Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6480

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
3532010
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst na ontslag op staande voet leidinggevende wegens ongepaste intimiteiten op het werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0005
AR 2014/1046

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3532010 UE VERZ 14-629 PK/1097

Beschikking van 10 december 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Albron B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Albron,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.J.G.M. Lamers,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. R. Amelink.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 23 oktober 2014

  • -

    het verweerschrift van [verweerder] van 20 november 2014

  • -

    de door Albron nagezonden producties 16 tot en met 21

  • -

    de pleitnota van Albron

  • -

    de pleitnota van [verweerder]

  • -

    de mondelinge behandeling van 24 november 2014.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Albron is een onafhankelijke, Nederlandse food-serviceorganisatie met verschillende werkmaatschappijen.

[verweerder], geboren [1956] (thans dus 58 jaar oud) is op 1 december 1983 (thans dus ongeveer 31 jaar geleden) bij Albron in dienst getreden. Tot en met oktober 2013 was hij werkzaam in de functie van Directeur Operations (tevens lid van het directieteam van Albron).

2.2.

Vanaf 1 november 2013 is de functie van [verweerder] gewijzigd in die van Manager Operations. Vanaf dat moment maakte hij niet langer deel uit van het directieteam van Albron.

De achtergrond van deze functiewijziging was gelegen in het feit dat bij Albron bekend raakte dat [verweerder], die gehuwd was, sinds ruim een jaar een affectieve relatie had met mevrouw [A], die eveneens gehuwd was en die een lagere functie dan [verweerder] bekleedde. Nadat [verweerder] het bestaan van deze relatie aanvankelijk had ontkend, heeft hij deze toegegeven. Zowel [verweerder] als [A] hebben Albron toen toegezegd de relatie te zullen beëindigen.

2.3.

Met betrekking tot deze aangelegenheid heeft Albron zich beroepen op de door de ondernemingsraad goedgekeurde huisregels van 1 november 2012, die onder meer vermelden:

"6. Relaties op het werk

6.1.

Medewerkers die een persoonlijke- c.q. liefdesrelatie met een collega hebben of aangaan, dienen de volgende richtlijnen in acht te nemen:

De relatie mag op geen enkele wijze een belemmering vormen voor het naar behoren functioneren van één van de, of beide betrokken medewerkers.

De relatie mag op geen enkele wijze een belemmering vormen voor het naar behoren functioneren van overige collega's.

6.2.

Wanneer de medewerkers in een hiërarchische relatie tot elkaar staan, zijn zij verplicht deze relatie direct kenbaar te maken bij de hogere leidinggevende, welke een passende oplossing kan zoeken".

Een eerdere versie van de huisregels van 2011 bevatte een gelijksoortige bepaling. Voordien waren er geen huisregels.

[verweerder] is mede betrokken geweest bij het opstellen van deze huisregels. Op 9 november 2012 heeft hij een exemplaar van deze huisregels ondertekend.

2.4.

In januari 2014 heeft Albron een reorganisatie doorgevoerd, waarbij de functie van [verweerder] verviel. In dat verband heeft Albron [verweerder] de functie van Manager Operations Catering aangeboden, welk aanbod [verweerder] heeft aanvaard. Bij deze laatste functiewijziging is overeengekomen dat [verweerder] bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van Albron een vergoeding van € 300.000,-- bruto zou ontvangen, tenzij er sprake is van een dringende reden en/of langdurige ziekte.

2.5.

Het salaris van [verweerder] bedroeg:

  • -

    voor de functie Directeur Operations bijna € 14.000,-- bruto per maand inclusief vakantiebijslag; over 2012 heeft hij een variabele beloning ontvangen van ruim € 25.000,--;

  • -

    voor de functie Manager Operations (volgens [verweerder]) € 8.000,-- bruto per maand, exclusief een variabele beloning van maximaal 20% en 8% vakantiebijslag;

  • -

    voor de functie Manager Operations Catering hetzelfde als voor de functie Manager Operations.

2.6.

Albron heeft [verweerder] op 13 oktober 2014 op staande voet ontslagen. De ontslagbrief van 14 oktober 2014 vermeldt onder meer:

"Op vrijdag 10 en maandag 13 oktober jl. hebben er gesprekken met u plaatsgevonden. Bij deze gesprekken was naast ondergetekende ook [B] aanwezig. Deze brief betreft een bevestiging van beide gesprekken.

