Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6563

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
AWB 14-24469 en AWB 14-24468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wetsartikelen: art. 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Voor zover verzoeker beoogt te betogen dat de voorzieningenrechter de zaak moet aanhouden omdat er bij het HvJEU nog prejudiciële vragen aanhangig zijn en deze de wijze van toetsing van de geloofwaardigheid ter zake van asielaanvragen van homoseksuelen betreffen, volgt de voorzieningenrechter verzoeker daarin niet. De voorzieningenrechter overweegt dat de ABRvS in de uitspraak van 20 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4985) een onderscheid maakt tussen enerzijds de gevallen waarin een vreemdeling zelf heeft verklaard dat hij in zijn land van herkomst, dan wel in Nederland, concreet uiting aan zijn seksuele gerichtheid heeft gegeven en anderzijds de gevallen waarin een vreemdeling die stelt een bepaalde seksuele gerichtheid te hebben, er tot nu toe van heeft afgezien daaraan op enigerlei wijze uiting te geven, om voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst problemen te voorkomen met actoren van vervolging, dan wel, gelet op de situatie in het land van herkomst, moeite heeft over die seksuele gerichtheid te verklaren in het kader van de asielprocedure. De voorzieningenrechter overweegt dat de prejudiciële vragen die de ABRvS in voornoemde uitspraak van 20 maart 2013 stelt over de wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid, alleen betrekking hebben op de laatste categorie gevallen zoals hiervoor genoemd. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zelf heeft verklaard dat hij in Jamaica concreet uiting aan zijn seksuele gerichtheid heeft gegeven door middel van zijn relatie met [X]. Ook heeft verzoeker er geen blijk van gegeven dat hij in het kader van zijn asielprocedure moeite heeft over zijn seksuele gerichtheid te verklaren. Gelet hierop hebben de prejudiciële vragen die de ABRvS heeft gesteld, geen betrekking op de situatie van verzoeker en ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen en de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de door de ABRvS gestelde prejudiciële vragen aan het HvJEU.

Nu verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van verzoeker geen positieve overtuigingskracht uitgaat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de door verzoeker gestelde homoseksualiteit ook niet geloofwaardig hoefde te achten. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de duur van zijn relatie met [X]. Verzoeker heeft eerst verklaard dat hij vier jaar lang met [X] een relatie had en later heeft verzoeker verklaard dat de relatie twee jaar duurde. Verder heeft verzoeker niet of nauwelijks verklaard over [X], behalve dan dat het een aardige man was. Nu verzoeker niet of nauwelijks heeft kunnen verklaren over dergelijke zaken die nauw samenhangen met de door verzoeker gestelde homoseksuele gerichtheid en het uiten daarvan, heeft verweerder in redelijkheid tot de slotsom kunnen komen dat de homoseksuele gerichtheid van verzoeker daarom eveneens ongeloofwaardig is. De voorzieningenrechter verwijst naar voornoemde uitspraak van de ABRvS van 20 maart 2013, rechtsoverwegingen 13.2 en 13.3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/24469 en AWB 14/24468

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [1970], van Jamaicaanse nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. J.Th.A. Bos),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A.M.W. ‘t Hoen).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een Aanmeldcentrum afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Verweerder heeft artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) aan verzoeker tegengeworpen, nu hij geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn reisroute.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen papieren had omdat hij verstekeling is, terwijl verweerder stelt dat hij geen verstekeling is omdat hij geen papieren heeft.

4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is de vaststelling dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat is toe te rekenen aan de vreemdeling, al voldoende voor de algehele conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 11 februari 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC4709).

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder verzoeker in redelijkheid heeft mogen tegenwerpen dat hij geen documenten heeft overgelegd om zijn reisroute te kunnen vaststellen en dat hij niet in staat is om voldoende gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Verweerder heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat niet aannemelijk is dat verzoeker geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen. Hiertoe heeft verweerder van belang mogen achten dat verzoeker per schip van Jamaica naar Nederland is gereisd, van welke reis in redelijkheid mag worden verwacht dat deze met documenten te onderbouwen is. Het enkele argument van verzoeker dat hij als verstekeling heeft gereisd, vormt geen aanleiding voor de conclusie dat van verzoeker niet kan worden gevergd dat hij documenten overlegt ter staving van zijn reisroute. Voorts heeft verweerder aan verzoeker mogen tegenwerpen dat van personen die verklaren per boot van Jamaica naar Nederland te zijn gereisd, en die een keer in een haven zijn overgestapt op een ander schip, in redelijkheid mag worden verwacht dat zij – anders dan verzoeker heeft gedaan – informatie kunnen verschaffen over eenvoudige zaken als de vertrektijden van de schepen, de haven waar zij de eerste keer aankwamen en de duur van de reizen per schip. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat sprake is van de omstandigheid dat verzoeker toerekenbaar niet in het bezit is van reisdocumenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

6. Indien zich één van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden voordoet, mogen in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt dat reeds een enkele ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom kan leiden dat aan de, uit artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 voortvloeiende, vereiste positieve overtuigingskracht niet is voldaan. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van de ABRvS van 4 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL3979).

