februari 2013 niet door partijen in het geding is gebracht.
Zij zijn het erover eens dat de Restitutiecommissie in deze brief nadere vragen aan
Gemeente Utrecht heeft gesteld. Dit kan ook worden opgemaakt uit de aan de Restitutiecommissie gerichte e-mail van Gemeente Utrecht van 22 februari 2013.

Uit de antwoorden die Gemeente Utrecht in deze e-mail geeft, kan worden opgemaakt dat
– zoals Gemeente Utrecht ook aanvoert – de Restitutiecommissie heeft gevraagd naar de taxatie/verzekerde waarde van het schilderij en de door Gemeente Utrecht gemaakte restauratiekosten.

4.21.

Partijen zijn het erover eens dat tijdens de mondelinge behandeling van
5 maart 2013 door de voorzitter van de Restitutiecommissie is opgemerkt dat
[eiseressen c.s.] vermoedelijk nog geen kopie van de e-mail van 22 februari 2013
had ontvangen en dat door de Restitutiecommissie werd toegezegd om deze e-mail na te sturen. [eiseressen c.s.] mocht gelet hierop gerechtvaardigd erop vertrouwen dat zij nog in de gelegenheid zou worden gesteld om zich inhoudelijk uit te laten over hetgeen in deze e-mail is vermeld. Het valt immers, niet in te zien wat de toegevoegde waarde van het nazenden van dit stuk zou zijn, indien daarop niet meer inhoudelijk door haar zou mogen worden gereageerd. Het is daarom – anders dan Gemeente Utrecht kennelijk meent – niet van belang dat mr. Ossmann tijdens de mondelinge behandeling niet uitdrukkelijk namens [eiseressen c.s.] zou hebben verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om nog op dit stuk te mogen reageren. Hij mocht er immers gerechtvaardigd op vertrouwen dat deze gelegenheid hem zou worden geboden. Deze gelegenheid is hem echter niet meer geboden. Vaststaat immers dat mr. Ossmann deze e-mail op 8 maart 2013 van de Restitutiecommissie heeft ontvangen en dat de Restitutiecommissie in haar brief van 6 maart 2013 aan
[eiseressen c.s.] heeft meegedeeld dat het onderzoek werd gesloten en geen stukken meer konden worden ingediend. Dit levert een ernstige schending op van het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor, welk beginsel ook in het kader van een bindend adviesprocedure in acht moet worden genomen.

4.22.

Het is voldoende gebleken dat [eiseressen c.s.] door deze ernstige procedurefout is benadeeld. [eiseressen c.s.] is doordat zij deze e-mail niet vóór de mondelinge behandeling van 5 maart 2013 heeft ontvangen de mogelijkheid ontnomen om het standpunt van Gemeente Utrecht betreffende de door haar gestelde restauraties en de daarmee gemoeide restauratiekosten te verifiëren en zo nodig gemotiveerd te betwisten. Het kan wellicht – zoals Gemeente Utrecht aanvoert – zo zijn dat de voorzitter van de Restitutiecommissie deze e-mail tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen, maar dit is ontoereikend om het hiervoor genoemde bezwaar weg te nemen. Uit het bindend advies volgt verder dat de Restitutiecommissie de omstandigheid dat Gemeente Utrecht twee keer restauratiekosten heeft gemaakt bij haar beslissing heeft betrokken. Deze omstandigheid speelde immers – zoals valt te lezen in 7.6 van het bindend advies – een rol bij de belangenafweging. De door Gemeente Utrecht aangevoerde omstandigheid dat in het conceptonderzoeksrapport van 7 januari 2013 al is vermeld dat het schilderij in opdracht van het Museum twee keer is gerestaureerd, doet aan het voorgaande niet af. De Restitutiecommissie heeft kennelijk aanleiding gezien om nadere informatie op dit punt te vragen, hetgeen zij heeft gedaan bij brief van 1 februari 2013. De in het concept-rapport vermelde informatie kan daarom niet los worden gezien van het antwoord dat Gemeente Utrecht op de nadere vragen van de Restitutiecommissie heeft gegeven. Aan [eiseressen c.s.] is doordat zij niet beide stukken heeft ontvangen de mogelijkheid ontnomen om zelfstandig na te gaan of de antwoorden van Gemeente Utrecht op dit punt inconsequenties vertoonden en deze mogelijke inconsequenties onder de aandacht van de Restitutiecommissie te brengen.

