Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6802

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
3380567
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewind. Verzoek om machtiging tot schenking van € 100.000,- aan dochter van rechthebbende afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3380567 UT VERZ 14-9018

bewindnummer: 10801

Beschikking van 18 december 2014

inzake het verzoek van

[bewindvoerder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de bewindvoerder.

Het verzoek strekt tot machtiging betreffende het vermogen van de rechthebbende:

[rechthebbende],

wonende te [woonplaats],

geboren te [geboorteplaats] op [1945],

hierna te noemen: de rechthebbende.

Verzoeker heeft het verzoek gedaan in zijn hoedanigheid van bewindvoerder.

De procedure

Bij brief van 1 september 2014 heeft de bewindvoerder machtiging gevraagd voor een eenmalige schenking van € 100.000,- aan de dochter van rechthebbende in 2014 ten behoeve van de aankoop door de dochter van een eigen woning/appartement.

De zaak is behandeld ter zitting van 30 oktober 2014. De bewindvoerder is verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt.

Op 12 december 2014 zond de bewindvoerder een e-mail aan de rechtbank, waarin de bewindvoerder verwijst naar een samenvatting van een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 december 2014.

De overwegingen van de kantonrechter

1. Het bewind over de goederen van de rechthebbende is ingesteld bij beschikking van 7 december 2010.

2. De bewindvoerder vraagt machtiging voor een schenking namens rechthebbende van

€ 100.000,- aan het enige kind van de rechthebbende. De bewindvoerder heeft aangegeven dat de dochter dit bedrag zal gebruiken om een deel van haar hypothecaire geldlening (die op 19 december 2014 met machtiging van de kantonrechter door de rechthebbende zal worden verstrekt aan de dochter) af te lossen, met gebruikmaking van de verruimde vrijstelling voor de schenkbelasting.

De bewindvoerder heeft overgelegd:

  • -

    een akte van schenking, verleden op 15 januari 1992, waaruit blijkt dat de rechthebbende en haar (inmiddels overleden) echtgenoot in 1992 fl. 20.500,- hebben geschonken aan hun dochter;

  • -

    een hypotheekakte, verleden op 18 maart 1994, voor een lening in hoofdsom groot fl. 100.000,-, verstrekt door de rechthebbende en haar echtgenoot aan hun dochter;

  • -

    een testament van de rechthebbende, verleden op 2 maart 2010.

Uit de rekening en verantwoording over het jaar 2013 blijkt dat het vermogen van de rechthebbende meer dan ruim voldoende is om te voorzien in haar verzorging en levensonderhoud.

3. De kantonrechter overweegt dat op grond van de Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het LOVCK geldt dat een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, waarvan in onderhavige zaak sprake is, wordt afgewezen indien geen schenkingstraditie wordt aangetoond. Een schenkingstraditie kan worden afgeleid uit aangetoonde repeterende handelingen van de rechthebbende voorafgaand aan de instelling van het bewind. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren, omstandigheden kan daarvan worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert.

4. Bij beschikking van 17 januari 2012 is door de kantonrechter te Utrecht machtiging verleend voor een schenking van € 5.030,- aan de dochter, waarbij in de beschikking is vermeld dat hoewel een schenkingstraditie niet is vastgesteld, de schenking toch zal worden toegestaan, omdat uit de stukken en de behandeling ter zitting van 10 januari 2012 is gebleken dat het de intentie van rechthebbende is geweest om aan haar dochter schenkingen te doen.

Bij beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 18 februari 2013 is machtiging verleend voor een schenking aan de dochter van € 5.141,-, omdat niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie in 2012.

5. De kantonrechter stelt vast dat vóór de instelling van het bewind door de rechthebbende één maal aan haar dochter is geschonken, te weten in 1992. Een eenmalige schenking ver voor de instelling van het bewind leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot het bestaan van een schenkingstraditie, hetgeen ook blijkt uit de genoemde beschikking van 17 januari 2012. Daarbij is de nu voorgestelde schenking vele malen groter dan het door de rechthebbende in 1992 geschonken bedrag. De wil van de rechthebbende daartoe is op geen enkele wijze gebleken.

6. De kantonrechter neemt voorts in aanmerking dat het volgens de bewindvoerder de intentie is geweest van de rechthebbende om schenkingen te doen aan haar dochter, maar dat de schenkingen niet zijn uitgevoerd omdat de gezondheid van de rechthebbende achteruit ging. De kantonrechter overweegt dat het weliswaar de intentie kan zijn geweest van de rechthebbende om aan haar dochter te schenken, maar dat de rechthebbende schenkingen zou willen doen aan haar dochter van een omvang als thans verzocht, is niet aannemelijk geworden.