7. Verzoeker heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Verzoeker woonde in[woonplaats]. In juni 2012 werd verzoeker door een buurtbewoner betrapt terwijl hij orale seks had met een andere man, een katholieke priester genaamd[A] ([A]). Die buurtbewoner stelde de andere buurtbewoners daarvan op de hoogte waarna er voor verzoeker en [A] problemen ontstonden. [A] werd vastgehouden en mishandeld terwijl verzoeker tweemaal met een vuurwapen werd beschoten, eenmaal in zijn heup en eenmaal in zijn penis. Verzoeker heeft weg kunnen komen van de menigte via de tuin van een belangrijk persoon in de gemeenschap. Hij heeft zich vervolgens verstopt op een dak en is de volgende dag met behulp van een buurman naar een privékliniek gegaan voor een medische behandeling. Verzoeker woonde vervolgens steeds gedurende drie à vier maanden op een andere plek en het laatste jaar had hij zijn eigen winkeltje/kamer gebouwd waar hij samen met zijn vriendin [B] is gaan wonen en werken. De zaken gingen slecht omdat [B] alle spullen weggaf in plaats van verkocht. Verzoeker had vervolgens bijna geen geld meer.

In de periode na het incident en zijn vertrek ontving verzoeker steeds telefonische bedreigingen van degene die hem had neergeschoten. Op een dag zag hij dat degene die hem had neergeschoten, tezamen met een aantal andere voormalige buurtbewoners zich in de buurt van zijn winkeltje ophield. Verzoeker heeft toen besloten om zijn spullen te pakken en te vertrekken uit Jamaica.

8. Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder tot de conclusie heeft mogen komen dat van het relaas van verzoeker geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat verzoeker in zijn eigen huis, op zijn eigen kamer, die zich bevindt op een bovenverdieping van de woning, betrapt wordt door een kennis, [C] genaamd. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat het niet aannemelijk is dat iemand waarvan verzoeker de achternaam niet kent, zomaar naar boven naar zijn kamer loopt. Verweerder heeft hierbij tevens mogen betrekken dat het niet aannemelijk is dat verzoeker de deur open heeft staan tijdens het verrichten van seksuele handelingen met een man, terwijl verzoeker met andere mensen samenwoont die niet op de hoogte zijn van zijn gevoelens voor mannen en terwijl hij weet welke risico’s er in zijn land kleven aan het verrichten van homoseksuele handelingen. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat er slechts 10 tot 15 seconden zitten tussen het moment dat [C] verzoeker betrapt, zij naar beneden rent, mensen informeert en vervolgens met een menigte weer terugkomt, terwijl verzoeker en [A] inmiddels naar beneden zijn gekomen. Verder heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat verzoeker uit een menigte van meer dan tien personen heeft weten te ontsnappen. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat verzoeker heeft verklaard dat hij tweemaal is beschoten en getroffen op plekken die het lopen ook nog eens kunnen bemoeilijken. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij is gestoken met een mes. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat verzoeker voor zijn verwondingen is behandeld in een privékliniek van dr. [D] ([D]). Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat verzoeker geen enkel bewijs heeft overgelegd van die behandeling, zoals bonnetjes of doosjes van medicijngebruik. Ook heeft verweerder niet aannemelijk hoeven achten dat verzoeker over de middelen beschikte om een behandeling in een privékliniek te betalen, nu verzoeker heeft verklaard dat hij het niet breed had, hij geen werk had en een arme jongen was. Verder heeft verweerder hierbij mogen betrekken dat is gebleken dat [D] een tandarts is. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat verzoeker, terwijl hij na het incident was verhuisd, werd bedreigd vanwege het incident dat in juni 2012 heeft plaatsgevonden, terwijl verzoeker dit voorts niet heeft geconcretiseerd. Verweerder heeft hierbij ook in redelijkheid kunnen stellen dat verzoeker vaag en onduidelijk is in zijn antwoorden over de vraag hoe men wist dat verzoeker zich na zijn verhuizing na het incident in [verblijfplaats]bevond. Bovendien heeft verweerder bevreemdingwekkend mogen achten dat de buurtbewoners nog steeds op zoek zouden zijn naar verzoeker, terwijl hij is verhuisd en niet meer woonachtig was in de wijk waar het incident van juni 2012 heeft plaatsgevonden.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich, naar het oordeel van de voorzienigenrechter, vanwege het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van het asielrelaas van verzoeker geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

10. Verzoeker heeft aangevoerd dat het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (IMMO) heeft bericht dat het verzoeker zal onderzoeken en dat het over uiterlijk zes maanden een rapportage zal uitbrengen. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat het onderzoek van het IMMO er volgens hem op is gericht om vast te stellen of de littekens die hij heeft en de kogel die zich nog in zijn heup bevindt, passen bij zijn asielrelaas dat hij juist vanwege zijn homoseksualiteit in het onderlichaam is beschoten. Verzoeker verzoekt daarom de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat het rapport van het IMMO, wanneer dat gereed is, bij de beoordeling kan worden betrokken.

11. De voorzieningenrechter overweegt dat de rapportage van het IMMO slechts ziet op een deel van verzoekers asielrelaas, terwijl verweerder zich alleen al vanwege een aantal andere redenen, zoals hiervoor onder overweging 8 genoemd, in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat van het asielrelaas van verzoekeer geen positieve overtuigingskracht uitgaat. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding de voorlopige voorziening toe te wijzen en de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door het IMMO.

12. Vervolgens heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder zijn gestelde homoseksuele gerichtheid ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft verzoeker verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 juli 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:10220) en een uitspraak van de ABRvS van 20 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4985).

13. Voor zover verzoeker beoogt te betogen dat de voorzieningenrechter de zaak moet aanhouden – zoals de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, heeft gedaan in voornoemde uitspraak van 25 juli 2014 – omdat er bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) nog prejudiciële vragen aanhangig zijn en deze de wijze van toetsing van de geloofwaardigheid ter zake van asielaanvragen van homoseksuelen betreffen, volgt de voorzieningenrechter verzoeker daarin niet. De voorzieningenrechter overweegt dat de ABRvS in voornoemde uitspraak van 20 maart 2013 een onderscheid maakt tussen enerzijds de gevallen waarin een vreemdeling zelf heeft verklaard dat hij in zijn land van herkomst, dan wel in Nederland, concreet uiting aan zijn seksuele gerichtheid heeft gegeven en anderzijds de gevallen waarin een vreemdeling die stelt een bepaalde seksuele gerichtheid te hebben, er tot nu toe van heeft afgezien daaraan op enigerlei wijze uiting te geven, om voorafgaand aan zijn vertrekt uit het land van herkomst problemen te voorkomen met actoren van vervolging, dan wel, gelet op de situatie in het land van herkomst, moeite heeft over die seksuele gerichtheid te verklaren in het kader van de asielprocedure. De voorzieningenrechter overweegt dat de prejudiciële vragen die de ABRvS in voornoemde uitspraak van 20 maart 2013 stelt over de wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid, alleen betrekking hebben op de laatste categorie gevallen zoals hiervoor genoemd. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zelf heeft verklaard dat hij in Jamaica concreet uiting aan zijn seksuele gerichtheid heeft gegeven door middel van zijn relatie met [A]. Ook heeft verzoeker er geen blijk van gegeven dat hij in het kader van zijn asielprocedure moeite heeft over zijn seksuele gerichtheid te verklaren. Gelet hierop hebben de prejudiciële vragen die de ABRvS heeft gesteld, geen betrekking op de situatie van verzoeker en ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen en de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de door de ABRvS gestelde prejudiciële vragen aan het HvJEU.

14. Nu verweerder zich, zoals hiervoor onder 8 en 9 is overwogen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van verzoeker geen positieve overtuigingskracht uitgaat, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de door verzoeker gestelde homoseksualiteit ook niet geloofwaardig hoefde te achten. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de duur van zijn relatie met [A]. Verzoeker heeft eerst verklaard dat hij vier jaar lang met [A] een relatie had en later heeft verzoeker verklaard dat de relatie twee jaar duurde. Verder heeft verzoeker niet of nauwelijks verklaard over [A], behalve dan dat het een aardige man was. Nu verzoeker niet of nauwelijks heeft kunnen verklaren over dergelijke zaken die nauw samenhangen met de door verzoeker gestelde homoseksuele gerichtheid en het uiten daarvan, heeft verweerder in redelijkheid tot de slotsom kunnen komen dat de homoseksuele gerichtheid van verzoeker daarom eveneens ongeloofwaardig is. De voorzieningenrechter verwijst naar voornoemde uitspraak van de ABRvS van 20 maart 2013, rechtsoverwegingen 13.2 en 13.3.

15. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is omdat verweerder in strijd heeft gehandeld met de UNHCR Guidelines on International Protection No. 9: Claims to Refugee Status based on Sexual Orientation and/or Gender Identity within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet, nu niet is gebleken dat verweerder in strijd met deze guidelines heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.N. Noorman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Jak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.