De directe aanleiding voor deze gesprekken was het feit dat bij de directie van Albron melding is gemaakt van seksueel getinte berichten die u aan een collega, te weten [A], heeft gestuurd. Tijdens het gesprek op 10 oktober jl. heeft u toegegeven dat u deze heeft verstuurd. U gaf aan dat het stom was dat u dit heeft gedaan, maar u meent dat het allemaal niet zo ernstig is. Albron vindt dit mede gelet op uw eerdere gedragingen echter wel degelijk zeer ernstig. Vorig jaar hebben wij u geconfronteerd met de geruchten die toen rondgingen binnen Albron en ook daarbuiten, dat u sinds de Olympische Spelen in Londen, derhalve ruim een jaar, een relatie met [A] zou hebben. U gaf toe dat dit inderdaad het geval was en erkende daarbij dat dit mede gelet op uw positie binnen Albron ongepast was. U heeft toen uitdrukkelijk beloofd dat u hier onmiddellijk mee zou stoppen. De afspraak was dat er geen ander contact meer zou zijn dan puur vanuit zakelijk functioneren noodzakelijk en dat aanstootgevend gedrag zou worden vermeden. Gelet op deze uitdrukkelijke afspraken en toezegging is, tot uw grote opluchting, besloten u nog een laatste kans te geven. Aangezien uw positie binnen het directieteam van Albron door uw gedragingen niet langer houdbaar was, is besloten dat u een andere functie zou gaan uitoefenen met een daarbij behorend lager salaris zonder afbouwregeling. Albron meende dat dit een passende sanctie was voor uw gedragingen en ging er vanuit dat u zich strikt aan de gemaakte afspraken zou houden. Albron acht het zeer kwalijk dat dit niet het geval blijkt te zijn.

Tijdens het gesprek op 13 oktober heeft u meerdere keren ontkend dat u na uw gedane toezegging, nog buiten kantoor met [A] heeft afgesproken. U bleef dit ook volhouden nadat wij vertelden dat [A] zelf heeft verteld dat u wel degelijk nadien nog een paar keer met elkaar heeft afgesproken buiten kantoor. Ook gaf zij aan dat u samen op kantoor afsprak om allerlei kwesties, ook niet werk gerelateerd, met elkaar te bespreken. Verder gaf zij aan dat de wijze waarop u met elkaar bleef omgaan niet strookte met de gemaakte afspraken dat het zou stoppen. Op de vraag waarom zij deze vorm van contact niet bij haar directe leidinggevende, [B], had gemeld, gaf zij aan dat zij dit niet had gedaan omdat zij dat, mede doordat zij aangaf uitdrukkelijk voor haar relatie met haar echtgenoot te kiezen, te pijnlijk voor u vond.

Bovendien heeft u met uw gedragingen de huisregels van Albron overtreden. U bent zelf actief betrokken geweest bij het opstellen hiervan en juist ook daarom mag zeker van u verwacht worden dat u deze naleeft. Wij achten het dan ook zeer verwijtbaar dat op het moment dat u deze tekende (november 2012) de relatie met [A] in volle gang was. Als lid van het senior management team wordt van u verwacht dat u het goede voorbeeld geeft aan de overige medewerkers van Albron en dat u zich niet schuldig maakt aan dergelijke ongewenste omgangsvormen. Ook het feit dat u alles bagatelliseert acht Albron zeer kwalijk.

Gelet op het feit dat u eerder bent aangesproken op uw ongepaste relatie met [A], u heeft toegezegd dat u dit zou stoppen, maar ook het feit dat zij, op het moment dat u de ongepaste berichten verstuurde hoogzwanger was en uitdrukkelijk had aangegeven verder te willen met haar echtgenoot, achten wij zeer ernstig en onacceptabel. Albron meent dat u het als senior manager ten opzichte van haar, zowel qua leeftijd als ervaring, nooit zover had mogen laten komen. Ook dit achten wij zeer kwalijk.

Tijdens het gesprek op 10 oktober jl. heeft u aangegeven dat u zich realiseerde dat door uw handelen uw positie binnen Albron onhoudbaar was en dat u ter plekke een deal wilde maken. U stelde voor zelf ontslag te nemen, waarbij u wel de ontslagvergoeding van € 300.000 zou ontvangen. Wij hebben hierop uitdrukkelijk aangeven dat de afspraak van februari jl. dat u zelf ontslag kon nemen met behoud van de vergoeding, was gemaakt in het kader van de nieuwe functie van manager Operations Albron Catering die u bij 1 april 2014 ging vervullen aangezien de functie die u op dat moment vervulde, kwam te vervallen. U kreeg een jaar de tijd om te kijken of de functie wel of niet beviel. Wanneer dat niet het geval was, kon u van de regeling gebruik maken. We hebben verder aangeven dat wij tijdens het gesprek alleen de ernst van de situatie met u wilde delen en geen deal wilden sluiten. U heeft toen aangegeven dat het "messi" zou worden. Mede gelet daarop is aan u medegedeeld dat u van de Albron systemen zou worden afgesloten. Vervolgens hebben wij u aangeraden het weekend te gebruiken om na te denken over de situatie en de optie om de eer aan u zelf te houden en zelf ontslag te nemen zonder vergoeding. Aan het einde van het eerste gesprek hebben wij u medegedeeld dat u bent vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Wij hebben besproken dat wij ons wederzijds zouden beraden op de situatie en dat wij u na het weekend zouden uitnodigen voor het tweede gesprek. Aan het begin van het tweede gesprek hebben wij u gevraagd of u er na het weekend anders over dacht en u gaf toen aan dat dit niet het geval was. Wij hebben aangegeven er eveneens niet anders over te denken.

Aan het einde van het gesprek op 13 oktober is aan u medegedeeld dat u gelet op uw bovengenoemde gedragingen, ieder voor zich doch tevens in samenhang, per direct op staande voet bent ontslagen".

2.7.

Op 10 oktober 2014 heeft Albron een gesprek gehad met een werknemer. [A] was de leidinggevende van deze werknemer. Het verslag van het gesprek vermeldt onder meer:

"Hij wilde een post-it neerleggen voor [A] om te laten weten dat hij haar de volgende dag om 9.00 zou ophalen zodat zij samen naar een afspraak buiten de deur konden gaan.

Hij vertelde dat hij in haar kamer de post-it naast de mobiele telefoon van [A] schrijft, met de bedoeling het naast haar telefoon neer te leggen, zodat zij het briefje echt niet kon missen. Terwijl hij dit deed lichtte haar telefoon op en zag hij een aantal berichtjes binnenkomen (de telefoon licht dan even op en dooft binnen enkele seconden weer).

Onbedoeld las hij een bericht: 'Wat ben je mooi. Je bent lekker en dat weet je zelf ook.' In een ander langer berichtje met veel tekst wat hij niet heeft gelezen viel zijn oog op het woord 'likken'. Op de vraag of hij op de telefoon heeft gescrold gaf hij aan dat hij dit niet heeft gedaan. 'Ik heb de telefoon niet aangeraakt' aldus (deze werknemer).

De berichtjes kennen als afzender geen naam maar een telefoonnummer waarvan (de werknemer) de laatste 4 cijfers onthoudt. Hij dacht meteen aan [verweerder]. Hij heeft het post it briefje uiteindelijk op haar computerbeeldscherm geplakt. Bij terugkeer op zijn werkplek heeft hij de laatste 4 cijfers gecheckt in de interne telefoonlijn van Albron en zijn conclusie was dat de berichtjes inderdaad waren gestuurd door [verweerder]. Rond kwart voor 6 is hij naar huis gegaan. Buiten bij de achteringang zag hij [verweerder] staan roken met een telefoon in zijn hand. Een dag later heeft hij dit aan zijn collega's op de afdeling Sales verteld.

Op de vraag waarom hij dacht aan [verweerder] antwoordde hij dat de relatie tussen [verweerder] en [A] al heel lang regelmatig onderwerp van gesprek is tussen collega's onderling. Hij gaf aan dat men elkaar voedt met geruchten dan wel feiten over de relatie. Hij zegt letterlijk dat zij 'Talk of the town' zijn bij iedereen. Op de vraag die iedereen is, gaf (de werknemer) aan dat het om heel veel mensen binnen Albron gaat. 'Tijdens een borrel op een focusdag ergens vorig jaar, stond ik met wat niet-sales collega's na te praten en al gauw werden er grapjes gemaakt over [verweerder] en [A], waar ik overigens niet op inging. Ik was namelijk zeer verbaasd dat het kennelijk zo breed in de organisatie bekend was.'

De gesprekken gaan over het feit dan men ze vaak samen heeft zien praten in de brasserie of samen 's avonds het kantoor hebben zien binnenkomen op een tijdstip dat niet heel logisch is, ze vervolgens gezien werden en betrapt reageren, tot mensen die ze hebben zien inchecken in een hotel.

