Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6354

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
16/147775-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man uit Duurstede is donderdag door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een rijontzegging van twee jaar. De man veroorzaakte in de nacht van 3 augustus 2013 een ongeval in Cothen waarbij een goede vriend van hem is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/147775-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 december 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1994],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 3 augustus 2013 als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, door onvoldoende controle over de auto te hebben, waardoor hij in de linker berm is gaan rijden en daar met het voertuig tegen een lichtmast is gebotst, waardoor het voertuig is gekanteld en tegen een pilaar is aangegleden, waardoor zijn bijrijder, [slachtoffer 1], is overleden en een passagier in de laadruimte, [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gesloten sleutelbeen, heeft opgelopen;

subsidiair: op 3 augustus 2013 onder invloed van alcohol een personenauto heeft bestuurd en/of als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gereden dat hij zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehad, waardoor hij in de linker berm is gaan rijden en daar met het voertuig tegen een lichtmast is gebotst, waardoor het voertuig is gekanteld en tegen een pilaar is aangegleden, door welke gedragingen een gevaar op de weg werd veroorzaakt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij stelt zich -onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2008, NJ 2008, 439- op het standpunt dat het verkeersongeval dat tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid, is te wijten aan grove schuld van verdachte. Zij baseert haar standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, alsmede op de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat uit de feiten en omstandigheden niet is af te leiden dat sprake is van buitengewoon onvoorzichtig rijgedrag en de bewustheid daarvan. Volgens hem kan ook niet zonder enige twijfel een causaal verband worden gelegd tussen het ongeval en het rijden onder invloed door verdachte. Gelet hierop kan volgens de verdediging niet worden geconcludeerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.3

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Het proces-verbaal Verkeersongevalanalyse d.d. 8 augustus 2013, vermeldt -zakelijk weergegeven- het volgende:

Op 3 augustus 2013 omstreeks 01:00 uur heb ik, [verbalisant 1], geassisteerd bij de afwikkeling van een verkeersongeval. Bij dit ongeval was betrokken een bestelauto van het merk Citroën Berlingo met kenteken [kenteken]. De bestuurder was [verdachte], geboren op [1994] te [geboorteplaats]. De bestuurder reed over de Smidsdijk te Cothen. Ten gevolge van de aanrijding overleed de bijrijder van de bestelauto. De bestuurder en een passagier, die werd vervoerd in de laadruimte van de bestelauto, raakten ernstig gewond ten gevolge van de aanrijding.2

De Smidsdijk bestond uit één rijbaan bestemd voor verkeer uit beide richtingen. De totale rijbaan was ongeveer 3.0 meter breed.3

De melding van het ongeval vond plaats op 3 augustus 2013 te 00:22 uur. Het ongeval had zeer waarschijnlijk kort voor dat tijdstip plaatsgevonden. Ik zag dat op de plaats van het ongeval straatverlichting aanwezig was. Ik zag dat lichtmasten waren geplaatst in de bocht om deze herkenbaar te maken. Ik zag dat het droog weer was en bij navraag bleek dat de weersomstandigheden ten tijde van het ongeval gelijk waren.4 Ik zag dat het wegdek droog en normaal ingereden was.5 Ik zag dat het spoor in de grasberm eindigde bij de laatste lichtmast.6 Ik zag dat de lichtmast verbogen was en dat er krasschade op de paal was afgetekend. Bij de krassen zag ik dat zwarte rubbersporen waren afgetekend.7 Ik zag dat het slipspoor afboog naar links en overging in een spoor in de linkerberm.8 Ik zag de bestelauto op zijn rechterzijkant in het weiland liggen. Ik zag dat de bestelauto zijdelings tegen een pilaar van een hekwerk tot stilstand was gekomen.9

Op basis van het onderzoek vonden wij geen gebreken in de reminrichting die gelegen konden zijn in de oorzaak dan wel de toedracht van het ongeval. Na het onderzoek werden door ons geen technische bijzonderheden gevonden in de stuurinrichting die gelegen konden zijn in de oorzaak dan wel de toedracht van het ongeval.10 Na het ongeval werden door ons geen technische bijzonderheden aangetroffen waardoor het gaspedaal van de bestelauto zou zijn kunnen blijven hangen.11

Vastgesteld kan worden dat de bestuurder van de bestelauto in de bocht naar rechts in de linkerberm terecht is gekomen om daarna met zijn linkerzijde tegen de daar geplaatste lichtmast te rijden. Bij die aanrijding kantelde de bestelauto op zijn rechterzijkant. Voorbij de lichtmast kwam de bestelauto vervolgens tegen een in de berm geplaatste pilaar van een hekwerk tot stilstand.12

In het proces-verbaal misdrijf artikel 6 WVW d.d. 18 oktober 2013 wordt -zakelijk weergegeven- het volgende geverbaliseerd:

Op 3 augustus 2013 te 02:15 uur heeft de arts [arts] in aanwezigheid van verbalisant [verbalisant 2], bij de verdachte [verdachte] door middel van een venapunctie bloed afgenomen. Verbalisant [verbalisant 2] heeft het bloedmonster gewaarmerkt en verpakt en voorzien van een genummerd en op naam gestelde identiteitszegel met nummer [Nummer]. Het bloedmonster is verzonden naar het NFI te Den Haag.13

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 augustus 2013 vermeldt -zakelijk weergegeven- het volgende:

Op 7 augustus 2013 werd op het NFI ontvangen een bloedblok voorzien van het [Nummer]. Naam bloedgever is [verdachte], geboren op [1994]. Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijke correctie, 1,17 milligram alcohol per milliliter bloed.14

[slachtoffer 2] heeft als getuige -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

Ik ben gisteravond 2 augustus 2013 naar de Trek en Trekkerwerk te Werkhoeven geweest. Omstreeks 23:45 uur wilden [slachtoffer 1] en [verdachte] naar huis. [verdachte] had een Citroën Berlingo bestelauto bij zich en [slachtoffer 1] kon zijn fiets bij hem achterin zetten en meerijden. Ik vroeg of ik ook kon meerijden en mijn fiets achterin kon zetten.15

[verdachte] ging dus rijden en [slachtoffer 1] zat naast hem op de passagiersstoel. Ik ging bij de fietsen in de laadruimte. Ik heb om 00:15 uur nog een foto van mezelf in de laadruimte naar vrienden gestuurd.16

Opeens kreeg ik een klap tegen mijn hoofd. Ik merkte dat de fietsen bovenop mij lagen. Ik kroop naar buiten. Mijn rechter sleutelbeen was gebroken.17

Het proces-verbaal van overlijdensonderzoek en lijkschouw vermeldt -zakelijk weergegeven- het volgende:

Op 3 augustus 2013 te 02:15 uur werd door de lijkschouwer een lijkschouw verricht. Vastgesteld wordt dat [slachtoffer 1] op niet-natuurlijke wijze is overleden als gevolg van een ongeval.18

De geneeskundige verklaring d.d. 3 oktober 2013, opgemaakt door arts P. Tiel Groenesteyn, vermeldt -zakelijk weergegeven- als volgt.

[slachtoffer 2] werd op 3 augustus 2013 onderzocht. Omschrijving van het letsel: Onder meer een gebroken sleutelbeen rechts waarvoor operatie op 13 augustus 2013, geschatte duur genezing ten minste zes maanden.19

Verdachte heeft ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

Ik ben de desbetreffende dag samen met [slachtoffer 1] naar het Trek event gegaan in de auto van het bedrijf. Ik reed vaker in die auto. De weg vanaf het Trek event naar huis is voor mij een bekende weg. Ik reed die weg meerdere keren per week. Ik reed de weg ook wel eens in het donker. De bocht waar het ongeval heeft plaatsgevonden is geen scherpe bocht. Je hoeft daar geen snelheid te minderen. Je kunt daar een tegenligger passeren, maar dan rijd je wel door de berm.20

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair aan hem ten laste gelegde feit.

Vastgesteld kan worden dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 1] is overleden en waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zijn de navolgende omstandigheden, zoals die naar voren zijn gekomen uit voornoemde bewijsmiddelen, van belang.

Het ongeval heeft plaatsgevonden in een bocht van de Smidsdijk te Cothen. Deze dijk betreft een smalle weg van 3.0 meter breed. Aan beide zijden van de weg grenst direct een berm. Het ongeval vond plaats tussen 00:15 uur en 00:22 uur. Het weer was droog. Ten tijde van ongeval was het weliswaar donker, maar ter plaatse brandde de straatverlichting.

Verdachte heeft verklaard dat hij de weg goed kende. Hij reed meerdere keren per week over deze weg, soms ook in het donker.

Bij de verkeersongevallenanalyse zijn geen gebreken aan het voertuig vastgesteld, die een bijdrage hadden kunnen leveren aan het veroorzaken van het verkeersongeval.

De verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en wel in die mate dat het alcoholgehalte in zijn bloed, dat de desbetreffende nacht om 02:15 uur werd afgenomen, 1,17 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg. Dat komt overeen met iets meer dan 500 microgram alcohol per liter per uitgeademde lucht en is ruim tweemaal de wettelijk toegestane hoeveelheid voor ervaren bestuurders. Verdachte was op het moment van het ongeval een beginnend bestuurder als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet. Verdachte had derhalve bijna zes maal meer alcohol gedronken voor het rijden dan hem was toegestaan.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het tijdstip van de dag en het karakter van de weg waar het ongeval heeft plaatsgevonden, kan worden vastgesteld dat extra oplettendheid van verdachte als bestuurder was vereist. Van verdachte had verwacht mogen worden dat hij met deze extra oplettendheid zijn voertuig had bestuurd. Hij zou, als bekende op deze weg, in staat geweest moeten zijn te anticiperen op de bocht die eraan kwam en in de desbetreffende verkeerssituatie het voertuig, waarin hij gewend was te rijden, onder controle te houden. Zijn alcoholgebruik heeft echter aan deze oplettendheid in de weg gestaan en ertoe geleid dat hij onvoldoende voorzichtigheid in acht heeft genomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het gebruik van alcoholhoudende drank het reactievermogen en het waarnemingsvermogen afnemen. Aangenomen mag worden dat zulks zeker het geval is geweest bij een ademalcoholgehalte als het onderhavige.

De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van rijgedrag dat niet voldoet aan datgene wat gemiddeld genomen van een bestuurder zoals verdachte mag worden verwacht. Het gedrag kan worden aangemerkt als onvoorzichtig gedrag dat verwijtbaar is en dat aanmerkelijk is. Daarmee is sprake van schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank merkt op dat de Hoge Raad in een recent arrest, dat ziet op dezelfde casus als een uitspraak waar de raadsman naar heeft verwezen, te weten Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 1 september 2011, LJN BR5890, het oordeel van het Gerechtshof in stand heeft gelaten, welk oordeel ertoe strekte dat alcoholgebruik in combinatie met een verkeersfout leidde tot aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag (HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3105).

De mate van schuld aan het verkeersongeval kan worden afgeleid uit het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval zoals hiervoor weergegeven. Op grond daarvan -en gelet op voornoemde jurisprudentie- is de rechtbank van oordeel dat de verdachte mede als gevolg van de door hem ingenomen alcoholhoudende drank, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

op 3 augustus 2013 te Cothen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto van het merk Citroën Berlingo, kenteken [kenteken], daarmee rijdende over de weg, te weten de Smidsdijk,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank

in en/of nabij, gezien vanuit verdachtes rijrichting, een bocht naar rechts in genoemde weg

- het door hem bestuurde voertuig onvoldoende onder controle heeft gehad en

- niet voldoende rechts heeft gehouden waardoor hij met dat voertuig deels in de voor hem aan de linkerzijde gelegen berm is gaan rijden en

- vervolgens met dat voertuig tegen een lichtmast, die zich in die linker berm bevond, is aangereden of gebotst, waardoor dat voertuig op enig moment is gekanteld en tegen een in de linker berm geplaatste pilaar is aangegleden of gebotst,

waardoor [slachtoffer 1] (bijrijder) is overleden en waardoor [slachtoffer 2] (passagier laadruimte) zwaar lichamelijk letsel (te weten gebroken sleutelbeen) werd toegebracht,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, alsmede tot ontzegging de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft als strafvoorstel gedaan een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uren. Voor wat betreft de ontzegging motorrijtuigen te besturen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten van het LOVS21 adviseren in geval van het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval door een aanmerkelijke verkeersfout een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 6 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 2 jaren. Dit uitgangspunt is lager dan de strafeis van de officier van justitie, die echter is uitgegaan van een zwaardere gradatie van schuld dan de rechtbank bewezen acht. Om die reden zal de rechtbank bij de strafoplegging afwijken van de eis van de officier van justitie.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het al dan niet opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij zijn goede vriend [slachtoffer 1] is overleden en waarbij zijn goede vriend [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een gebroken sleutelbeen. Verdachte en zijn vrienden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren samen op een Trekker Trek event. Tijdens de terugreis naar huis heeft het ongeval plaatsgevonden. Verdachte is in een bocht met zijn voertuig van de weg geraakt en, na te zijn gekanteld bij een botsing met een lichtmast, tegen een pilaar van een hekwerk tot stilstand gekomen.

