Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6428

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
16-661405-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661405-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 december 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2014.

De verdachte is niet verschenen, maar heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door

mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Utrecht, uitdrukkelijk gemachtigd om de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: gedurende een periode van ongeveer zeven maanden samen met een ander of anderen opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 1200 hennepplanten heeft geteeld;

Feit 2: gedurende een periode van ongeveer zeven maanden samen met een ander of anderen een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen van Stedin Netbeheer BV door middel van verbreking.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert haar standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet tegen de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten verzet.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Verdachte heeft deze feiten bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte;2

- het proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij.3

Ten aanzien van feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte;4

- de aangifte namens Stedin Netbeheer B.V..5

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 28 juni 2013 tot en met 24 januari 2014 te Utrecht opzettelijk heeft geteeld in een

woning gelegen aan de [adres] een hoeveelheid van

in totaal ongeveer 1200 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

in de periode van 28 juni 2013 tot en met 24 januari 2014 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V., waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de strafoplegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het kweken van in totaal 1200 hennepplanten en diefstal van stroom die benodigd was voor de hennepkwekerij. Het kweken van een softdrug zoals hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid en de behoefte aan middelen die nodig zijn om de drugs aan te schaffen leidt veelal tot vermogenscriminaliteit. Daarnaast levert een hennepkwekerij in verband met het risico op brand ook een gevaar op voor de omwonenden. In dit geval heeft verdachte zijn eigen ouders aan dit gevaar blootgesteld. De diefstal van grote hoeveelheden energie is ten slotte een grote schadepost voor energiebedrijven en lijdt tot prijsverhogingen. De maatschappij als geheel ondervindt hier nadeel van. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 2 oktober 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, maar wel voor andersoortige vermogenscriminaliteit. Op laatstgenoemd gebied is daarom sprake van recidive, terwijl verdachte op het gebied van hennepteelt een first offender is.

De eis van de officier van justitie sluit aan bij de oriëntatiepunten van het LOVS6 voor first offenders. Daarbij wordt door het LOVS uitgegaan van het min of meer bedrijfsmatig of in ieder geval met een zekere professionaliteit kweken van hennepplanten in ruimtes zoals een woonhuis, met als kennelijke doel de verkoop van de geoogste planten. De kwekerij van verdachte is aangetroffen in een woonhuis en deed qua omvang en apparatuur professioneel aan. Met betrekking tot het doel van de kwekerij heeft verdachte zelf verklaard dat hij hoopte met de opbrengst van de oogst zijn schulden af te lossen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden geen aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, zodat zij conform deze eis zal beslissen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht naar de maatstaf van twee uur per dag bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. van Ommeren, voorzitter,

mrs. S. Wijna en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juni 2013 tot

en met 24 januari 2014 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een

woning gelegen aan de [adres]) een hoeveelheid van (in

totaal) ongeveer 1200 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten

en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30

gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel

3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 juni 2013 tot

en met 24 januari 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit/in een

woning gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een

hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Stedin Netbeheer BV, in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0910-2014022331z, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 84). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 januari 2014, pag. 70

3 Proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 28 januari 2014, pag. 3 en 4.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 januari 2014, pag. 70

5 Proces-verbaal van aangifte door[aangever] namens Stedin Netbeheer B.V. d.d. 28 januari 2014, met als bijlage de rapportage diefstal energie d.d. 28 januari 2014, pag. 30, 32, 33 en 34.

6 Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken, laatstelijk bijgewerkt in oktober 2014.