Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6668

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3304
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, notaris in Utrecht, heeft onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van de geluidsopname van het besloten gedeelte van de ledenvergadering van de ledenraad van de Koninklijke Notariële beroepsorganisatie van 27 november 2013. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de geluidsopname niet op grond van de Wob hoeft te worden verstrekt, omdat de Wob niet van toepassing is. Artikel 76 van de Wna regelt op uitputtende wijze de openbaarmaking van verslagen van besloten vergaderingen van verweerder. Net als artikel 23 van de Gemeentewet moet artikel 76 van de Wna daarom als een bijzondere openbaarmakingsregeling worden gezien, die aan toepassing van de Wob in de weg staat. Daarbij zoekt de rechtbank aansluiting bij de rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 14 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BG9791), waarin is geoordeeld dat artikel 23 van de Gemeentewet dient ter bescherming van de raadsleden die juist in een besloten vergadering vrijuit moeten kunnen spreken en daarbij niet gehinderd dienen te worden door de mogelijkheid dat het verslag tegen de wil van de raad geheel of gedeeltelijk openbaar zou worden. Net als in een vergadering van de gemeenteraad moeten leden van verweerder vrijuit kunnen spreken als een vergadering met gesloten deuren plaatsvindt. Daarbij dienen zij niet te worden gehinderd door de mogelijkheid dat het verslag later alsnog openbaar wordt gemaakt. De beslotenheid zou dan immers geen betekenis meer hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2015/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/3304

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

De ledenraad van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L. Batting).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om openbaarmaking van - voor zover thans van belang - de geluidsopname van de ledenraadvergadering van 27 november 2013 afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. [X].

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is notaris in Utrecht. Op 27 november 2013 heeft een vergadering plaatsgevonden van verweerder. Een deel van die ledenraadvergadering was besloten. Van dit besloten gedeelte is een geluidsopname gemaakt. Eiser heeft verweerder op 29 november 2013 onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van de geluidsopname. Hierop is de besluitvorming gevolgd zoals is weergegeven onder het Procesverloop. Een schriftelijke weergave van het besloten gedeelte van de ledenraadvergadering is wel openbaar gemaakt en bij e-mail van 9 januari 2014 aan eiser toegezonden.

2. Eiser heeft aangevoerd dat de Wob van toepassing is en dat de geluidsopname op grond van de Wob openbaar moet worden gemaakt. Omdat het schriftelijke verslag van de ledenraadvergadering onvolledig is nu het gesprek van een uur is samengevat in één alinea, is de openbaarmaking van de geluidsopname volgens eiser gerechtvaardigd. Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de beslotenheid aan het besloten vergadergedeelte is komen te ontvallen door openbaarmaking van het schriftelijke verslag. Verweerder dient de geluidsopname daarom alsnog openbaar te maken.

3. Verweerder heeft daar tegenover gesteld dat hij niet verplicht is tot openbaarmaking van de geluidsopname. Artikel 76 van de Wet op het notarisambt (Wna) bevat een uitputtende openbaarmakingsregeling die voorrang heeft op de Wob. Op grond van dit artikel bestaat geen verplichting om het verslag van een ledenraadvergadering openbaar te maken. Het artikel geeft verweerder de bevoegdheid te besluiten met gesloten deuren te vergaderen. Het verslag van de besloten vergadering wordt niet openbaar gemaakt, tenzij verweerder anders beslist. De achterliggende gedachte van artikel 76 van de Wna is dat leden in een besloten vergadering vrij moeten kunnen spreken, zonder daarbij te worden gehinderd door de mogelijkheid dat het verslag daarvan tegen hun wil geheel of gedeeltelijk openbaar zou worden. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar artikel 23 van de Gemeentewet en gesteld dat dit met artikel 76 Wna vergelijkbare artikel volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) als een aan de Wob derogerende regeling moet worden aangemerkt.

Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat door het verstrekken van het verslag de beslotenheid van de vergadering niet is opgeheven. Met de openbaarmaking van het verslag is bovendien een getrouw verslag gegeven van de beraadslagingen van verweerder, zodat openbaarmaking van de geluidsopname daar niets aan zou toevoegen, aldus verweerder.

4. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de Wob van toepassing is op eisers verzoek om openbaarmaking. Gelet op vaste rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 7 februari 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:AZ7951) wijkt de Wob als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin.

5. Ingevolge artikel 76 van de Wna zijn de vergaderingen van verweerder openbaar. Er wordt met gesloten deuren vergaderd indien de voorzitter, de aard van het te behandelen onderwerp in aanmerking genomen, zulks nodig oordeelt of indien ten minste acht leden van de raad daarom verzoeken. De leden van het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), de directeur van het bureau van de KNB en de secretarissen kunnen de besloten vergaderingen bijwonen, tenzij de ledenraad anders beslist. Over de toelating van andere personen beslist de ledenraad. Van de besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag gemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de ledenraad anders beslist.

6. Vaststaat dat er op 27 november 2013 in overeenstemming met de bepalingen van artikel 76 van de Wna met gesloten deuren is vergaderd.

Artikel 76 van de Wna regelt op overeenkomstige wijze als artikel 23 van de Gemeentewet dat verweerder met gesloten deuren kan vergaderen als de voorzitter, de aard van het te behandelen onderwerp in aanmerking genomen, zulks nodig oordeelt of als ten minste acht leden van de raad daarom verzoeken. Uit het artikel volgt eveneens dat van de besloten vergadering een afzonderlijk verslag wordt gemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij verweerder anders beslist. Naar het oordeel van de rechtbank regelt artikel 76 van de Wna op uitputtende wijze de openbaarmaking van verslagen van besloten vergaderingen van verweerder. Net als artikel 23 van de Gemeentewet moet artikel 76 van de Wna daarom als een bijzondere openbaarmakingsregeling worden gezien. Deze openbaarmakingsregeling staat aan toepassing van de Wob in de weg. Daarbij zoekt de rechtbank aansluiting bij de rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld in de uitspraak van 14 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BG9791), waarin is geoordeeld dat artikel 23 van de Gemeentewet dient ter bescherming van de raadsleden die juist in een besloten vergadering vrijuit moeten kunnen spreken en daarbij niet gehinderd dienen te worden door de mogelijkheid dat het verslag tegen de wil van de raad geheel of gedeeltelijk openbaar zou worden. Net als in een vergadering van de gemeenteraad moeten leden van verweerder vrijuit kunnen spreken als een vergadering met gesloten deuren plaatsvindt. Daarbij dienen zij niet te worden gehinderd door de mogelijkheid dat het verslag later alsnog openbaar wordt gemaakt. De beslotenheid zou dan immers geen betekenis meer hebben.

Dit betekent dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de geluidsopname niet op grond van de Wob hoeft te worden verstrekt, omdat de Wob in dit geval niet van toepassing is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de geluidsopname niet als een verslag in de zin van artikel 76 van de Wna kan worden gezien. Nu de geluidsopname weergeeft wat tijdens de ledenraadvergadering is besproken, kan die opname gelden als een verslag. Er is geen rechtsregel waaruit volgt dat onder een verslag slechts een geschreven weergave van een vergadering kan worden verstaan. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de geluidsopname persoonlijke beleidsopvattingen bevat, die een weigeringsgrond in de zin van de Wob opleveren.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, eiser kunnen weigeren om de geluidsopname te verstrekken.

8. Dat verweerder wel een - beknopte - schriftelijke weergave van het besloten gedeelte van de ledenraadvergadering aan eiser heeft doen toekomen betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de beslotenheid is opgeheven. De schriftelijke weergave geeft immers niet het volledige gesprek weer dat tijdens het besloten gedeelte van de ledenraadvergadering heeft plaatsgevonden, maar bevat een zakelijke weergave van het besprokene. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.