(…)

Op de vraag of de geruchtenstroom is gestopt na oktober vorig jaar, was het antwoord Nee. Deze relatie is eigenlijk al heel lang onderwerp van gesprek vertelde hij. ' Vanaf het moment dat ik hier ben komen werken, ruim anderhalf jaar geleden, is dit dé 'talk of the town'. Hij gaf verder aan dat alles wat [A] en [verweerder] doen, wordt bekeken door de bril van 'zij hebben een relatie'.".

2.8.

Op 13 oktober 2014 heeft Albron een gesprek gehad met [A]. Albron heeft een verslag van het gesprek aan [A] toegezonden. In haar commentaar op dat verslag schrijft [A] onder meer:

"Ik ben zelf, zoals gisteren ook aangegeven, wel van mening dat dit gestopt is. We hebben een punt gezet achter onze relatie en gekozen voor onze partners. We hebben een vorm gekozen om met elkaar om te gaan die volgens ons past binnen de gemaakte afspraken en past bij de vriendschappelijke band die we met elkaar hebben".

2.9.

Een door de gemachtigde van [verweerder] overgelegde schriftelijke verklaring van mevrouw [A] van 20 november 2014 vermeldt onder meer:

"Ik verklaar dat [verweerder] en ik na het beëindigen van onze relatie geen ongepaste seksuele berichten naa hebben gestuurd. Dat past niet bij de band die we nu met elkaar hebben en strookt niet met de afspraken die we met onze partners hebben gemaakt.

Ergens midden 2014 zou (…) (mijn collega) een bericht hebben gezien op mijn telefoon en heeft daar zelf de conclusie aan verbonden dat dit bericht seksueel getint was en van [verweerder] afkomstig zou zijn (zonder zijn naam gezien te hebben als afzender). Vervolgens heeft hij zijn aannames blijkbaar in een chatgroep gedeeld met andere collega's en is de kwestie bij de directie van Albron aangekomen.

De directie van Albron is van mening dat [verweerder] en ik een afspraak geschonden zouden hebben en dat onze relatie weer of nog steeds gaande is. Niets is minder waar. [verweerder] en ik hebben beiden aangegeven dat hier niets van klopt en we elkaar soms alleen vriendschappelijke berichten sturen. Er was immers nooit sprake van een contactverbod. Daar komt ook nog bij dat niemand van de directie zelf iets heeft gezien op mijn telefoon, maar volledig wordt afgegaan op 'tweedehands' informatie waar zware consequenties worden verbonden".

2.10.

Op 30 oktober 2014 schrijft de gemachtigde van [verweerder] onder meer aan de gemachtigde van Albron:

"Zoals u weet wordt op dit moment een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor voorbereid.

Een van de kwesties (er zijn er meerdere) die in dit voorlopig getuigenverhoor aan de orde dient te komen, betreft de vraag wat de feiten zijn ten aanzien van de vraag op welke wijze Albron eerder is omgegaan met een aan het licht gekomen (en pas daarna opgebiechte) affectieve en seksuele relatie tussen de huidige algemeen directeur van Albron ([C]) met een (toenmalige) medewerkster met wie [C] in een hiërarchische verhouding stond (…), welke medewerkster na het uitkomen van die relatie nog gedurende langere tijd op de loonlijst van Albron (en in een hiërarchische verhouding met [C]) is blijven staan, en wat de feiten zijn ten aanzien van de vraag op welke wijze, wanneer en met vergoeding van welke afkoopsom deze medewerker is afgevoerd van de loonlijst van Albron.

Het is daarbij van belang dat onder meer de [C], (...) (zijn huidige echtgenote, kantonrechter) en de in die periode functionerende commissarissen worden gehoord. Overigens staan er nog meer getuigen op de lijst van personen die in de ogen van de cliënt gehoord moeten worden, maar voor die personen treedt u niet op.

Ter voorbereiding op (en teneinde zo efficiënt mogelijk om te gaan met) het getuigenverhoor en wellicht zelfs ter voorkoming van de noodzaak om (op dit punt) gehoord te worden) stel ik hierna een aantal vragen. Ik verwacht dat deze vragen naar waarheid worden beantwoord. Dat is ook een verplichting van uw cliënten. Ik verwijs naar artikel 21 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, welk artikel van dwingend recht is.

