Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:624

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
07.659923-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld en mishandeling op 14 oktober 2013 in Lelystad. Gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk. Werkstraf van 50 uur. Bijzondere voorwaarde o.a. ambulante behandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 07.659923-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ter terechtzitting verklaard te verblijven op [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 3 februari 2014 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. van den Brink en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2013 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in het Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, althans een of meerdere (mobiele) telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte

- (de) telefoon(s) uit de hand(en) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gepakt en/of

- gezegd/geroepen "die telefoons zijn nu van mij", althans woorden van gelijke strekking en/of

- (nadat die [slachtoffer 1] hem had geslagen) op die [slachtoffer 1] afgelopen en/of die [slachtoffer 1] met zijn vingers in de/het o(o)g(en) gestoken, althans geprikt en/of

- met die [slachtoffer 1] geworsteld en/of

- verhinderd dat die [slachtoffer 1] de telefoons kon terugpakken en/of

- (dreigend) tegen die [slachtoffer 1] gezegd "ik ga je steken', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of daarbij (dreigend) zijn hand in zijn zak gestoken (alsof zich daar een mes bevond);

2.

Primair

hij op of omstreeks 14 oktober 2013 te Lelystad, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, althans in het Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met zijn vingers in de ogen gestoken, althans geprikt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 14 oktober 2013 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] met zijn vingers in de ogen gestoken, althans geprikt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 14 oktober 2013 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer 1], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] gezegd "ik ga je steken', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of daarbij (dreigend) zijn hand in zijn zak gestoken (alsof zich daar een mes bevond).

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 17 oktober doen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangifte van diefstal met geweld van hun telefoons. Aangever [slachtoffer 1] verklaart tegenover de politie dat verdachte degene is die hun telefoons heeft wegegnomen. Verdachte wordt op 23 oktober aangehouden en gehoord door de politie. Hij ontkent de diefstal met geweld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde onder 1 en 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het bewijs heeft zij verwezen naar de aangiften en de verklaring van verdachte. Zij heeft vrijspraak gevorderd van het onder 2 primair en het onder 3 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde heeft zij aangegeven dat er geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft zij aangegeven dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is nu er slechts een aangifte is welke niet wordt ondersteund door ander bewijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1, 2 en 3 vrijspraak betoogd. Zij heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er geen sprake is geweest van oogmerk van wederrechtelijke toeëigening op het moment dat de telefoons werden weggenomen. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of op het pijn doen van de ogen van aangever [slachtoffer 1]. Verdachte heeft [slachtoffer 1] weggeduwd tegen zijn gezicht, omdat hij door [slachtoffer 1] werd aangevallen en heeft hierbij per ongeluk in de ogen van [slachtoffer 1] geprikt. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1:

Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben bij de politie verklaard dat zij op 14 oktober 2013 omstreeks 20.30 uur in een fietstunnel te Lelystad stonden te schuilen tegen de regen en stonden te spelen met hun telefoons. Ze zagen een Nederlandse man en een Marokkaanse man aan komen fietsen. De Nederlandse man vroeg of ze wiet wilden kopen. Aangevers zeiden geen interesse te hebben maar op dat moment pakte de Nederlandse man hun telefoons af c.q. griste die uit hun handen en stopte ze in zijn jaszak en wilde samen met de Marokkaanse man wegfietsen. [slachtoffer 2] schreeuwde dat de man de telefoons terug moest geven en hoorde de Nederlandse man zeggen dat de telefoons nu van hem waren.2 [slachtoffer 1] pakte vervolgens zijn fietsslot en sloeg de Nederlandse jongen met het slot op zijn achterhoofd. De Nederlandse jongen liep vervolgens naar [slachtoffer 1] en stak zijn vingers in beide ogen van [slachtoffer 1].3 De Nederlandse jongen dreigde voorts dat hij [slachtoffer 1] ging steken, greep daarbij naar zijn broekzak, maar haalde niets uit zijn broekzak. De Nederlandse man en Marokkaanse man fietsten vervolgens weg. Aangevers fietsten hen nog achterna maar ze verloren hen uit het oog. [slachtoffer 1] verklaarde bij de politie dat hij de Nederlandse man herkent als verdachte.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij aangevers niet kent maar hen op 14 oktober 2013 te Lelystad tegenkwam in de tunnel en slechts een praatje wilde maken. Verdachte mocht de telefoons van aangevers bekijken en kreeg vervolgens vanuit het niets een duw. Op dat moment deed verdachte beide telefoons in één hand en werd hij nog een paar keer geduwd. Vervolgens werd verdachte met een kettingslot op het achterhoofd geslagen door één van de jongens. Verdachte zag dat de jongen nog een keer wilde uithalen en duwde hem weg tegen zijn gezicht. Verdachte stopte de telefoons in zijn jaszak en is weggefietst.4 Tijdens het fietsen is er één telefoon uit zijn jaszak gevallen en de andere telefoon heeft verdachte uit boosheid op de grond kapot gegooid.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld van twee telefoons toebehorende aan aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], door deze telefoons af te pakken c.q. uit hun handen te grissen. Het verweer van de verdediging dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft ontbroken wordt door de rechtbank verworpen. Door de telefoons uit de handen van aangevers te pakken en/of grissen en vervolgens te schreeuwen dat de telefoons nu van hem waren heeft verdachte handelingen gepleegd die naar hun uiterlijke verschijningsvorm diefstal opleveren. Verdachte heeft als heer en meester over andermans telefoons beschikt, uit welk gedrag zijn oogmerk op toeëigening is gebleken. De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting maakt dit niet anders. Overigens acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij de telefoons slechts wilde bekijken en vanwege zijn vlucht voor aangever [slachtoffer 1] de telefoons heeft meegenomen, niet geloofwaardig, In dat geval had het immers voor de hand gelegen dat verdachte, op het moment dat de situatie dreigde te escaleren, de telefoons terug zou hebben gegeven.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder het derde tot en met zesde gedachtestreepje nu dit geweld ziet op de confrontatie die is ontstaan tussen verdachte en aangever [slachtoffer 1] na de diefstal, en naar het oordeel van de rechtbank te ver verwijderd staat van de diefstal. De diefstal was op het moment dat het aldaar beschreven geweld werd gebezigd immers al voltooid en het toegepaste geweld had geen functie in het mogelijk maken van de vlucht of het verzekeren van het bezit van de telefoons, aangezien het werd geuit als reactie op door een van de aangevers gebezigde geweld uit boosheid over de gang van zaken. Het loutere afpakken c.q. het grissen van de telefoons uit de handen van aangevers kwalificeert de rechtbank echter ook als geweld, zij het van een lichte variant, nu dat immers impliceert dat verdachte enige fysieke moeite heeft moeten doen om de heerschappij over de telefoons te verwerven, welke moeite tot pijn of letsel had kunnen leiden.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2:

