Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6644

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
16-179564-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De politierechter oordeelde dat een Utrechtse portier schuldig is aan het mishandelen van twee cafébezoekers in mei 2012 in Utrecht. De man moet aan één van de slachtoffers een schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-179564-12 [P]

Vonnis van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1968] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2014 en 28 november 2014. De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L. de Leon advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2012 te Utrecht opzettelijk mishandelend een of meerdere perso(o)n(en) te weten,

  • [slachtoffer 1], een of meerdere keren met zijn tot vuist gebalde vuist(en) tegen het hoofd heeft geslagen en/of

  • [slachtoffer 2] met kracht aan de haren heeft vastgepakt en/of heeft (mee)getrokken en/of die [slachtoffer 2] met zijn hand op/tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de politierechter is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de politierechter niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de raadsman verschillende argumenten naar voren gebracht. De politierechter zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken, maar daarbij enkel ingaan op die standpunten die zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

4.3 Het oordeel polvan de politierechter

Bewijsmiddelen

[slachtoffer 1] zag op 29 mei 2012 in Utrecht twee portiers voor de ingang van [café] staan. Één van de portiers was een negroïde man en de ander was een blanke man. [slachtoffer 1] zag dat één van deze portiers [slachtoffer 2] van achteren bij zijn haar vastgreep. Hij zag dat deze portier een negroïde man was. [slachtoffer 1] denkt dat de portier tussen de 30 en de 40 jaar oud is. De portier had kort gemillimeterd haar. [slachtoffer 1] zag dat de portier [slachtoffer 2] een stukje over de straat meetrok en dat [slachtoffer 2] drie klappen van de portier op zijn achterhoofd kreeg. Hij zag dat de portier dit met een gebalde vuist deed. De portier hield [slachtoffer 2] met één hand bij zijn haar vast en met de andere hand deelde hij de klappen uit. [slachtoffer 1] voelde daarna dat hij zelf een klap tegen zijn achterhoofd kreeg. Hij voelde dat dit met een gebalde vuist was. Hierna kreeg hij nog een aantal harde klappen tegen zijn voorhoofd, lip en kaak. Hij zag en voelde dat dit met gebalde vuist gebeurde. Hij voelde direct flinke pijnscheuten in zijn hoofd opkomen. Hij zag dat het de portier was die dit deed. Hij heeft letsel en pijn aan het voorval overgehouden. Hij heeft een bult op de rechterkant van zijn voorhoofd zitten en een dikke bovenlip. Hij heeft flinke hoofdpijn en op de plaatsen waar hij is geslagen voelt het beurs. Verder is tijdens het slaan zijn tand door zijn lip gegaan en hij heeft een wond aan de binnenkant van zijn mond bij zijn onderlip. Het voelt dik aan

[slachtoffer 2] stond op 29 mei 2012 voor café [café] en voelde dat er iemand met kracht aan zijn haren trok. Hij zag dat de portier degene was die zijn haren vasthield. Hij voelde dat de portier hem aan zijn haar meetrok naar de overkant van de straat. Op het moment dat hij aan zijn haar getrokken werd voelde hij een hevige pijn op zijn achterhoofd. Toen ze aan de overkant van de straat stonden voelde hij dat hij een harde klap tegen zijn achterhoofd kreeg van de portier. Hij voelde wederom pijn in zijn hoofd.

[slachtoffer 2] zag vervolgens dat de portier [slachtoffer 1] drie keer sloeg. Hij zag namelijk dat de portier een armbeweging maakte in de richting van het gezicht van [slachtoffer 1]. Aan de beweging van de portier kon [slachtoffer 2] zien dat [slachtoffer 1]door hem geslagen werd. De portier die [slachtoffer 1]en hem mishandeld heeft kan [slachtoffer 2] als volgt omschrijven: - man; - lichtgetinte huidskleur; - ongeveer 40 à 45 jaar; - zwart kort gemillimeterd haar. De andere portier kan [slachtoffer 2] als volgt omschrijven: - man; - blanke huidskleur; - ongeveer 35 jaar oud;

- heel kort donkerblond haar

[getuige 1] zag op 29 mei 2012 twee uitsmijters voor café [café]. Ze kan beide portiers als volgt omschrijven.

Portier 1:

- man;

- rond de 35 jaar;

- getinte huidskleur;

- kort gemillimeterd haar.

Portier 2:

- man;

- rond de 30 jaar;

- blanke huidskleur;

- kort gemillimeterd haar.

[getuige 1] zag dat portier 1 [slachtoffer 1] een vuistslag gaf in de richting van [slachtoffer 1] lip. Ze kan met alle zekerheid zeggen dat de getinte portier [slachtoffer 1]heeft geslagen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 mei 2012 als portier werkzaam was bij café [café] en dat hij een man is met een getint uiterlijk en dat hij kort zwart haar heeft.

