Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6748

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
2948929 UC EXPL 14-5458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civielrecht overig/ faillissementsrecht, artt. 6:162 BW, 47 Fw. Advocaat vordert namens zijn cliënten, werknemers van A, achterstallig salaris. Tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek ontvangt de advocaat een deelbetaling van A, en stort dit door naar de werknemers. Het faillissement van A wordt uitgesproken, en de curator beoordeelt de deelbetaling als paulianeus, op grond van artikel 47 Fw. De curator verwijt de advocaat te hebben meegewerkt aan een paulianeuze transactie en vordert de deelbetaling als schade voor de boedel op grond van onrechtmatige daad. Vordering wordt afgewezen, niet is komen vast te staan dat de advocaat onrechtmatig heeft gehandeld.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 47
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/241
AR 2014/978
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2948929 UC EXPL 14-5458 RW/1368

Vonnis van 3 december 2014

inzake

Derk Marinus van Geel q.q.,

handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,

kantoorhoudende te Amsterdam,

verder ook te noemen de curator,

eisende partij,

gemachtigde: mr. D. Hemmink,

tegen:

de coöperatie Coöperatief Advocatenkantoor Varrolaan U.A.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Varrolaan,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C.C. Wijburg.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van de curator,

- de conclusie van antwoord van Varrolaan,

- de conclusie van repliek van de curator,

- de conclusie van dupliek van Varrolaan.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer mr. [B], als advocaat werkzaam bij Varrolaan, heeft op 19 juli 2013 bij de rechtbank Amsterdam namens vier werknemers (hierna: de werknemers) van de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: [A]) het faillissement van [A] verzocht, op grond van achterstallige salarisbetalingen.

2.2.

Dit verzoek is bij de rechtbank Amsterdam mondeling behandeld op 27 augustus 2013, 3 september 2013 en 17 september 2013.

2.3.

Op 30 augustus 2013 en 2 september 2013 heeft [A] in totaal € 10.000,00, als gedeeltelijke voldoening van genoemde achterstallige salarisbetalingen van de werknemers (hierna: de deelbetalingen), op de derdengeldrekening van Varrolaan overgemaakt.

2.4.

Varrolaan heeft de deelbetalingen op 6 september 2013 aan de vier werknemers op hun bankrekeningen afgedragen (hierna: de afdracht).

2.5.

Bij de mondelinge behandeling van het faillissementsverzoek op 17 september 2013 heeft mr. [B] in het faillissementsverzoek gepersisteerd. De rechtbank Amsterdam heeft op dat verzoek beslist en daarna het faillissement van [A] uitgesproken, waarna de curator is benoemd.

2.6.

De curator heeft geoordeeld dat de deelbetalingen paulianeus zijn en de werknemers gesommeerd de deelbetalingen terug te betalen aan de boedelrekening van [A] (hierna: de boedel). Daarop heeft één van de werknemers zijn gedeelte van de deelbetalingen, ter grootte van € 2000,00, aan de boedel betaald.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Varrolaan om aan de curator te voldoen € 8.726,00 (bestaande uit € 8.000,00 aan hoofdsom en € 726,00, inclusief btw, aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 17 september 2013 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van Varrolaan in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt de curator het volgende. Varrolaan heeft jegens de gezamenlijke schuldeisers van [A] op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig gehandeld. Volgens de curator heeft Varrolaan, in de wetenschap dat de deelbetalingen door [A] bij faillietverklaring paulianeus zouden worden, het paulianeuze karakter eigenhandig bewerkstelligd door te persisteren in het faillissementsverzoek, zonder de deelbetalingen voor de boedel beschikbaar te houden. Door die handelwijze van Varrolaan lijdt de boedel schade, die Varrolaan dient te vergoeden. Nu Varrolaan dat nalaat, schiet zij jegens de curator toerekenbaar tekort in haar betalingsverplichting. De curator maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu Varrolaan in verzuim is geraakt, respectievelijk de curator de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

Varrolaan voert verweer. Volgens Varrolaan is de curator niet gemachtigd door de rechter-commissaris en is hij daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering. Verder heeft Varrolaan gehandeld op uitdrukkelijk verzoek van haar cliënten, de werknemers, die op het moment van de deelbetalingen al enige maanden geen loon meer hadden ontvangen en voor hen zodoende sprake was van een noodsituatie. Nu de deelbetalingen waren gericht op het voldoen van het achterstallige salaris, betrof het geld van de werknemers en heeft Varrolaan dat verzoek niet kunnen weigeren. Daarnaast heeft Varrolaan haar cliënten erop gewezen dat, in het geval [A] failliet zou gaan, zij de deelbetalingen terug zouden moeten betalen aan de boedel. Bovendien was ten tijde van de afdracht het faillissement niet zeker, omdat goede hoop bestond dat [A] de volledige vordering zou voldoen, aldus Varrolaan. Verder betwist Varrolaan dat er schade is. Varrolaan concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de curator geldt dat artikel 72 Fw bepaalt dat het ontbreken van een machtiging geen invloed heeft op de geldigheid van de door de curator verrichte handelingen jegens derden. De curator is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

4.2.

