Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6751

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
C/16/377635 / HA RK 14-217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Deelgeschil. Rapport verzekeringsgeneeskundige basis voor schadeafwikkeling, met uitzondering van daaruit op te maken urenbeperking. Arbeidsinzet/-uitval is terrein van arbeidsdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2015/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/377635 / HA RK 14-217

Beschikking van 26 november 2014

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. E. Wytema,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

advocaat mr. D. Zwartjens.

Partijen worden

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoek om te beslissen over een deelgeschil (artikel 1019w Rv), ter griffie ingekomen op 22 september 2014;

  • -

    het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 6 november 2014;

  • -

    het faxbericht van 10 november 2014 van mr. Wytema, waarbij namens [verzoekster] de producties 5 tot en met 8 zijn overgelegd;

  • -

    de mondelinge behandeling op 13 november 2014, waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    de pleitnotities van mr. Wytema;

  • -

    de pleitnotities van mr. Zwartjens.

1.2. Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

VVAA heeft aansprakelijkheid erkend voor het verkeersongeval waarbij [verzoekster] op 12 februari 2007 als fietser betrokken is geraakt.

2.2.

Als gevolg van de aanrijding heeft [verzoekster] een instabiele wervelfractuur opgelopen ter hoogte van het niveau Th12.

2.3.

Bij beschikking van 27 november 2013 is in het kader van een voorlopig deskundigenberichtprocedure de heer drs. [Z], verzekeringsgeneeskundige, tot deskundige benoemd. [Z] heeft een rapport d.d. 2 maart 2014 opgesteld. De inhoud daarvan luidt voor zover hier van belang als volgt:

“(…)

4. Samenvatting en conclusie:

Samenvatting:

Betrokkene is een thans 49-jarige vrouw, die in 1983 geopereerd werd vanwege acromegalie ten gevolge van een hypofyseadenoom.

Deze aandoening leidde nadien en leidt ook thans niet tot beperkingen in het functioneren.

Wel leidde een verkeersongeval dat betrokkene overkwam in 1998 tot blijvende beperkingen in het functioneren, zie hetgeen de neuroloog [A] en de neuropsycholoog [X] daaromtrent vermelden in hun expertiseverslagen van 2003.

De beperkingen die de neuroloog [A] in 2003 vermeldt, heb ik alle ten volle overgenomen. Wel hield de neuroloog [A] een slag om de arm waar het het aantal te werken uren per week betreft.

Betrokkene blijkt ook in de jaren na het ongeval in 1998 het werk te hebben uitgebreid naar 34 uur per week.

Aan een ongeval in 2000 heeft betrokkene geen blijvende toename van de beperkingen over gehouden.

In 2007 overkwam betrokkene wederom een ongeval, toen zij reeds langere tijd 32 uur per week werkte.

Het ongeval in 2007 leidde wel tot een toename van de beperkingen. Deze toename is als blijvend te beschouwen. Zie hiertoe met name de bevindingen waartoe de orthopedisch chirurg [M] kwam bij zijn expertiseonderzoek in 2010. Ik heb deze laatste bevindingen ten volle overgenomen.

Na het ongeval in 2007 is betrokkene weer aan de slag gegaan in het werk, maar het lukte haar niet om het werk blijvend weer uit te breiden naar de 34 uur per week die zij vóór het ongeval in 2007 werkte. Betrokkene werkt al weer lange tijd 24 uur per week en ziet naar eigen ervaring vanwege de klachten geen kans het werk verder uit te breiden.

Naar mijn oordeel is het als plausibel te beschouwen dat betrokkene in het werken daadwerkelijk fors gehinderd wordt door de laag-thoracale pijnklachten, die maken dat zij het werk na zo’n 6 uur gewerkt te hebben, voor de rest van de dag moet staken. Ook acht ik een recuperatiedag midden in de week zinvol, of een verdeling van de 24 werkuren per week over 5 dagen.

5 Beantwoording van de vraagstelling:

Vraag 1:

Kunt u, uitgaande van de neuropsychologische en neurologische rapportages van drs. [X] van 20 mei 2003 resp. drs. [A] van 2 juni 2003 alsmede van orthopeed dr. [M] van 19 mei 2010, de beperkingen en belastbaarheid van betrokkene vaststellen?