Bewijsoverwegingen

Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [getuige 1] in twijfel dienen te worden getrokken omdat deze verklaringen lijnrecht tegenover de verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] staan. Ook is het volgens de verdediging niet onredelijk te denken dat [getuige 1], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

De politierechter overweegt dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] weliswaar verklaren dat ze verdachte niet hebben zien slaan, maar deze beide getuigen kunnen zich niet alles herinneren en weten ook niet of ze over de nacht van het ten laste gelegde feit verklaren. De getuigen – en ook de verdachte – verklaren immers dat er bij café [café] wel vaker incidenten gebeuren waarbij de politie ter plaatse komt. Daartegenover staat dat de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en getuige [getuige 1] kort na het incident en onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd. Ook zijn [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] door verschillende verbalisanten gehoord. [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] zijn verder consistent in hun verklaringen. Zij hebben direct na het incident een verklaring bij de politie afgelegd en zijn in een later stadium gehoord bij de rechter-commissaris. De bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen komen overeen met de direct na het incident bij de politie afgelegde verklaringen. Bovendien is op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] een motief hadden om de verdachte te benadelen dan wel hem onterecht als de schuldige van de mishandeling aan te wijzen. Er is dan ook geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] hebben allen verklaard dat ten tijde van de mishandeling twee portiers van café [café] aanwezig waren. Zij hebben ook een omschrijving van deze portiers gegeven. De portiers verschilden volgens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] in leeftijd, haardracht en huidskleur van elkaar. De portier die aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou hebben mishandeld wordt door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] omschreven als de oudere portier met kort gemillimeterd haar en een getinte huidskleur. Gelet op de verklaring van verdachte zelf, het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de politierechter van oordeel dat het door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 1] gegeven signalement bij verdachte past, en niet bij zijn collega, de portier [A].

Gelet op de voorgaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang beschouwd – acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 29 mei 2012 heeft mishandeld.

5. Bewezenverklaring

De politierechter acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: op 29 mei 2012 te Utrecht opzettelijk mishandelend meerdere personen te weten,

- [slachtoffer 1], meerdere keren met zijn gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen en

- [slachtoffer 2] met kracht aan de haren heeft vastgepakt en heeft meegetrokken en die [slachtoffer 2] met zijn hand tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor deze letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Mishandeling, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering van de op te leggen sanctie

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van zes dagen.

8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen strafmaatverweren gevoerd. 8.3 Het oordeel van de politierechter Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de politierechter rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Met betrekking tot de ernst van het feit overweegt de politierechter dat de verdachte zich op 29 mei 2012 schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van twee personen. Het gedrag van verdachte getuigt van disrespect voor de lichamelijke integriteit van een ander, in het bijzonder nu verdachte in zijn functie van portier juist de orde en veiligheid moet bewaken. De politierechter rekent dit de verdachte aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de politierechter in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 september 2014, waaruit blijkt dat hij niet recent is veroordeeld. De politierechter beschouwt de verdachte daarom als een first offender. Voorts heeft de politierechter ten voordele van verdachte meegewogen dat deze strafzaak grote gevolgen voor hem heeft gehad. Zo heeft verdachte ter zitting van 28 november 2014 verklaard dat hij zijn baan, onderneming en woning is kwijtgeraakt. Bovendien kan verdachte als gevolg van deze strafzaak zijn werkzaamheden van portier niet meer uitvoeren. Tot slot weegt de politierechter, evenals de officier van justitie, mee dat de zaak een lang tijdsverloop heeft gekend.

De politierechter is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Gelet op het lange tijdsverloop van de strafzaak en de gevolgen die de zaak voor de verdachte hebben gehad acht de politierechter de oplegging van een straf niet meer passend of geboden. De politierechter zal verdachte dan ook schuldig verklaren zonder de oplegging van een straf (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht).

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De politierechter acht de behandeling van de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding. Tijdens het onderzoek op de zitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het ten laste gelegde feit, waarvoor de verdachte wordt veroordeeld. De politierechter waardeert deze schade op een bedrag van € 219,95, bestaande uit € 69,95 materiële schade en € 150,- immateriële schade. De politierechter wijst derhalve de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 219,95, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op 29 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering wordt voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dit bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Als extra waarborg voor betaling aan [slachtoffer 1] wordt aan de verdachte de verplichting opgelegd om de som van € 219,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Voor het geval de verdachte niet (volledig) betaalt en er ook geen (volledig) verhaal mogelijk is, wordt verdachte een hechtenis opgelegd voor de duur van vier dagen. De toepassing van die hechtenis heft de verplichting voor verdachte om te betalen niet op. Het bedrag dat verdachte betaalt aan de Staat, hoeft verdachte niet meer te betalen aan de benadeelde partij. Omgekeerd geldt hetzelfde.

De politierechter veroordeelt de verdachte verder in de kosten tot op heden door de benadeelde partij gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

10. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 24c, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. DE BESLISSING

De politierechter:

Bewezenverklaring:

- verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid: - verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Straf: - bepaalt dat overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf aan de verdachte wordt opgelegd.

Benadeelde partij: - wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], toe tot een bedrag van € 219,95, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op 29 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk; - veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd; - veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel: - legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], € 219,95, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op 29 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van vier dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door mr A.M.M.E. Doekes-Beijnes, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 12 december 2014.

Mr. C.M. van de Kamp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[1] Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om het proces-verbaal van de Politie Utrecht, met nummer PL0910 2012165073, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

[2] proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 29 mei 2012, doorgenummerde pagina’s 4 tot en met 7.

[3] Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 29 mei 2012, doorgenummerde pagina’s 8 tot en met 10.

[4] Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], doorgenummerde pagina’s 14 en 15.

[5] Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte], doorgenummerde pagina 21.