4.23.

Wat betreft de brief van de Restitutiecommissie van 25 februari 2013 geldt het volgende. Bij deze brief is gevoegd een samenvatting van een aanvullend onderzoek dat
de Restitutiecommissie zelf heeft uitgevoerd. Deze samenvatting luidt – voor zover van belang – als volgt:

“ (…)
Partij [B] (hierna: verzoekers) heeft de commissie reproducties toegestuurd van documenten uit een dossier betreffende [B] in het archief van zijn zaakwaarnemer in Nederland, advocaat Benno J. Stokvis (…). Bij onderzoek van de commissie in dit dossier is geen informatie aangetroffen over het thans geclaimde schilderij. Er zijn in de documentatie geen aanwijzingen gevonden dat [B] en/of [A] na de oorlog getracht hebben om schilderijen die waren verkocht op de veiling bij de firma Frederik Muller & Cie van 21 november 1933 te achterhalen of om schadevergoeding te verkrijgen voor het bezitsverlies ervan.

(…).”.

4.24.

Uit deze samenvatting volgt dat de Restitutiecommissie het Stokvis-archief waarop

[eiseressen c.s.] zich in eerdere stukken had beroepen, heeft bestudeerd en op grond daarvan tot de conclusie is gekomen dat in dit archief geen aanwijzingen zijn gevonden dat [B] en/of [A] na de oorlog getracht hebben om schilderijen die waren verkocht op de veiling bij de firma Frederik Muller & Cie van 21 november 1933 te achterhalen of om schadevergoeding te verkrijgen voor het bezitsverlies ervan.

Het betreft hier – anders dan [eiseressen c.s.] meent – niet een nader onderzoek waarop de bepaling van artikel 8 lid 5 van het Reglement ziet. Deze bepaling heeft immers betrekking op nader onderzoek dat ziet op en beperkt is tot het horen van getuigen of deskundigen of tot het laten uitvoeren van een onderzoek door één of meer door de Restitutiecommissie aan te wijzen deskundige(n). Het is dan ook niet zo dat de Restitutiecommissie [eiseressen c.s.] in de gelegenheid had moeten stellen om binnen de in deze bepaling genoemde termijn van twee weken een reactie te geven op de samenvatting van het door haar zelf uitgevoerde aanvullende onderzoek.

Het betreft daarentegen een onderzoek naar de juistheid van het door [eiseressen c.s.] ingenomen standpunt aan de hand van documenten die [eiseressen c.s.] zelf had verstrekt.

4.25.

Voor zover aangenomen zou kunnen worden dat [eiseressen c.s.] de brief van 25 februari 2013 met daarbij gevoegd de hiervoor genoemde samenvatting van nader onderzoek door de Restitutiecommissie pas bij e-mail van 4 maart 2013 heeft ontvangen en vervolgens zou kunnen worden geconcludeerd dat er vanwege deze late ontvangst
(1 dag voor de mondelinge behandeling van 5 maart 2013) sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor geldt dat dit nog niet tot vernietiging van het bindend advies kan leiden, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [eiseressen c.s.] daardoor is benadeeld. [eiseressen c.s.] wist voor de mondelinge behandeling van
5 maart 2013 dat de Restitutiecommissie op basis van de door haar aangeleverde stukken van oordeel was dat er geen aanwijzingen waren dat [B] en/of [A] na de oorlog getracht hebben om schilderijen die waren verkocht op de veiling bij de firma Frederik Muller & Cie van 21 november 1933 te achterhalen of om schadevergoeding te verkrijgen voor het bezitsverlies ervan en heeft zich daarover ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog kunnen uitlaten. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat de Restitutiecommissie ook had kunnen besluiten om haar oordeel op de mondelinge behandeling van 5 maart 2013 naar voren te brengen.
Het Reglement bepaalt niet dat zij al voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar voorlopig oordeel aan partijen kenbaar dient te maken. Het is dus niet zo dat [eiseressen c.s.] er recht op had om voor de mondelinge behandeling voldoende bewijsmateriaal te kunnen verzamelen om de Restitutiecommissie op andere gedachten te brengen. Dit had zij al eerder kunnen en moeten doen.

