Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6635

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
2898871 UE VERZ 14-187 k/4081
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding. Gelet op de onduidelijkheid in het Sociaal Plan over de vergoeding enerzijds en de onwenselijkheid van doorbreking van het gelijkheidsbeginsel anderzijds, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch onder toepassing van het Sociaal Plan, maar de kantonrechter laat daarbij tevens werknemer de mogelijkheid om een afzonderlijke procedure te entameren – wanneer de criteria van de Toetsingscommissie bekend zijn en werknemer daar een aanvraag heeft ingediend – om te laten beoordelen of toepassing van het Sociaal Plan in zijn geval evident onbillijk is (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1067
AR 2014/967

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2898871 UE VERZ 14-187 k/4081

Beschikking van 23 april 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Arbo Unie B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Arbo Unie,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M. Spithoven,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.M. O'Keefe.

1 De procedure

Op 21 maart 2014 is een verzoekschrift van Arbo Unie binnengekomen.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

Arbo Unie heeft nog aanvullende producties toegestuurd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2014. Hiervan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder], geboren op [1958], is op 1 april 2010 in dienst van Arbo Unie getreden. Het dienstverband geldt thans voor onbepaalde tijd. [verweerder] vervulde laatstelijk de functie van Manager Arbo Unie binnen het bedrijfsonderdeel Shared Service Unit (SSU).

Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 6.903,00 per maand, exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.2.

Op 21 januari 2014 heeft Arbo Unie het UWV om toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met 125 werknemers, waaronder [verweerder] op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. Vier representatieve werknemersorganisaties hebben een verklaring ex artikel 4:1 Ontslagbesluit afgegeven, waarin zij de noodzaak tot reorganisatie onderschrijven en aangeven een Sociaal Plan te zijn overeengekomen.

2.3.

In het Sociaal Plan is onder punt 6 (Budget) opgenomen:

Werkgever stelt een Budget ter hoogte van EUR 900.000 beschikbaar.

De Boventallige Werknemer die na het mobiliteitstraject niet intern herplaatst is of niet van werk naar werk bemiddeld is, kan een beroep doen op een vergoeding voor zover die betaald kan worden uit bovengenoemd Budget. Hij dient daartoe schriftelijk een aanvraag bij de Toewijzingscommissie te doen. Bij de toekenning van de vergoeding zal de kantonrechtersformule met een bescheiden C factor zoveel als mogelijk uitgangspunt zijn en kunnen alle omstandigheden meegewogen worden. Het bovengenoemde Budget kan niet worden overschreden.

2.4.

Op 25 februari 2014 heeft het UWV de gevraagde toestemming verleend.

2.5.

Arbo Unie heeft van deze toestemming geen gebruik kunnen maken wegens het feit dat [verweerder] lid is van de OR.

2.6.

[verweerder] is vanaf 1 maart 2014 vrijgesteld van werkzaamheden.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Arbo Unie verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verandering van omstandigheden. Zij voert daartoe het volgende aan:

Arbo Unie heeft jaren te maken met een teruglopende omzet. De verwachting is dat die omzet in de toekomst nog verder zal dalen. Zonder ingrijpen zal in 2014 een nog groter negatief resultaat worden geboekt dan in 2013. Twee jaar geleden zijn al maatregelen getroffen, maar die zijn onvoldoende gebleken. Thans is een rigoureuze ingreep noodzakelijk. Naast een bezuiniging op ICT en huisvesting, is besloten tot een inkrimping van het personeelsbestand met circa 220 fte (van in totaal 1000 werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd). Omdat er sprake is van een scheefgroei tussen het directe personeel (bijv. bedrijfsartsen) en het indirecte personeel (bijv. ondersteuning/backoffice), is besloten met name in het indirecte personeel te snijden. Binnen de organisatie van Arbo Unie moeten verschillende bedrijfsvestigingen worden onderscheiden. SSU is een zelfstandig bedrijfsonderdeel dat bestaat uit 5 bedrijfsvestigingen. [verweerder] is de enige manager binnen SSU. Het is dus een unieke functie en die functie komt te vervallen. Arbo Unie heeft ten aanzien van de reorganisatie een Sociaal Plan opgesteld, ter zake waarvan zij overleg heeft gevoerd met de Ondernemingsraad. De vakbonden hebben ingestemd met het Sociaal Plan. Arbo Unie verzoekt dan ook de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden onder toepassing van het Sociaal Plan.

3.2.

[verweerder] heeft verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan. [verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toewijzing onder toekenning van een substantiële vergoeding.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter overweegt dat sprake is van een collectief ontslag en heeft zich ervan vergewist dat aan de verplichtingen van de WMCO is voldaan.

4.2.

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie, gelet op de verklaringen (ex artikel 4:1 Ontslagbesluit ) die de representatieve vakbonden hierover hebben afgegeven. Voor zover [verweerder] heeft bedoeld die noodzaak te betwisten, acht de kantonrechter die betwisting onvoldoende onderbouwd. Hij heeft namelijk geen enkel stuk overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat de bedrijfseconomische situatie zich gunstiger heeft ontwikkeld dan aanvankelijk geprognosticeerd.

4.3.

Bij gebrek aan betwisting staat vast dat Arbo Unie eerst op andere posten heeft bezuinigd en dat thans een reductie van de personeelskosten is aangewezen.

4.4.

De kantonrechter stelt voorts voorop dat aan Arbo Unie een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van de wijze waarop zij de reorganisatie vorm geeft en welke functies komen te vervallen. [verweerder] heeft geen bezwaren geuit tegen het besluit om de enige functie van manager Arbo Unie bij de SSU te laten vervallen. De OR heeft hier ook positief over geadviseerd.

4.5.

[verweerder] vervulde de functie van manager Arbo Unie bij SSU. Arbo Unie heeft betoogd dat dit een unieke functie betreft en [verweerder] heeft aangevoerd dat die functie uitwisselbaar is met de functie van de managers bij andere bedrijfsonderdelen en dat hij daarom ten onrechte voor ontslag is voorgedragen.

4.6.

De kantonrechter overweegt dat Arbo Unie in het verzoekschrift – en kennelijk ook in de ontslagaanvraag – heeft vermeld dat SSU een afzonderlijk bedrijfsonderdeel is en bestaat uit 5 bedrijfsvestigingen. Dit onderscheid in bedrijfsvestigingen is door [verweerder] niet betwist. Ingevolge het Ontslagbesluit – waarbij de kantonrechter op dit punt zal aansluiten – dient het afspiegelingsbeginsel per bedrijfsvestiging te worden toegepast. Nu [verweerder] bij het bedrijfsonderdeel SSU de enige manager Arbo Unie is en het afspiegelingsbeginsel beperkt is tot één bedrijfsvestiging, is [verweerder] terecht voor ontslag voorgedragen. Dat hij mogelijk het werk van een Manager Arbo Unie bij een ander bedrijfsvestiging zou kunnen doen, is daarbij niet relevant nu dat andere bedrijfsvestigingen betreft die niet bij het afspiegelingsbeginsel worden betrokken. Dat die functie bij andere bedrijfsvestigingen vacant is, is gesteld noch gebleken zodat niet kan worden geoordeeld dat hij in die functie had moeten worden herplaatst. Gesteld noch gebleken is dat ander passend werk voorhanden is.

4.7.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de verzochte ontbinding dient te worden toegewezen. De kantonrechter is van oordeel dat het OR-lidmaatschap van [verweerder] hieraan niet in de weg staat. Nu het gaat om een ontbinding op grond van bedrijfseconomische omstandigheden waarbij op objectieve gronden (de ontslagcriteria van het UWV) bepaald is dat [verweerder] voor ontslag in aanmerking komt, wordt vermoed geen verband met het OR-lidmaatschap aanwezig te zijn. Dat dit verband er wel is, heeft [verweerder] niet aannemelijk gemaakt. Het feit dat zijn leidinggevende in september 2013 met hem zou hebben gesproken over de invulling van zijn functie, is daarvoor onvoldoende nu toentertijd nog niet (bij die leidinggevende) duidelijk was dat [verweerder] voor ontslag in aanmerking zou komen. Ook overigens is niet gebleken van een verband met enig opzegverbod.

4.8.

Dan komt aan de orde de vergoeding waarop [verweerder] aanspraak kan maken.

4.9.

Arbo Unie heeft gesteld dat het Sociaal Plan toegepast moet worden. [verweerder] heeft aangevoerd dat de toepassing van het Sociaal Plan evident onbillijk is, nu Arbo Unie reeds heeft aangegeven dat [verweerder] geen aanspraak kan maken op enige vergoeding uit het budget.

4.10.

De kantonrechter stelt vast dat op basis van het Sociaal Plan niet duidelijk is op welke wijze [verweerder] zal worden geholpen bij het vinden van een nieuwe baan, hoe lang dit traject zal duren, of dit binnen de arbeidsovereenkomst of na beëindiging daarvan zal moeten plaatsvinden en – als [verweerder] in dat kader geen nieuwe baan heeft gevonden – op grond van welke criteria de Toetsingscommissie dan zal bepalen of [verweerder] in aanmerking komt voor een financiële vergoeding en hoe hoog die dan is. Arbo Unie heeft hierover ter zitting ook geen duidelijkheid kunnen geven. Ten gevolge van die onduidelijkheid is de kantonrechter thans niet in staat te beoordelen of de toepassing van het Sociaal Plan in het individuele geval van [verweerder] evident onbillijk is. Die onduidelijkheid komt voor rekening en risico van Arbo Unie en het is [verweerder] dan ook niet te verwijten dat hij zijn beroep op de evidente onbillijkheid niet kan concretiseren.

4.11.

Gelet op de onduidelijkheid in het Sociaal Plan zou de kantonrechter de vergoeding kunnen bepalen op basis van de kantonrechtersformule. Daartegen pleit echter dat het gelijkheidsbeginsel dat aan het Sociaal Plan ten grondslag ligt, wordt doorbroken en [verweerder] in een afwijkende – en mogelijk veel gunstiger – positie zal komen te verkeren dan zijn collega’s die ontslagen zijn of worden en voor wie de vergoeding is begrensd door het maximale budget van € 900.000,00. De kantonrechter acht een dergelijk afwijkende positie voor [verweerder], enkel en uitsluitend gebaseerd op zijn OR-lidmaatschap, ongewenst.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de kantonrechter thans de arbeidsovereenkomst zal ontbinden onder toepassing van het Sociaal Plan, maar dat de kantonrechter daarbij tevens [verweerder] de mogelijkheid laat om een afzonderlijke procedure te entameren – wanneer de criteria van de Toetsingscommissie bekend zijn en [verweerder] daar een aanvraag heeft ingediend – om te laten beoordelen of toepassing van het Sociaal Plan in zijn geval evident onbillijk is (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257).

4.13.

Zoals in het Sociaal Plan is opgenomen, zal de kantonrechter de opzegtermijn in acht nemen bij het bepalen van de ontbindingsdatum.

4.14.

Gelet op de onduidelijkheid die het Sociaal Plan laat en die voor rekening van Arbo Unie komt, zal de kantonrechter Arbo Unie veroordelen in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2014, onder toepassing van het Sociaal Plan;

veroordeelt Arbo Unie in de proceskosten aan de zijde van [verweerder], tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.