7. De bewindvoerder heeft aangevoerd dat de rechthebbende in het verleden een lening heeft verstrekt aan haar dochter voor de aankoop van een woning, hetgeen blijkt uit de overgelegde hypotheekakte. De kantonrechter overweegt dat daaruit blijkt dat de rechthebbende aan haar dochter geld wilde uitlenen, niet dat de rechthebbende aan haar dochter een (omvangrijke) schenking zou willen doen.

8. De bewindvoerder heeft voorts ter onderbouwing van de stelling dat het de wens van de rechthebbende was om aan haar dochter te schenken, een kopie overgelegd van het genoemde testament van de rechthebbende. De kantonrechter overweegt dat niet vaststaat dat dit de laatste (volledige) wil van de rechthebbende is, omdat dat pas zeker is na het overlijden van de rechthebbende. Ondanks dat niet zeker is dat deze akte de laatste wil van de rechthebbende bevat, zal de kantonrechter bij de beoordeling van het onderhavige verzoek, de inhoud van deze akte meewegen in zijn beslissing.

In het testament van de rechthebbende wordt de dochter tot enig erfgename van de nalatenschap van de rechthebbende benoemd. Daarbij is bepaald dat al hetgeen de dochter van het uit de nalatenschap van de rechthebbende bij haar overlijden onverteerd zal hebben nagelaten, zal toekomen aan vijf goede doelen. Aan de dochter is het recht toegekend het geërfde vermogen te verteren, maar niet om uit dat vermogen schenkingen of giften te doen, behoudens gebruikelijke, kleine schenkingen.

Indien de voorgestelde schenking zou worden toegestaan, leidt dat ertoe dat het vermogen van de rechthebbende (en dus haar toekomstige nalatenschap) afneemt met een bedrag van

€ 100.000,-. Voor de dochter heeft dit geen vermogensrechtelijke consequenties, omdat zij de ontvanger zou zijn van het bedrag van € 100.000,-, als erfgename of als begiftigde. Echter, voor de goede doelen als verwachters zou dit wel degelijk vermogensrechtelijke consequenties hebben. Door de schenking neemt de toekomstige nalatenschap van de rechthebbende (het toekomstige bezwaarde vermogen) af met € 100.000,- en daarmee ook het door de goede doelen te verwachten vermogen. De kantonrechter overweegt dat bij de beoordeling van machtigingsverzoeken het belang van de rechthebbende voorop staat en het niet de bedoeling is toekomstige rechten van verwachters te beschermen. Echter, uit het testament maakt de kantonrechter op dat het de bedoeling is geweest van de rechthebbende om het restant van haar vermogen na het overlijden van haar dochter ten goede te laten komen aan de vijf genoemde goede doelen. Toewijzing van het onderhavige verzoek zou deze bedoeling doorkruisen, omdat het bedrag van € 100.000,- daarmee ter vrije beschikking aan de dochter zou toekomen en niet onder de bepalingen van de tweetrapsmaking zal vallen.

Ter zitting heeft de bewindvoerder aangegeven dat de dochter een gelijkluidend testament heeft gemaakt als de rechthebbende, maar omdat de dochter haar testament zou kunnen hebben gewijzigd of in de toekomst nog zou kunnen wijzigen, kan de kantonrechter aan deze mededeling geen belang hechten.

9. In de e-mail van 12 december 2014 schrijft de bewindvoerder dat de eigen woning van de rechthebbende enige tijd geleden verkocht is. De kantonrechter begrijpt de e-mail van de bewindvoerder zo dat de bewindvoerder daarmee aanvoert dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, die maakt dat afgeweken zou moeten worden van de hoofregel dat sprake moet zijn van een schenkingstraditie.

De kantonrechter overweegt dat de woning van de rechthebbende verkocht is in 2012. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verkoop van de woning geen bijzondere omstandigheid die maakt van de hoofdregel zou moeten worden afgeweken. De Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het LOVCK houden immers in dat van de hoofdregel kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden indien het belang van de rechthebbende dat vereist of indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. Dat het belang van de rechthebbende de schenking vereist of dat de leefomgeving van de rechthebbende verbetert door de schenking, is niet gesteld noch gebleken.

10. Uit het voorgaande blijkt dat geen sprake is van een schenkingstraditie voor de instelling van het bewind. Verder is niet aannemelijk geworden dat de rechthebbende een schenking wenste te doen aan haar dochter van de voorgestelde omvang. Bovendien zou de voorgestelde schenking het testament van de rechthebbende doorkruisen en is niet gebleken van bijzondere omstandigheden in het belang van rechthebbende of ter verbetering van de leefomgeving van de rechthebbende. Dit alles tezamen maakt dat de kantonrechter het verzoek om machtiging zal afwijzen.

De beslissing

De kantonrechter:

weigert de gevraagde machtiging.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend..