Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6501

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
16/711877-11 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming mensenhandel. De rechtbank legt de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 412.650,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/711877-11 (ontneming)

Beslissing van de rechtbank van 9 december 2014

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in PI Nieuwegein.

raadsman mr. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht.

1 Deprocedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 21-008722-13, waaruit blijkt dat veroordeelde op 8 augustus 2014 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf ter zake de volgende strafbare feiten:

- mensenhandel, meermalen gepleegd;

- een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling;

- een ander bewegen door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen.

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 29 juli 2013;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 februari 2014, waaruit blijkt dat de rechtbank termijnen heeft bepaald met betrekking tot een schriftelijke conclusiewisseling;

- de conclusie van antwoord d.d. 17 maart 2014;

- de conclusie van repliek d.d. 1 mei 2014;

- de conclusie van dupliek d.d. 2 juni 2014;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2014, waaruit blijkt dat de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst tot de terechtzitting van 28 oktober 2014, omdat op 8 augustus 2014 arrest zal worden gewezen door het Hof Arnhem-Leeuwarden in de strafzaak tegen verdachte;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 28 oktober 2014.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 28 oktober 2014 zijn de veroordeelde, de raadsman en de officier van justitie gehoord.

2 De beoordeling

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering verlaagd tot een bedrag van

€ 593.571,-- en gevorderd dat dit bedrag in zijn geheel wordt toegewezen. Dit is lager dan het in het rapport wederrechtelijk voordeel vastgestelde bedrag van € 599.358,--, omdat de officier van justitie een hoger bedrag aan kosten voor werkkleding in mindering heeft gebracht op de opbrengsten en de officier van justitie tevens de kosten voor watergebruik van aangeefster op de opbrengsten in mindering heeft gebracht.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair betoogd dat de ontnemingsvordering in haar geheel dient te worden afgewezen, nu de berekening hiervan in aanzienlijke mate, zo niet volledig, is gebaseerd op de verklaringen die aangeefster [aangeefster] jaren na dato heeft afgelegd. Deze gegevens zijn volgens de verdediging alles behalve nauwkeurig, nu [aangeefster] geen kasboek heeft bijgehouden en bij de rechter-commissaris expliciet heeft verklaard dat zij exacte bedragen en getallen veelal niet meer weet. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld hoeveel het daadwerkelijk verkregen voordeel van veroordeelde bedraagt en dient de vordering de worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging de hoogte van het door de officier van justitie geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel betwist. Op deze stellingen van de verdediging zal in het onderstaande -voor zover nodig- worden ingegaan.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Het Gerechtshof heeft veroordeelde veroordeeld voor de onder 1 genoemde misdrijven. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van deze feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad. De bewezenverklaarde periode is in voornoemd arrest van het Gerechtshof vastgesteld van 2 oktober 2000 tot en met december 2006. De rechtbank zal deze periode als uitgangspunt nemen, zijnde een periode van 77 maanden waarin [aangeefster] voor veroordeelde in prostitutie heeft gewerkt.

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, volgt de rechtbank grotendeels de berekening zoals deze is gemaakt in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.1 Deze berekening berust op de verklaringen van aangeefster [aangeefster]. Het Gerechtshof heeft in voornoemd arrest van 8 augustus 2014 geoordeeld dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en in voldoende mate worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Gelet hierop acht de rechtbank deze verklaringen evenals het Gerechtshof en op dezelfde gronden eveneens betrouwbaar en zal zij deze gebruiken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het verweer van de verdediging - dat het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden gebruikt voor het vaststellen van het daadwerkelijk verkregen voordeel, nu dit rapport voornamelijk berust op de verklaringen van aangeefster die wisselend en niet nauwkeurig zijn - wordt gelet op het voorgaande dan ook verworpen.

De overige stellingen van de verdediging zal de rechtbank in het onderstaande, uitgesplitst naar de relevante periodes waarin ook in het rapport berekening wederrechtelijk voordeel van is uitgegaan, bespreken.