4.26.

De rechtbank is van oordeel dat de mondelinge behandeling van 5 maart 2013
– zoals [eiseressen c.s.] aanvoert – gebrekkig was, omdat [eiseressen c.s.] vanwege het in 4.14 en 4.15 besproken gebrek in feite op achterstand is komen te staan en het voldoende aannemelijk is dat zij daardoor haar standpunt niet goed gemotiveerd naar voren heeft kunnen brengen en dat van Gemeente Utrecht niet goed gemotiveerd heeft kunnen bestrijden.

4.27.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bindend advies dient te worden vernietigd, omdat de gebondenheid daaraan in verband met de wijze van totstandkoming daarvan (zoals besproken in 4.21 en 4.22) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.


4.28. De rechtbank is van oordeel dat zij niet zelf een beslissing in deze zaak kan nemen, maar dat het aan de Restitutiecommissie is om een nieuw bindend advies met betrekking tot het verzoek van [eiseressen c.s.] om teruggave van het schilderij te nemen.
De Restitutiecommissie is immers door de Nederlandse overheid speciaal in het leven geroepen om dergelijke beslissingen te nemen.


4.29. De rechtbank kan de zaak – niet zoals subsidiair gevorderd – naar de Restitutiecommissie verwijzen en zal daarom [eiseressen c.s.] als meest gerede partij opdragen om zich tot de Restitutiecommissie te wenden en deze commissie te verzoeken om met inachtneming van dit vonnis een nieuw bindend advies inzake het verzoek van
[eiseressen c.s.] tot teruggave van het schilderij te geven. De rechtbank zal daarbij bepalen dat Gemeente Utrecht daaraan haar medewerking dient te verlenen.
Ook zal [eiseressen c.s.] de Restitutiecommissie een afschrift van dit vonnis moeten verstrekken.


Proceskosten en nakosten

4.30. Gemeente Utrecht zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseressen c.s.] worden begroot op:

- explootkosten € 92,82

- griffierecht 548,00 (2 x € 274,--)

- salaris advocaat 1.582,00 (3,5 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 2.222,82


4.31. De nakosten, waarvan [eiseressen c.s.] betaling vordert, zullen op de in de beslissing te noemen manier worden begroot.

4.32.

De over de proceskosten en nakosten gevorderde wettelijke rente zullen op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het tussen partijen gewezen bindend advies van de Restitutiecommissie van 25 april 2013 bekend onder nummer 3.131 RC,

5.2.

draagt [eiseressen c.s.] op om zich tot de Restitutiecommissie te wenden en deze commissie te verzoeken om met inachtneming van dit vonnis een nieuw bindend advies inzake het verzoek van [eiseressen c.s.] tot teruggave van het schilderij te geven, en bepaalt dat [eiseressen c.s.] een afschrift van dit vonnis aan de Restitutiecommissie moet verstrekken,

5.3.

bepaalt dat Gemeente Utrecht haar medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van een nieuw bindend advies van de Restitutiecommissie,

5.4.

veroordeelt Gemeente Utrecht in de proceskosten, aan de zijde van
[eiseressen c.s.] tot op heden begroot op € 2.222,82, te voldoen binnen 14 dagen na
de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


5.5. veroordeelt Gemeente Utrecht, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseressen c.s.] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel
6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indienbetekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag
van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de
vijftiende dag na betekening,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap en in het openbaar uitgesproken op
10 december 2014.1

1 type: BvdG/4374coll: