Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6617

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3939
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft misbruik gemaakt van de aan hem op grond van de Wob toekomende bevoegdheden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank de volgende aspecten betrokken. Eiser heeft niet aangegeven wat de bestuurlijke aangelegenheid is, eiser heeft zijn verzoek verstuurd naar nagenoeg alle Nederlandse gemeenten en eiser heeft niet de door verweerder voorgestelde weg gekozen om de informatie te verkrijgen. Onder deze omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat (de gemachtigde van) eiser met het versturen van de e-mail van 4 april 2014 niet heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te maken, maar dat het doel voor hem slechts is geweest dat hij een proceskostenvergoeding zou verkrijgen in bezwaar – en eventueel in (hoger) beroep – en, voorts, dat verweerder aan hem een (maximale) dwangsom zou verbeuren. Eiser heeft op 3 mei 2014 een ingebrekestelling aan verweerder gestuurd waarin staat dat verweerder nog niet heeft beslist op het verzoek van 4 april 2014 en hij zo nodig aanspraak zal maken op een dwangsom, terwijl verweerder hierop reeds op 8 april 2014 had beslist én eiser hiertegen inmiddels al bezwaar had gemaakt.

Uit het voorgaande volgt dat eiser de hem in de Wob toegekende bevoegdheid bewust heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld. Aldus heeft eiser deze bevoegdheid misbruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/3939

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P.W.M. Heijmans).

Procesverloop

Op 4 april 2014 heeft eiser per e-mail een verzoek ingediend om gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Per brief van 8 april 2014 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij het verzoek niet in behandeling zal nemen.

Bij besluit van 2 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verweerder op 4 april 2014 per e-mail het volgende bericht aan gestuurd:

“[…] Hierbij verzoek ik u op grond van de Wet openbaarheid van bestuur om de volgende openbaar te maken en in afschrift te verstrekken documenten: alle documenten waaruit blijkt wanneer u (en/of indien van toepassing uw rechtsvoorganger[s]) correspondentie verstuurd heeft naar [naam] Juridisch Advies en/of [eiser] in de periode van 1 maart 2013 tot en met 21 maart 2014 evenals alle documenten waaruit blijkt welke correspondentie u (en/of indien van toepassing uw rechtsvoorganger[s]) verstuurd heeft naar [naam] Juridisch Advies en/of [eiser] in de periode van

1 maart 2013 tot en met 21 maart 2014 evenals alle documenten waaruit blijkt naar welk adres/waarheen u (en/of indien van toepassing uw rechtsvoorganger[s]) voornoemde correspondentie verstuurd heeft zoals uw verzendadministratie (of iets dergelijks). Indien de kosten verbonden aan dit verzoek meer bedragen dan € 7,- verzoek ik u om openbaarmaking middels inzage i.p.v. openbaarmaking middels het verstrekken van afschriften. […]”

2. Op 8 april 2014 heeft verweerder aan eiser een brief gestuurd dat het verzoek van eiser niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat dit verzoek niet via elektronische weg ingediend kan worden. Verweerder heeft voorts in deze brief verwezen naar de website van de gemeente IJsselstein en aangegeven dat een verzoek op grond van de Wob uitsluitend in behandeling wordt genomen wanneer dit schriftelijk, dat wil zeggen per reguliere post, bij hem wordt ingediend.

3. Eiser heeft op 10 april 2014 bezwaar gemaakt tegen deze brief. Op 3 mei 2014 heeft eiser een ingebrekestelling naar verweerder gestuurd en aan verweerder verzocht om binnen twee weken na ontvangst van deze ingebrekestelling een besluit te nemen op zijn verzoek van 4 april 2014. Op 2 juli 2014 heeft eiser aan verweerder een brief gestuurd waarin hij aangeeft dat de beslistermijn ten aanzien van het door hem ingediende bezwaarschrift is verstreken en heeft hij verweerder verzocht binnen twee weken een beslissing te nemen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 8 april 2014 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb aangemerkt kan worden.

5. De rechtbank zal eerst ambtshalve ingaan op de – ook door verweerder opgeworpen – vraag of eiser de aan hem op grond van de Wob toekomende bevoegdheden op de juiste wijze heeft gebruikt en of dus geen sprake is van misbruik van recht.

6. De wettelijke grondslag voor het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep wegens misbruik van recht volgt uit artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129). Ingevolge deze artikelen kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt.

7. Zoals voorts volgt uit de genoemde uitspraak van 19 november 2014, zijn voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt te meer indien het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer verstrekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt en welke een burger in de regel niet pleegt te hebben.

8. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Op grond van de Wob heeft een burger de bevoegdheid om een bestuursorgaan te verzoeken om openbaarmaking van (informatie uit) documenten over een bestuurlijke aangelegenheid (een Wob-verzoek). Een verzoeker hoeft op grond van artikel 3, derde lid, van de Wob bij zijn verzoek geen belang te stellen. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat het doel van deze aan de burger toekomende bevoegdheid is dat bepaalde documenten openbaar worden gemaakt. De burger hoeft wanneer hij een Wob-verzoek doet, met andere woorden, niet te specificeren waarom hij openbaarmaking van die documenten wenst, maar zijn doel moet wel zijn dát de documenten openbaar worden gemaakt. Dat betekent dat in het kader van de Wob sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheden, indien een burger verzoekt om documenten met een ander doel dan de openbaarmaking van de in die documenten neergelegde informatie.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiser misbruik heeft gemaakt van de aan hem op grond van de Wob toekomende bevoegdheden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank de volgende aspecten betrokken.

- Met het verzoek van 4 april 2014 heeft eiser verzocht om, kort gezegd, openbaarmaking van documenten over correspondentie van verweerder aan hemzelf (en [naam] Juridisch Advies, hetgeen zijn eenmanszaak is). Hoewel eiser heeft verzocht om openbaarmaking op grond van de Wob, heeft hij niet aangegeven wat de bestuurlijke aangelegenheid is. Hij heeft immers niet toegelicht dat sprake is van een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan. Uit de brief van 4 april 2014 – noch uit de daaropvolgende brieven van eiser – kan met andere woorden niet worden afgeleid dat inhoudelijk sprake is van een verzoek in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob.

- Uit de stukken blijkt dat eiser de e-mail van 4 april 2014 heeft verstuurd aan 398 gemeenten. Uit openbare informatie van het CBS (www.cbs.nl) blijkt dat Nederland 403 gemeenten had op 1 januari 2013, zodat eiser zijn verzoek om informatie over correspondentie met hemzelf naar nagenoeg alle Nederlandse gemeenten heeft gestuurd. Uit de stukken valt echter niet af te leiden en door eiser is ook niet gesteld dat hij met nagenoeg alle gemeenten in Nederland correspondentie heeft gevoerd; nu eiser niet ter zitting is verschenen, heeft hij de rechtbank hierover ook niet nader kunnen informeren.

- In de brief van 8 april 2014 heeft verweerder aan eiser bericht dat een Wob-verzoek niet via elektronische weg kan worden ingediend. Verweerder heeft eiser erop gewezen dat zijn verzoek in behandeling zal worden genomen indien hij dit verzoek per reguliere post indient. Van deze mogelijkheid heeft eiser, hoewel niet in geschil is dat een Wob-verzoek bij de gemeente Montfoort niet via de elektronische weg kan worden ingediend, geen gebruik heeft gemaakt. Indien eiser met zijn verzoek van

4 april 2014 daadwerkelijk heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen, had het in de rede gelegen dat hij de door verweerder genoemde weg had gevolgd om de gevraagde informatie te verkrijgen. Dit had desgewenst tezamen met het bezwaarschrift tegen de brief van 8 april 2014 kunnen gebeuren.

10. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat (de gemachtigde van) eiser met het versturen van de e-mail van 4 april 2014 niet heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te maken, maar dat het doel voor hem slechts is geweest dat hij een proceskostenvergoeding zou verkrijgen in bezwaar – en eventueel in (hoger) beroep – en, voorts, dat verweerder aan hem een (maximale) dwangsom zou verbeuren. In dit kader merkt de rechtbank ook op dat eiser op

3 mei 2014 een ingebrekestelling aan verweerder heeft gestuurd waarin staat dat verweerder nog niet heeft beslist op het verzoek van 4 april 2014 en hij zo nodig aanspraak zal maken op een dwangsom, terwijl verweerder hierop reeds op 8 april 2014 had beslist én eiser hiertegen inmiddels al bezwaar had gemaakt.

11. Uit het voorgaande volgt dat eiser de hem in de Wob toegekende bevoegdheid bewust heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld. Aldus heeft eiser deze bevoegdheid misbruikt.

12. Dat in de bestuurlijke fase sprake was van misbruik van bevoegdheid door eiser heeft tot gevolg dat al zijn op die fase volgende handelingen, waaronder zijn keuze om verder te procederen, delen in dat lot. Dat betekent ook dat het voor (de gemachtigde van) eiser ten tijde van het instellen van het beroep evident moest zijn, dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat viel te verwachten. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Zij zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

13. Uit het voorgaande volgt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde van) eiser in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Dat biedt grond om eiser (ambtshalve) te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Een proceskostenveroordeling kan echter enkel betrekking hebben op kosten die zijn genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu niet door verweerder is gesteld dat hij dergelijke kosten heeft gemaakt, zal de rechtbank niet tot een proceskostenveroordeling overgaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.J. Veenstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. K. Janssens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.