1. Klopt het/heeft u er weet van dat [C] en (…) (de huidige echtgenote van [C], kantonrechter) in het verleden "seksuele" c.q. "seksueel getinte handelingen" hebben verricht dan wel anderszins affectieve uitingen hebben gegeven aan hun relatie binnen de kantoren en/of werkomgeving van Albron, al dan niet binnen kantoortijd? Ja of nee?".

In totaal bevat de brief 11 vragen met betrekking tot de relatie tussen [C] en (…) alsmede de arbeidsrechtelijke afwikkeling daarvan tussen Albron en (…).

De brief besluit met:

"Voor de goede orde vermeld ik nog dat het hier gaat om aanzeggingen met rechtsgevolg. Uw cliënten hebben de wettelijke plicht mee te werken aan de waarheidsvinding en zullen daarover gehoord (kunnen) worden. Om die reden zullen uw cliënten ook rechtstreeks door mij worden aangeschreven met het verzoek en de sommatie schriftelijk antwoord te geven op deze vragen".

2.11.

Op 10 november 2014 schrijft de gemachtigde van [verweerder] onder meer aan de huidige echtgenote van [C]:

"Ik zal verzoeken dat u als getuige wordt opgeroepen om in een of meer van bovengenoemde zaken te getuigen. U bent dan verplicht te verschijnen en verplicht naar waarheid te verklaren. Dit 'moeten verschijnen' bij de rechter kan mogelijk voorkomen worden door het vooraf reeds afleggen van een schriftelijke verklaring. Uw verklaring is van belang in verband met de vastlegging van de feiten ten aanzien van de vraag op welke wijze Albron is omgegaan met een de het licht gekomen (en pas daarna opgebiechte) buitenechtelijke relatie tussen uzelf en de huidige algemeen directeur van Albron (de heer [C]) en wat de feiten zijn ten aanzien van de vraag op welke wijze, wanneer en met vergoeding van welke afkoopsom u uit dienst bent gegaan van Albron.

De beantwoording van onderstaande vragen is voor [verweerder] van belang in het licht van zijn stelling dat Albron met twee maten meet c.q. heeft gemeten als het gaat om de vraag hoe binnen Albron dient te worden omgegaan met aan het licht gekomen relaties, dit alles mede in het licht van de stelling van Albron dat de relatie tussen [verweerder] en de persoon met wie hij een relatie heeft gehad, niet is gestopt. Daarbij is dan van belang dat (volgens mijn informatie) de buitenechtelijke relatie die u op enig moment bent aangegaan met de heer [C] - na het aan het licht komen daarvan - niet is gestopt.

Ik heb de navolgende vragen aan u. U wordt niet gevraagd stelling te nemen of een mening te geven, slechts om deze vragen naar waarheid te beantwoorden. Zoals gezegd kan uw beantwoording tot gevolg hebben dat u niet hoeft te verschijnen als getuige. Als u als getuige moet verschijnen rust op u de plicht de aan u gestelde vragen naar waarheid te beantwoorden, onder het afleggen van de eed of de gelofte. Omdat ik van plan bent in ieder geval de onderstaande vragen te stellen tijdens het getuigenverhoor raad ik u aan deze vragen eveneens naar waarheid te beantwoorden.

(…)

Voor de goede orde vermeld ik nog dat indien u weigert om deze vragen te beantwoorden, [verweerder] zonder meer zal verzoeken aan de rechter om u op te roepen en als getuige te verschijnen in een of meer procedures tussen Albron en [verweerder]. (…) Ik verneem graag uiterlijk op 15 november 2014 van u".

De gemachtigde van [verweerder] heeft voorts aangekondigd ook de ex-echtgenote van [C] als (potentiële) getuige aan te schrijven. Dit is echter nog niet gebeurd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Albron verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor het geval in rechte mocht komen vast te staan dat deze niet rechtsgeldig is geëindigd door het ontslag op staande voet van 13 oktober 2014, te ontbinden primair op grond van een dringende reden, subsidiair op grond van een verandering in omstandigheden.

Ter onderbouwing van de dringende reden schetst Albron de voorgeschiedenis, zoals deze hierboven onder de feiten is weergegeven. Met name verwijst zij naar de ontslagbrief van 14 oktober 2014. Ter zitting heeft zij deze grondslag aangevuld: ook in het geval na oktober 2013 niet langer sprake zou zijn van een liefdesrelatie heeft [verweerder] de huisregels overtreden. In dat geval is namelijk sprake van een persoonlijke relatie, zoals bedoeld in artikel 6.1 van de huisregels. Ook een dergelijke relatie dient aan de leidinggevende kenbaar gemaakt te worden, hetgeen [verweerder] niet heeft gedaan.

Ter zitting heeft Albron verder aangevoerd dat er geen werkbare situatie meer kan ontstaan door de opstelling van [verweerder] na 14 oktober 2014.

3.2.

Subsidiair beroept Albron zich op een verandering in omstandigheden. Deze bestaat volgens haar uit een gebrek aan vertrouwen en een verstoorde arbeidsrelatie. Zij verwijst daartoe naar hetzelfde feitencomplex.

3.3.

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan. [verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair (in het verzoekschrift) tot toekenning van een vergoeding op grond van C = 2 van € 604.800,-- (naar de kantonrechter aanneemt: bruto), te verhogen met een bedrag van € 35.000,-- in verband met de door [verweerder] (netto) gemaakte kosten van rechtsbijstand. Ter zitting heeft hij aanspraak gemaakt op een vergoeding waarbij C = 3 of 4.

4. De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod, hetgeen niet het geval is.

Dringende reden?

4.2.

Naar de kantonrechter begrijpt stoelt Albron de door haar aan het ontslag op staande voet en aan dit ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde dringende reden voornamelijk op haar stelling, dat [verweerder] de affectieve relatie die hij in ieder geval tot oktober 2013 met [A] had, niet heeft beëindigd, ondanks het feit dat hij dat aan Albron had beloofd. [verweerder] en [A] stellen echter beiden, dat een relatie in die vorm wél is geëindigd. Albron leidt echter uit de door [verweerder] aan [A] gezonden chatberichtjes en uit de haar bekend geworden geruchten af dat [verweerder] op dit punt niet de waarheid spreekt. [verweerder] en [A] hebben niet ontkend dat zij elkaar chatberichten hebben gestuurd, maar zij ontkennen wel dat deze een seksuele lading hadden.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Albron aldus onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat zij terecht stelt dat de affectieve relatie tussen [verweerder] en [A] niet is geëindigd. Tegenover de ontkenning door [verweerder] en [A] staat de waarneming van de chatberichten door een collega van [A]. Deze collega heeft daartoe een schriftelijke verklaring ondertekend, die echter kennelijk door Albron is opgesteld (de verklaring is immers in de derde persoon enkelvoud gesteld). Deze verklaring is bovendien ondertekend ongeveer 5 weken nadat die collega de chatberichten - naar de kantonrechter begrijpt: vluchtig - heeft gezien. Of aan het woord "likken" een seksuele connotatie moet worden toegekend hangt af van de context van het bericht, zeker als het een wat langer bericht betreft zoals hier, maar die context is onbekend. Dat roddels over [verweerder] en [A] binnen het bedrijf de ronde deden wil de kantonrechter wel aannemen (zie hierna), maar deze roddels zijn te weinig specifiek om de conclusie te rechtvaardigen dat de affectieve relatie nog steeds bestond. Dat [verweerder] op 10 oktober 2014 direct aanbood de eer aan zichzelf te houden (waarbij hij aanspraak maakte op de overeengekomen vertrekregeling van € 300.000,--) en dat hij (naar hij ter zitting heeft verklaard) de chatberichten inmiddels heeft gewist, geeft weliswaar te denken, maar op dit punt geeft de kantonrechter hem het voordeel van de twijfel.

4.3.

Hetzelfde geldt voor de aannemelijkheid van de door Albron gestelde "persoonlijke" relatie. De huisregels omschrijven immers niet wat onder een dergelijke persoonlijke relatie dient te worden verstaan. Onvoldoende aannemelijk is dat de relatie tussen [verweerder] en [A] ná oktober 2013 van dien aard is geweest, dat deze moet worden aangemerkt als het niet nakomen van de toezegging om de relatie te stoppen.

4.4.

De kantonrechter komt dus niet toe aan de vraag of sprake is geweest van een dringende reden, indien wél was komen vast te staan dat [verweerder] en [A] na oktober 2013 nog (steeds) een persoonlijke c.q. seksuele relatie als in de huisregels bedoeld onderhielden.

4.5.

Op grond van een dringende reden is het ontbindingsverzoek niet toewijsbaar.

Veranderingen in de omstandigheden?

4.6.

Volgens Albron is inmiddels sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. Het vertrouwen [verweerder] is volgens haar onherstelbaar beschadigd.

4.7.

Op grond van de in het voorgaande onder 2.7 geciteerde schriftelijke verklaring van een werknemer van Albron acht de kantonrechter het aannemelijk dat rondom [verweerder] en [A] nog steeds roddels de ronde deden, en wel omdat zij wel erg vaak in elkaars gezelschap werden gezien. Dit kan ook worden afgeleid uit de verklaring ter zitting van de direct leidinggevende van [verweerder], [B], die dit laatste uit eigen waarneming bevestigde. Ook al is in deze ontbindingsprocedure niet aannemelijk geworden dat [verweerder] een persoonlijke c.q. seksuele relatie met [A] onderhield zoals in de huisregels bedoeld, het had wel op de weg van [A] als goed werknemer gelegen de voedingsbodem voor (nieuwe) roddels weg te nemen door voldoende afstand van [A] te houden. Als leidinggevende vervulde hij immers een voorbeeldfunctie. Verder is voldoende aannemelijk dat het (voort)bestaan van deze roddels een nadelige invloed kan hebben op de werkorganisatie.

4.8.

[verweerder] heeft echter kennelijk onvoldoende moeite gedaan het voortbestaan en/of het ontstaan van nieuwe roddels te voorkomen. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat aangenomen moet worden dat binnen Albron bekend was dat hij, een gehuwde leidinggevende, een affectieve relatie had gehad met de eveneens (net) gehuwde [A] die een hiërarchisch lagere functie had. Ook is van belang dat [A] inmiddels hoogzwanger was. [verweerder] behoorde duidelijk te begrijpen dat het zou opvallen indien hij in ruime mate contact had met [A] bij gelegenheden die niet met het directe werkproces te maken hadden (zoals bijvoorbeeld de kookclub). Verder is van belang dat [verweerder] nog steeds een leidinggevende functie had, en dus een voorbeeldfunctie. Daarbij is het naar het oordeel van de kantonrechter niet van belang of hij (al dan niet op afstand) de leidinggevende van [A] was. In het midden kan blijven of destijds al dan niet een "contactverbod" door Albron is opgelegd, zoals mevrouw [A] in haar verklaring schrijft.

4.9.

Bovendien wist [verweerder] dat Albron deze kwestie hoog opnam en zag hij zelf ook de ernst van de situatie in. Hij heeft immers ingestemd met een loonsverlaging van € 14.000,-- bruto per maand naar € 8.000,-- bruto per maand. Hij heeft weliswaar verklaard dat deze functiewijziging hem niet slecht uitkwam, omdat hij "tegen een burn-out aanzat", maar daaraan hecht de kantonrechter niet al te veel gewicht, omdat [verweerder] dit standpunt nauwelijks onderbouwd heeft.

[verweerder] heeft dus onvoldoende gedaan om te zorgen dat de roddels niet opnieuw de kop opstaken. Zoals hierboven uiteengezet was het een gerechtvaardigd belang van Albron als werkgever dat dit niet gebeurde. Voor zover hierdoor de verhoudingen verstoord zijn geraakt is dit door het handelen van [verweerder] veroorzaakt.

4.10.

De nasleep van het ontslag op staande voet heeft de verhoudingen verder verstoord. Nu het Albron is geweest die de stap tot het geven van op staande voet heeft gezet, zonder dat de gerechtvaardigdheid daarvan in deze procedure is komen vast te staan, komt die omstandigheid mede voor haar risico.

Voor risico van [verweerder] komt echter de aard van zijn reactie op het op staande voet. Hij heeft immers de (voormalige) commissarissen, de huidige directeur en diens echtgenote aan doen schrijven met zeer dwingend geformuleerde verzoeken/sommaties om een getuigenverklaring af te geven. Uit die verzoeken blijkt dat hij onder andere antwoord wilde op de vraag of tussen [C] en diens toenmalige collega binnen de kantoren van Albron sprake was geweest van seksuele c.q. seksueel getinte handelingen. Aannemelijk is dat hij – afhankelijk van het gegeven antwoord – hierover ook zou kunnen doorvragen. Met betrekking tot het aanschrijven van de ex-echtgenote van de huidige directeur is het bij een aankondiging gebleven, maar [verweerder] heeft niet gesteld dat hij van die mogelijkheid afzag.

Deze actie van (de gemachtigde van) [verweerder] was ongepast, omdat het antwoord op de vragen die [verweerder] wenste te stellen voor de beoordeling van deze zaak niet relevant zijn. Er is immers sprake van een onvoldoende vergelijkbaar geval: 1) destijds golden geen huisregels zoals deze sinds 2011 golden, 2) de huidige directeur heeft destijds uit eigen beweging (de directie van) Albron omtrent het bestaan van de relatie ingelicht, 3) nadien is hij met deze collega getrouwd, en 4) deze collega heeft naar aanleiding van deze situatie Albron in overleg verlaten. Bovendien ging het om een kwestie die 7 jaar geleden ([verweerder]) dan wel ongeveer 10 jaar geleden (Albron) speelde. Dat Albron zich hierdoor op oneigenlijke wijze onder druk gezet voelde is daarom begrijpelijk.

[verweerder] had er voor kunnen kiezen op een meer neutrale manier inlichtingen bij Albron op te vragen omtrent de afwikkeling van die kwestie.

Ten slotte overweegt de kantonrechter in dit verband dat de gemachtigde van [verweerder] het "laf" van [C] heeft genoemd dat deze niet ter zitting is verschenen (zodat hij geen vragen over zijn eigen affaire kon beantwoorden).

Dat partijen hierna nog op een zinvolle manier kunnen samenwerken acht de kantonrechter uitgesloten. Of overplaatsing van [verweerder] binnen de organisatie een meer passende maatregel zou zijn geweest is dus niet aan de orde.

4.11.

[verweerder] heeft onder verwijzing naar het EVRM en de Grondwet op zichzelf terecht nog aangevoerd dat een werkgever het privéleven van een werknemer moet respecteren. Hij verliest daarbij echter uit het oog dat het er in dit geval niet zozeer om gaat dat Albron hem verboden heeft een relatie met een collega aan te gaan, maar dat Albron van hem mocht verwachten dat hij daar open over was, zodat zij kon beoordelen of er in de werksfeer maatregelen moesten worden getroffen. Aan het betreffende voorschrift in de huisregels komt groot gewicht toe omdat de huisregels door de ondernemingsraad waren goedgekeurd. Ook [verweerder] zelf heeft met dat voorschrift door ondertekening ingestemd (nota bene op een moment waarop zijn relatie met een hiërarchisch ondergeschikte reeds bestond, zonder dat hij dit alsnog bekend maakte).

4.12.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog bestaat, ontbinden, en wel per 1 januari 2015. De kantonrechter acht toekenning van een ontbindingsvergoeding passend conform de kantonrechtersformule, waarbij de factor C gesteld zal worden op 0,25. Dit komt (afgerond) neer op € 75.500, bruto.

4.13.

[verweerder] heeft nog bepleit dat hij minimaal recht heeft op een vergoeding van € 300.000,-- bruto op grond van de overeengekomen vertrekregeling. De kantonrechter zal deze regeling echter buiten beschouwing laten, omdat [verweerder] niet heeft weersproken dat deze niet geldt in het geval de arbeidsovereenkomst eindigt op grond van een dringende reden en op dit moment niet vaststaat of dat wel of niet het geval was. [verweerder] kan daarover desgewenst een bodemprocedure beginnen. De kantonrechter gaat ervan uit dat bij een eventuele toekenning van een vordering op die grondslag de in deze procedure toegekende ontbindingsvergoeding in mindering zal worden gebracht.

4.14.

[verweerder] heeft nog verzocht om vergoeding van zijn advocaatkosten ten bedrage van € 35.000,-- (netto), maar de kantonrechter zal daarop niet ingaan en verwijst daartoe naar de Aanbevelingen met betrekking tot de kantonrechtersformule, nog daargelaten dat [verweerder] geen inzicht heeft gegeven in het aantal bestede uren, de (precieze) aard van de werkzaamheden en het uurtarief. Gelet op de hoogte van het gevraagde bedrag had dat bepaald op zijn weg gelegen. De kantonrechter zal daarom de proceskosten tussen partijen compenseren, tenzij Albron het verzoek intrekt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- stelt Albron in de gelegenheid uiterlijk 22 december 2014 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog mocht blijken te bestaan, met ingang van 1 januari 2015;

- kent aan [verweerder] ten laste van Albron een vergoeding toe van € 75.500, bruto en veroordeelt Albron tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

- veroordeelt Albron in de proceskosten aan de zijde van [verweerder], tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400, aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 december 2014.