Periode 2 oktober 2000 - begin juni 2001

In het rapport berekening wederrechtelijk voordeel is uitgegaan van de verklaring van aangeefster, die aangeeft dat zij in de periode van 2 oktober 2000 tot 1 januari 2001 NLG 1.000,-- netto per dag verdiende en vanaf 1 januari 2001 NLG 800,-- netto per dag.2 De verdediging heeft hiertegen ingebracht dat aangeefster zelf heeft verklaard dat zij in voornoemde periode NLG 168.000,-- heeft verdiend, wat een lager bedrag is dan het bedrag waarvan in het rapport wordt uitgegaan.

De rechtbank gaat - evenals het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel - uit van de verklaringen van aangeefster. Het bedrag van 168.000,-- gulden is - zo blijkt uit het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] van 10 december 20093 - tijdens het verhoor berekend. Dat een tijdens een verhoor snel gemaakte berekening afwijkt van een later opgestelde berekening, acht de rechtbank begrijpelijk en geen reden om af te wijken van het in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel berekende bedrag over deze periode. De rechtbank wijst er hierbij op dat in de berekening van 168.000,-- gulden tijdens het verhoor onder andere gemakshalve is gerekend met vier weken per maand, terwijl in werkelijkheid een maand ongeveer 4 en een halve week omvat. De rechtbank zal de opbrengst over deze periode conform het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel bepalen op:

14 weken x NLG 6.000,-- (6 dgn x NLG 1.000,--): 2,20371 (wisselkoers euro’s)= € 38.117,- en 21 weken x NLG 4.800,-- (6 dgn x NLG 800,--): 2,20371 (wisselkoers euro’s) = € 45.741,--.

Het totaal van de netto opbrengsten over deze periode bedraagt € 83.858,--.

Periode september 2001 - begin januari 2002

Voor deze periode is in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van verdiensten van 1000 gulden per dag, gedurende een periode van 15 weken met 6 werkdagen per week.4 Door de verdediging is gesteld dat aangeefster zelf spreekt over 14 weken en dat niet duidelijk is of sprake is van bruto, -zonder aftrek van de kamerhuur- of netto -met aftrek van de kamerhuur- bedragen.

De rechtbank oordeelt dat uit de verklaring van aangeefster5 duidelijk volgt dat het bedrag van 1.000 gulden per dag de netto opbrengst, met aftrek van de kamerhuur, is. Omdat aangeefster in haar verklaring nadrukkelijk spreekt over 14 weken, zal de rechtbank in het voordeel van veroordeelde van die periode uitgaan, wat betekent dat de geschatte opbrengst over voornoemde periode uitkomt op een bedrag van 14 weken x NLG 6000,-- (6dgn x NLG 1000,--): 2,20371 (wisselkoers euro’s)= € 38.117,53.

Periode januari 2002 - december 2002

Voor deze periode is in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een verdienperiode van 39 weken, omdat aangeefster heeft verklaard in die periode 13 weken met vakantie te zijn geweest. Tevens is, gelet op de verklaringen van aangeefster uitgegaan van verdiensten van € 600,-- per dag.6 De verdediging heeft hieromtrent gesteld dat aangeefster wisselend heeft verklaard over haar inkomsten per dag en dat onduidelijk is of zij spreekt over bruto of netto opbrengsten (voor of na aftrek van de kamerhuur).

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster over haar verdiensten voldoende duidelijk en betrouwbaar. Duidelijk is dat zij spreekt over netto verdiensten, na aftrek van de kamerhuur.7 De rechtbank zal conform het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een geschat bedrag aan opbrengsten over deze periode van € 140.400,-- (39 weken x € 3.600,-- euro per week).

Periode januari 2003 - december 2005

In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt voor deze periode uitgegaan van 157 weken (drie hele jaren), waarbij in totaal 23 weken vakantie in mindering zijn gebracht (in 2003 en 2005 telkens 5 weken vakantie en in 2004 13 weken vakantie). Er is uitgegaan van 134 weken werkweken, van 6 werkdagen en van netto-verdiensten van € 350,-- per dag.8 De verdediging heeft over deze periode gesteld dat aangeefster zeer wisselend heeft verklaard over haar verdiensten per dag, dan weer € 300,-- dan weer € 500,-. Tevens volgt, aldus de verdediging, uit de verklaringen van aangeefster dat zij in 2005 langer dan 5 weken op vakantie is geweest.