Verdachte heeft bij het besturen van zijn voertuig niet de voorzichtigheid en oplettendheid betracht die van een verkeersdeelnemer onder de in de bewezen verklaarde omstandigheden mag worden verwacht. Hij verkeerde ten tijde van het veroorzaken van het verkeersongeval onder invloed van alcohol. Over het gebruik van alcohol was van te voren door verdachte en zijn vrienden nagedacht. Verdachte heeft verklaard dat zij de afspraak hadden gemaakt dat ze met de fiets naar huis zouden gaan en dat ze de auto zouden laten staan. De fietsen hadden ze meegenomen in de laadruimte van de bestelbus van verdachte. Ze hadden deze afspraak gemaakt om alcohol te kunnen drinken, hetgeen erop duidt dat verdachte en zijn vrienden zich kennelijk bewust waren van de gevolgen die het rijden onder invloed van alcohol kunnen hebben. Het is tragisch dat ze de gemaakte afspraak uiteindelijk niet hebben nageleefd en dat ze de vreselijke gevolgen hiervan aan den lijve hebben moeten ondervinden. Het leed dat door het ongeval is aangericht aan de nabestaanden en vriendin van [slachtoffer 1] is onherstelbaar. De ouders van [slachtoffer 1] hebben door het voorlezen van de mondelinge slachtofferverklaring ter terechtzitting op bewonderenswaardige wijze verwoord hoe groot het gemis is van hun zoon. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze enorme gevolgen van het door verdachte begane misdrijf.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij zelf ook een goede vriend is verloren en dat hij verder moet leven met de wetenschap dat hij hier schuld aan heeft. Hij is nog jong, maar nu al voor het leven getekend door deze gebeurtenis. Verder houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat uit zijn proceshouding, ook naar de nabestaanden toe, blijkt dat hij inziet dat hij een grote fout heeft begaan. Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie d.d. 2 oktober 2014 niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding in het voordeel van verdachte af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten en te volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met daarnaast een werkstraf voor de duur van 240 uren en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren. De rechtbank is van oordeel dat haar straf recht doet aan de feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden. Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, voorzitter,

mrs. S. Wijna en J.G. van Ommeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 3 augustus 2013 te Cothen (gemeente Wijk bij Duurstede),

althans in het arrondissement Midden-Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten

een personenauto, merk: Citroen Berlingo, kenteken [kenteken]), daarmede

rijdende over de weg, te weten de Smidsdijk,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden doordat hij roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam (terwijl

verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank)

in en/of nabij, gezien verdachtes rijrichting, een bocht naar rechts in

genoemde weg

- het door hem bestuurde voertuig onvoldoende onder controle heeft gehad en/of

- niet voldoende rechts heeft gehouden, waardoor hij met dat voertuig deels in

de voor hem aan de linkerzijde gelegen berm is gaan rijden en/of

- ( vervolgens) met dat voertuig tegen een lichtmast, die zich in die linker

berm bevond, is aangereden of gebotst, waardoor dat voertuig op enig moment

(deels) is gekanteld en tegen een in die linker berm geplaatste pilaar,

althans een hekwerk, is aangegleden of gebotst,

waardoor [slachtoffer 1] (bijrijder) is overleden en/of waardoor [slachtoffer 2]

(passagier laadruimte) zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken

sleutelbeen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht

in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair

hij op of omstreeks 3 augustus 2013 te Cothen (gemeente Wijk bij Duurstede),

althans in het arrondissement Midden-Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk: Citroen

Berlingo, kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij

een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,17 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

en/of

hij op of omstreeks 3 augustus 2013 te Cothen (gemeente Wijk bij Duurstede),

althans in het arrondissement Midden-Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk: Citroen

Berlingo, kenteken [kenteken]), rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, te weten de Smidsdijk,

- het door hem bestuurde voertuig onvoldoende onder controle heeft gehad en/of

- niet voldoende rechts heeft gehouden, waardoor hij met dat voertuig deels in

de voor hem aan de linkerzijde gelegen berm is gaan rijden en/of

- ( vervolgens) met dat voertuig tegen een lichtmast, die zich in die linker

berm bevond, is aangereden of gebotst, waardoor dat voertuig op enig moment

(deels) is gekanteld en tegen een in die linker berm geplaatste pilaar,

althans een hekwerk, is aangegleden of gebotst,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0950-2013235084z bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 37

3 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 40 onderste helft

4 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 41

5 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 42 bovenaan

6 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 43 onder het midden

7 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 44 bovenaan

8 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 45 bovenaan

9 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 47 bovenaan

10 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 52 onderste helft

11 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 53 bovenste gedeelte

12 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2013, pag. 62

13 Proces-verbaal misdrijf artikel 6 WVW opgesteld door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 18 oktober 2013, pag. 78

14 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgesteld door [verbalisant 6], d.d. 13 augustus 2013, pag. 100

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 3 augustus 2013, pag. 25

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 3 augustus 2013, pag. 26 bovenste helft.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 3 augustus 2013, pag. 26 onderste helft.

18 Proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw d.d. 3 augustus 2013, pag. 69

19 De geneeskundige verklaring met betrekking tot [slachtoffer 2], d.d. 3 oktober 2013, opgemaakt door arts P. Tiel Groenesteyn

20 Proces-verbaal van de terechtzitting van 20 november 2014.

21 Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken, laatstelijk bijgewerkt in oktober 2014.