Aangever heeft verklaard dat verdachte met zijn vingers in de ogen van aangever heeft geprikt waarna hij, aangever, pijn had aan zijn ogen en een bloeduitstorting aan zijn linkeroog. Uit de letselverklaring blijkt dat volgens informatie van de huisarts er sprake was van een oppervlakkige huidwond/schaafwond en soms wazig zien.5

Verdachte heeft verklaard dat hij met een vlakke hand tegen het gezicht van aangever [slachtoffer 1] heeft geduwd en hierbij mogelijk in de ogen van aangever [slachtoffer 1] heeft geprikt.6 De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk, nu de rechtbank in het dossier onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangetroffen die in strijd zijn met deze verklaring.

Uit de verklaring van verdachte blijkt niet dat zijn opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken

Op grond van de aangifte, de verklaring van verdachte en de letselverklaring acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, te weten de mishandeling van [slachtoffer 1]. Daarbij overweegt de rechtbank dat verdachte door met een hand tegen het gezicht van aangever te duwen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze daardoor letsel of pijn zou bekomen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3:

De rechtbank is van oordeel dat het dossier, naast de aangifte van [slachtoffer 1], onvoldoende bewijsmiddelen bevat op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte deze bedreiging heeft geuit. Nu verdachte het ten laste gelegde feit bij de politie en ter zitting heeft ontkend en de verklaring van aangever geen steun vindt in andere bewijsmiddelen, zal de rechtbank verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 14 oktober 2013 te Lelystad, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- de telefoons uit de handen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gepakt en

- gezegd/geroepen "die telefoons zijn nu van mij", althans woorden van gelijke strekking;

2.

Subsidiair

hij op 14 oktober 2013 te Lelystad, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] met zijn vingers in de ogen heeft geprikt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Van het onder 1 en 2 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Voor zover in het bewezen verklaarde taal- en/of schrijffouten voorkomen, heeft de rechtbank die verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Feit 2 subsidiair:

Mishandeling

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten. Het door de raadsvrouw bepleite ontslag van rechtsvervolging als gevolg van noodweer(exces) wordt door de rechtbank niet gehonoreerd, nu de rechtbank de gestelde noodweersituatie niet aannemelijk heeft geacht, op grond van hetgeen boven is overwogen.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling, zoals door de reclassering geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijk straf. Voorts heeft zij verzocht rekening te houden met de eendaadse samenloop.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, op de wijze zoals is bewezenverklaard. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers nog langdurig de psychisch nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarnaast worden door feiten als het onderhavige de in de samenleving in het algemeen bestaande gevoelens van onveiligheid vergroot.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 27 december 2013, waaruit blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten en geweldsdelicten;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 8 januari 2014 van Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd naast een deels voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht en een ambulante behandeling.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Voorts zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden opleggen een meldplicht en een behandelverplichting zoals door de reclassering is geadviseerd. Met deze deels voorwaardelijke straf en de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 764,48.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft primair verzocht de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] af te wijzen danwel niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 764,48, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 300, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 primair en 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 85 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur 50 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 25 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich gedurende een proeftijd van 2 jaar:

* zich zal melden bij Reclassering Nederland te Lelystad, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* onder behandeling zal stellen voor, door middel van een nog uit te voeren diagnostiektraject te benoemen, problematiek, bij forensische psychiatrie De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van de datum waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 764,48 (zegge: zevenhonderdvierenzestig euro en achtenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 14 oktober 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 764,48 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mrs. G. Blomsma en K.G. van de Streek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Veen-Looy, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 25DRL13133, doorgenummerd 1 tot en met 66.

2 Pagina’s 53 en 54.

3 Pagina’s 38 en 39.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting van 3 februari 2014.

5 Pagina 44.

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van 3 februari 2014.