De rechtbank zal gelet op de verklaring van aangeefster over deze periode9 in het voordeel van veroordeelde, uitgaan van het laagste door aangeefster genoemde bedrag aan netto verdiensten, te weten € 300,-- per dag. In het voordeel van veroordeelde zal de rechtbank tevens over het jaar 2005, gelet op de onduidelijkheid hierover in de verklaring van aangeefster, uitgaan van 13 weken vakantie. Dit leidt tot een bedrag aan geschatte netto inkomsten over deze periode van 126 weken x € 1800,-- (6 dgn x € 300,--) = € 226.800,--.

Periode januari 2006 tot en met december 2006

In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is voor deze periode uitgegaan van 39 weken met 5 werkdagen per week en met een netto opbrengst van € 350,-- per dag. Uitgegaan is van twee maanden vakantie.10 De verdediging heeft gesteld dat aangeefster wisselend heeft verklaard over haar inkomsten, bij de politie heeft ze verklaard dat ze dat ze € 300,-- netto per dag heeft verdiend en bij de rechter-commissaris dat zij € 350,-- per dag heeft verdiend.

De rechtbank zal, gelet op de enigszins wisselende verklaringen van aangeefster, in het voordeel van verdachte de geschatte netto opbrengsten per dag vaststellen op € 300,--. Dit leidt tot een bedrag aan geschatte netto inkomsten van 39 weken x € 1500,-- (5 x € 300,--) = € 58.500,--.

Totale opbrengsten 2 oktober 2000 tot en met december 2006

Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, komt de rechtbank tot de onderstaande berekening van de totale netto opbrengst over de periode van 2 oktober 2000 tot en met december 2006.

2 oktober 2000 tot begin juni 2001: € 83.858,--

- September 2001 tot januari 2002 € 38.117,53

- Januari 2002 tot en met september 2002 € 140.400,--

- Januari 2003 tot en met december 2005 € 226.800,--

- Januari 2006 tot en met december 2006 € 58.500,--

_____________

- Totaal opbrengsten € 547.675,-- (afgerond)

Uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij vanuit haar prostitutieverdiensten haar secretaresse-opleiding heeft betaald. Het daarmee gemoeide bedrag van € 1.000,00 heeft aangeefster derhalve niet aan veroordeelde afgestaan. Zodoende zal van een totaalbedrag aan opbrengsten van € 547.675,- worden uitgegaan.

In aftrek te brengen kosten

- In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel zijn over de gehele periode van 2 oktober 2000 tot 3 december 2006 de kleine dagelijkse kosten (condooms e.d.) geschat op een bedrag van € 10,-- per dag. Dit leidt voor deze post tot een bedrag aan totaal geschatte direct gerelateerde kosten van € 13.691,--. 11 De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van dit bedrag, waartegen door de verdediging ook geen verweer is gevoerd.

- De rechtbank zal -zoals door de officier van justitie in haar conclusie van repliek is vermeld- in afwijking van het in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel genoemde bedrag van € 700,--, een bedrag van € 6.000,-- in mindering brengen als geschatte kosten voor werkkleding.

- Veroordeelde heeft de gehele bewezen verklaarde periode met aangeefster [aangeefster] samengewoond. Gelet hierop zal de rechtbank rekening houden met de door [aangeefster] gemaakte kosten voor levensonderhoud. Omdat over deze kosten niets is vermeld in het ontnemingsrapport, zal de rechtbank uitgaan van het door de verdediging genoemde bedrag voor kosten levensonderhoud van [aangeefster] - waarbij de verdediging zich heeft gebaseerd op gegevens van het Nibud - van € 179,15 per maand. De rechtbank acht deze kosten redelijk en zal deze kosten in mindering brengen. De rechtbank zal deze kosten echter alleen in mindering brengen voor zover deze betrekking hebben op de bewezenverklaarde periode van 2 oktober 2000 tot en met december 2006. Dit betreft een periode van 77 maanden. De totale geschatte kosten van levensonderhoud bedragen derhalve € 13.794,55 (77 maanden x € 179,15).

- Tevens ziet de rechtbank aanleiding om, zoals door de officier van justitie ter zitting is betoogd, de kosten voor water van € 7,-- per persoon per maand in mindering te brengen. De geschatte kosten voor waterverbruik van [aangeefster] bedragen derhalve € 539,-- (77 maanden x € 7,--).