De kantonrechter begrijpt de onrechtmatigheid die de curator aan zijn vordering ten grondslag legt zo, dat hij die onrechtmatigheid ziet op twee momenten. Het eerste moment is gelegen op het tijdstip van de afdracht van de deelbetaling door Varrolaan, in de wetenschap dat, als het faillissement zou worden uitgesproken, de deelbetalingen paulianeus zouden zijn. Het tweede moment is, zo begrijpt de kantonrechter de curator, gelegen op het moment van de mondelinge (voortgezette) behandeling van het faillissementsverzoek op 17 september 2013. Daarbij heeft Varrolaan gepersisteerd in het faillissementsverzoek en heeft zodoende het faillissement, en dus het paulianeuze karakter van de deelbetalingen, verwezenlijkt. De curator ziet de geschonden norm in de voor Varrolaan geldende beroeps- en gedragsnormen. Die normen verplichten Varrolaan volgens de curator om haar eigen afwegingen te maken en om opdrachten van haar cliënten niet uit te voeren, indien er sprake is van enig onzuiver oogmerk.

4.3.

Door Varrolaan wordt niet betwist dat de deelbetalingen paulianeus zijn in de zin van artikel 47 Fw, reden waarom van het paulianeuze karakter van de deelbetalingen zal worden uitgegaan. De onrechtmatigheid die daarin besloten ligt ziet echter niet op de verhouding tussen de boedel en Varrolaan, aangezien Varrolaan geen schuldeiser is of is geweest van [A], maar op de verhouding tussen de boedel en de werknemers die de deelbetalingen op hun opeisbare schuld hebben ontvangen. Om onrechtmatig handelen van Varrolaan aan te kunnen nemen, zijn derhalve bijkomende omstandigheden nodig.

4.4.

Ten aanzien van het in 4.2 bedoelde eerste moment stelt de curator dat het de gebruikelijke gang van zaken is dat advocaten betalingen, in het zicht van de behandeling van een door hen ingediend faillissementsverzoek, achterhouden op hun derdengeldrekening totdat op het faillissementsverzoek is beslist. Dergelijke betalingen zijn immers, volgens de curator, na het uitspreken van het faillissement over het algemeen op grond van pauliana terug te vorderen. Varrolaan voert aan dat het geld niet haar, maar de werknemers toebehoorde en dat de werknemers haar uitdrukkelijk hebben verzocht dat geld aan hen af te dragen. De curator betwist dat de afdracht op verzoek van de werknemers heeft plaatsgevonden, maar voert daartoe geen nadere feiten of omstandigheden aan. Dit had wel op zijn weg gelegen, temeer gelet op de door Varrolaan geschetste penibele financiële situatie waarin de werknemers zich bevonden, waarin een dergelijk, uitdrukkelijk verzoek meer dan aannemelijk is. Er zal dan ook van worden uitgegaan dat Varrolaan de deelbetaling op uitdrukkelijk verzoek van de werknemers, derhalve in opdracht van haar cliënten, heeft afgedragen.

4.5.

Vast staat dat Varrolaan de afdracht heeft verricht voordat het faillissement was uitgesproken. Varrolaan betoogt dat op het moment van de afdracht nog goede hoop bestond dat [A] de volledige vordering zou voldoen, in welk geval van een faillissement geen sprake zou zijn. De deelbetalingen waren volgens Varrolaan immers juist bedoeld om het faillissement af te wenden. De curator spreekt dit niet tegen, waardoor de juistheid van hetgeen Varrolaan stelt is komen vast te staan. Verder staat vast dat Varrolaan de werknemers bij de afdracht heeft gewaarschuwd dat de mogelijkheid bestond dat, indien het faillissement zou zijn uitgesproken, zij de ontvangen betaling zouden moeten terugbetalen aan de boedel.

4.6.

Gelet op het feit dat het geld niet Varrolaan toebehoorde maar de derdengeldrekening van Varrolaan slechts was bestemd als manier van betaling, gelet op de uitdrukkelijke wens van de werknemers als cliënten van Varrolaan om de deelbetaling aan hen af te dragen, de onzekerheid of het faillissement zou worden uitgesproken, de omstandigheid dat de deelbetaling zag op de opeisbare vorderingen van de werknemers en bovendien de waarschuwing van Varrolaan aan de werknemers dat het geld als mogelijk paulianeuze betaling zou moeten worden terugbetaald, kan niet worden geoordeeld dat Varrolaan de deelbetaling, in weerwil van het uitdrukkelijke verzoek van haar cliënten, onder zich had moeten houden.

4.7.

Ten aanzien van het tweede moment, het moment waarop Varrolaan bij de voortgezette behandeling van het faillissementsverzoek op 17 september 2013 in haar verzoek heeft gepersisteerd, stelt Varrolaan dat zij in opdracht heeft gehandeld van haar cliënten, waarvan de vorderingen na de deelbetalingen niet volledig waren voldaan. De curator stelt dat Varrolaan eigenhandig het faillissement heeft bewerkstelligd door te persisteren in het faillissementsverzoek. Voor zover de curator heeft bedoeld te zeggen dat Varrolaan niet overeenkomstig de wil van haar cliënten heeft gehandeld, heeft hij zijn stelling van onvoldoende onderbouwing voorzien. Indien de curator Varrolaan voor het overige een verwijt maakt, stelt de curator onvoldoende waaruit dit verwijt bestaat. Het was - gelet op het feit dat de rechtbank het faillissement heeft uitgesproken - een gerechtvaardigd verzoek. Dit brengt mee dat het persisteren in het faillissementsverzoek van Varrolaan niet als onrechtmatig valt aan te merken.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat niet is vast komen te staan dat Varrolaan onrechtmatig heeft gehandeld met betrekking tot de afdracht en het persisteren in het faillissementsverzoek. De vordering zal daarom worden afgewezen. De nevenvorderingen ten aanzien van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten delen dit lot.

4.9.

Omdat de vordering zal worden afgewezen, behoeven de overige verweren van Varrolaan geen verdere bespreking.

4.10.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Varrolaan worden begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 250,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt de curator tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Varrolaan, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.