Antwoord:

Op de pagina’s 13 en 14 van dit rapport heb ik de beperkingen in de belastbaarheid van onderzochte aangegeven, zoals deze van 1998 tot begin 2007 golden. Hierbij heb ik zo goed als mogelijk aansluiting gezocht bij de beperkingen zoals deze werden aangegeven door de

neuroloog [A] in 2003. Vervolgens heb ik de beperkingen vermeld zoals deze vanaf 2007 bij betrokkene aanwezig zijn, waarbij de toename van de beperkingen aangegeven werd door de orthopedisch chirurg [M].

Vraag 2:

Kunt u de ongevalsbeperkingen en belastbaarheid zo uitgebreid mogelijk omschrijven in maat en getal en de beperkingen opnemen in een belastbaarheid- of beperkingenprofiel? Wilt u daarbij in ieder geval een verhalende beschrijving geven van de beperkingen, die u op grond van eigen onderzoek aannemelijk acht?

Antwoord:

Ik heb zo juist en uitgebreid mogelijk de ongevalsbeperkingen en belastbaarheid aangegeven in de twee op de pagina’s 13 tot en met 16 vermelde beperkingen- en belastbaarheidsprofielen.

Het zijn beperkingen- en belastbaarheidsprofielen die deel uitmaken van dit rapport en geen aparte, volgens de FML-methodiek of volgens de FIS-methodiek, opgestelde losse belastbaarheidsprofielen.

Dit heb ik zo gedaan, omdat mij bij de aanvraag tot expertiseonderzoek expliciet verzocht was om geen gebruik te maken van de FML-methodiek en evenmin van de FIS-methodiek.

Vraag 3:

Kunt u bij de vaststelling van bovengenoemde beperkingen en belastbaarheid een splitsing maken tussen de beperkingen/belastbaarheid als gevolg van de ongevallen uit 1998 respectievelijk 2000 alsmede de bij betrokkene aanwezige voorgeschiedenis (herniaoperatie, acromegalie ten gevolge van hypofysetumor) enerzijds en de beperkingen/belastbaarheid als gevolg van het ongeval uit 2007 anderzijds ?

Antwoord:

Ja, het eerste belastbaarheidsprofiel, vermeld op de pagina’s 13 en 14 van dit rapport, heeft betrekking op de beperkingen die aanwezig waren vóór dat het ongeval op 12 februari 2007 betrokkene overkwam. Het gaat daarbij om beperkingen ten gevolge van het ongeval dat betrokkene in 1999 overkwam.

De endocrinologische problematiek van betrokkene leidde en leidt ook thans niet tot functionele beperkingen. Ook de hernia waar betrokkene aan geopereerd werd eind 1995 lijkt niet tot blijvende functiebeperkingen te hebben geleid. Allereerst vermeldde de huisarts Van der Knaap in 1999 omtrent de hernia waar betrokkene in 1995 aan werd geopereerd, dat hij sindsdien nooit meer van betrokkene over rugklachten heeft vernomen. Ook de behandelend oefentherapeut Mensendieck dhr. [O] vermeldt in 1996 dat na de hernia-operatie (eind 1995) de pre-operatieve klachten verdwenen waren.

Het ongeval dat betrokkene in 2000 overkwam heeft evenmin tot blijvende functiebeperkingen geleid.

Daar betrokkene wel sinds het ongeval in februari 2007 kampt met een toename van de beperkingen, heb ik een tweede belastbaarheidsprofiel opgesteld dat betrekking heeft op betrokkene’s medische situatie in de periode van 2007 tot op heden, zie hiertoe de pagina’s 15 en 16 van dit rapport.

Voor wat betreft de beperkingen die bij betrokkene aanwezig geacht mogen worden in de periode na februari 2007 tot op heden, geldt dat het de persisterende laagthoracale rugpijnklachten zijn, die een gevolg zijn van de wervelfractuur die betrokkene in 2007 opliep, die maken dat betrokkene in het werk blijvend meer gehinderd wordt dan vóór het ongeval in 2007 het geval was.