- In arrest van het Hof Arnhem Leeuwarden van 8 augustus 2014 is ten aanzien van [aangeefster] de schadevergoedingsmaatregel toegewezen ter hoogte van € 110.000,--, bestaande voor € 100.000,-- aan materiële schade en € 10.000,-- aan immateriële schade. Hoewel de rechtbank dit arrest nog niet onherroepelijk is geworden en de verdediging daarnaast - indien deze beslissingen onherroepelijk zijn geworden - de mogelijkheid heeft om ingevolge artikel 577b Sv een verzoek tot vermindering in te dienen, zal de rechtbank de toegewezen materiële schade in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk overwogen dat de Staat ten opzichte van de benadeelde partijen geen preferente positie inneemt en betaling van schade aan de benadeelde partij als slachtoffer van de strafbare feiten dient te prevaleren boven betaling aan de Staat van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank acht het in de onderhavige zaak onwenselijk dat de benadeelde partij gedupeerd zou worden door het verhaalsrecht van de Staat, dat uit de hierna vastgestelde ontnemingsmaatregel voortvloeit.

Al het voorgaande leidt tot de volgende opstelling voor in aftrek te brengen kosten:

Kosten condoom e.d. : € 13.691,--

Kosten werkkleding: € 6.000,--

Kosten levensonderhoud € 13.794,55

Kosten water € 539,--

Toewijzing benadeelde partij € 100.000,-- ____________ ______________________________________________

Totale kosten € 134.025,-- (afgerond)

Niet in aftrek te brengen kosten

- De door de verdediging aangevoerde kosten met betrekking tot energie en huur van de woning neemt de rechtbank niet mee bij de in aftrek te brengen kosten, nu veroordeelde deze kosten ook had moeten maken indien hij niet met [aangeefster] zou hebben samengewoond. In dit kader wijst de rechtbank erop dat veroordeelde met [aangeefster] is gaan samenwonen in de woning waarin hij voorheen alleen woonde.

- De door de verdediging opgevoerde kosten met betrekking tot de het levensonderhoud van de baby neemt de rechtbank niet mee bij de in aftrek te brengen kosten, nu de baby van aangeefster en veroordeelde op 28 april 2008, dus na de bewezenverklaarde periode, is geboren.

- De door de verdediging gestelde kosten met betrekking tot vakanties en verzekeringen worden eveneens niet meegenomen bij de in aftrek te brengen kosten, nu deze kosten geen kosten vormen die rechtstreeks in relatie staan met het de bewezenverklaarde feiten. Ditzelfde geldt voor de opgevoerde -niet onderbouwde- kosten betreffende heffingen van gemeenten en waterschap en kosten van abonnementen voor televisie en internet.

- De stelling van de verdediging dat het gelegde beslag op Marokkaanse Dirhams in mindering moet worden gebracht op de vordering wederrechtelijk verkregen voordeel, volgt de rechtbank niet. De rechtbank wijst er hierbij op dat sprake is van conservatoir beslag dat juist strekt ter verrekening.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Opbrengsten € 546.675,--

Kosten: - € 134.025,

_______________

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 412.650,--

Het verweer van de veroordeelde dat gelet op zijn financiële draagkracht het bedrag op nihil dient te worden gesteld wordt door de rechtbank verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet in staat zal zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Veroordeelde heeft zijn stellingen hierover immers in het geheel niet onderbouwd.

3 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 412.650,--;

  • -

    legt de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 412.650,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • -

    wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna , voorzitter, mrs. J.F. Haeck en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 december 2014.

1 Het proces-verbaal inhoudende het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict lid, Wetboek van strafrecht, pagina’s 1 tot en met 12 plus bijlagen.

2 Het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel, pagina 5

3 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] met nummer 20091191198, pagina 143

4 Het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel, pagina 6

5 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] met nummer 20091191198, pagina 143-1

6 Het proces-verbaal van wederrechtelijk verkregen voordeel, pagina 7.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] met nummer 20091191198, pagina 143

8 Het proces-verbaal berekening wederrechtelijk voordeel, pagina’s 7 en 8

9 Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] met nummer 20091191198, pagina’s 143 en 144

10 Het proces-verbaal berekening wederrechtelijk voordeel, pagina’s 8

11 Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, pagina 10