Zoals de expertiserend orthopedisch chirurg in 2010 stelt, wordt betrokkene duidelijk gehinderd door de pijnklachten ter plaatse van de oude thoracale fractuur. Dit wordt door de expertiseur in 2010 als geen ongewone bevinding beschouwd.

Deze laag-thoracale rugpijnklachten die sinds begin 2007 bij betrokkene aanwezig zijn beperken betrokkene in het aantal uren dat zij per week in staat is te werken in gemiddeld belastend werk (niet lichamelijk en/of geestelijk zeer belastend, maar anderzijds ook weer niet in het geheel niet-belastend).

Voor zover ik dat kan beoordelen, dat wil zeggen voor zover ik een juist beeld heb van de belasting in het thans verrichte werk, is betrokkene in het werk dat zij thans verricht niet in staat om meer uren per week te functioneren dan zij thans doet (24 uur per week).

Het is echter aan een arbeidsdeskundige en niet aan een verzekeringsarts om de exacte mate van belasting in bepaalde werkzaamheden in te schatten.

In het 2e beperkingen- en belastbaarheidsprofiel, geldend van begin 2007 tot heden, is tevens rekening gehouden met het feit dat lateroflexie en rotatie (torderen) op thoracolumbaal gebied thans licht beperkt zijn. Ook het knielen, kruipen en hurken, alsmede het gebogen werken zijn als gevolg van het doormaken van de laag-thoracale wervelfractuur in 2007 en de daardoor noodzakelijk geworden spondylodese, toegenomen beperkt geworden.

Vraag 4:

In hoeverre is voor de beantwoording de verwijdering van de schuldklier van betrokkene in

mei 2007 relevant?

Antwoord:

Voor de beantwoording is de verwijdering van betrokkene’s schildklier in mei 2007 niet relevant, daar deze schildklierverwijdering niet heeft geleid tot een blijvende verandering van de belastbaarheid.

Vraag 5:

Zijn er feiten of omstandigheden die u voor de beoordeling van de onderhavige kwestie van belang acht en die u onder de aandacht van partijen wenst te brengen?

Antwoord:

Neen, dergelijke feiten of omstandigheden zijn er niet.

(…)”

2.4.

Bij wijze van een contra-expertise heeft VVAA het rapport van [Z] (geanonimiseerd) voorgelegd aan de heer [D], verzekeringsarts.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank – na gedeeltelijke intrekking van het verzoek – te bepalen dat de deskundigenrapportage van [Z] tot uitgangspunt strekt in de verdere onderhandelingen tussen partijen onder de bepaling dat als gevolg van het ongeval in februari 2007 een urenbeperking bij [verzoekster] is ontstaan van 10 uur per week, althans die urenbeperking in goede justitie te waarderen.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] het volgende ten grondslag. Partijen hebben via de rechtbank in onderling overleg deskundige [Z] gevraagd een verzekeringsgeneeskundig rapport op te stellen. De voor te leggen vragen zijn ook in onderling overleg geformuleerd. Naar aanleiding van de conceptrapportage hebben partijen vragen kunnen stellen en commentaar kunnen geven. Het rapport is dus op gemeenschappelijke basis tot stand gekomen en is daarom in beginsel bindend voor beide partijen.

3.3.

VVAA voert gemotiveerd verweer.

3.4.

De rechtbank zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vraag of het deskundigenrapport van [Z], waaronder begrepen de door hem genoemde urenbeperking van 10 uren, de basis moet zijn voor de verdere schadeafwikkeling het volgende voorop. De rapportage van [Z] zal als uitgangspunt kunnen dienen voor de (buitengerechtelijke) afwikkeling van de schade van [verzoekster] indien partijen er rekening mee moeten houden dat indien in een bodemprocedure beoordeeld zou moeten worden of door [Z] vastgestelde beperkingen (logisch) volgen uit de hem ter beschikking gestelde rapportages van de neuroloog, de neuropsycholoog en de orthopeed en uit het door [Z] zelf verrichtte onderzoek. Het rapport moet dus antwoord geven op de vraag naar de beperkingen op een zodanige begrijpelijke wijze, dat aan de hand daarvan een arbeidsdeskundige beoordeling kan plaatsvinden. Daarbij geldt dat de deskundige vrij is in de wijze waarop hij het onderzoek verricht. Zijn rapport dient evenwel deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep, alsmede dat hij een eventuele afwijking deugdelijk motiveert. Ook komt betekenis toe aan het feit dat partijen in principe in onderling overleg (in het kader van een voorlopig deskundigenbericht) zijn overeengekomen [Z] te laten rapporteren.

4.2.

Dit betekent dat van de partij die een deskundigenbericht bekritiseert mag worden verlangd dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen waarin de conclusies van de door partijen benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. Er zullen dus zwaarwegende en steekhoudende bezwaren over de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, op grond waarvan de rechtbank beslist het deskundigenbericht naast zich neer te leggen.

4.3.

De rechtbank constateert dat VVAA geen bezwaren heeft geformuleerd ten aanzien van de wijze van totstandkoming van het deskundigenbericht van [Z]. Voor wat betreft de door VVAA gestelde bezwaren tegen de inhoud van het rapport van [Z], mede gebaseerd op het rapport van Knepper, komen die er in de kern op neer dat zij het niet eens is met de door [Z] aangenomen urenbeperking van 10 uren. Mede op basis van hetgeen op de zitting aan de orde is gekomen is het twistpunt dus de vraag of bij de verdere schadeafwikkeling uitgegaan moet worden van deze door [Z] genoemde urenbeperking van 10 uren. Partijen zijn het namelijk wel eens over de door [Z] geformuleerde beperkingen. Zodoende kan het rapport voor wat betreft de daarin opgenomen beperkingen uitgangspunt zijn bij de verdere schadeafwikkeling. Dit geldt echter niet voor de urenbeperking van 10 uren die uit het rapport van [Z] kan worden opgemaakt. Dit betreft het terrein van de arbeidsdeskundige. Een arbeidsdeskundige verbindt namelijk conclusies in termen van arbeidsinzet aan de door een verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat aan [Z] ook niet de vraag is voorgelegd tot welke arbeidsuitval de beperkingen van [verzoekster] volgens hem aanleiding geven. Weliswaar maakt [Z] de opmerking dat hij [verzoekster] niet in staat acht in haar huidige functie meer uren te werken dan zij thans doet, maar daarbij plaats hij tevens de kanttekening dat het aan een arbeidsdeskundige en niet aan een verzekeringsarts is om de exacte mate van belasting in bepaalde werkzaamheden in te schatten. Voor het verzoek van [verzoekster] betekent het vooroverwogene dat de rechtbank dit zal toewijzen, met uitzondering van de uit het rapport af te leiden urenbeperking van 10 uren.

4.4.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet (volledig) wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 5.000,00 exclusief BTW en inclusief verschotten, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 282,00.

Anders dan VVAA is de rechtbank van oordeel dat aan begroting van de kosten van dit deelgeschil niet in de weg staat dat [verzoekster] dit niet als zodanig heeft opgenomen in het petitum van haar verzoekschrift. In het verzoekschrift is een toelichting gegeven op deze kosten terwijl (de advocaat van) [verzoekster] ter zitting een urenspecificatie heeft overgelegd. Het verzoek moet dan zo worden begrepen dat tevens begroting en eventueel veroordeling tot betaling van de kosten wordt gevraagd.

Evenmin deelt de rechtbank het standpunt van VVAA dat sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig.

VVAA heeft voor het overige geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief, terwijl zij met betrekking tot het aantal uren aanvoert dat dit bovenmatig is.

De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil.

Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 20 uren x € 250,00 exclusief BTW en inclusief verschotten, derhalve op € 5.000,00 exclusief BTW en inclusief verschotten, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 282,00. VVAA zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat het deskundigenrapport van [Z] tot uitgangspunt strekt in de verdere onderhandelingen tussen partijen, met uitzondering van de in het rapport vervatte urenbeperking van 10 uren die zou zijn ontstaan door het ongeval op 12 februari 2007;

5.2.

begroot de kosten van het deelgeschil op € 5.000,00 exclusief BTW en inclusief verschotten, te vermeerderen met het griffierecht van € 282,00 en veroordeelt VVAA tot betaling daarvan aan [verzoekster].

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.1

1 type: HAv(M coll: JS