Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6096

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
C-16-363642 - HA ZA 14-159
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeerde partij gedagvaard; geen overeenkomst tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/363642 / HA ZA 14-159

Vonnis van 3 december 2014

in de zaak van

[eiser], handelende onder de naam [A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[beheer] B.V.,

gevestigd te [plaats], gemeente [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Kabalt te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 april 2014, waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    het proces-verbaal van de op 7 oktober 2014 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft onder de naam [eiser] een onderneming die adviseert in gebouwde parkeervoorzieningen. [gedaagde] exploiteert onder de naam [beheer] een parkeervoorziening aan de [adres] te [plaats]. De statutair directeur van [gedaagde], [gedaagde] (hierna: [gedaagde]), is eigenaar van deze parkeervoorziening.

2.2.

Op 15 januari 2013 heeft [eiser] aan [gedaagde] een offerte doen toekomen voor het uitbrengen van een onafhankelijk advies en het opstellen van een rapportage inzake de exploitatiemogelijkheden van de parkeervoorziening van [gedaagde]. In de offerte is als doelstelling van de advisering vermeld het komen tot een vaste huurovereenkomst voor een langere periode van bijvoorbeeld 10 jaar, met optionele verlenging van de periode. De werkzaamheden vallen uiteen in twee delen. Het eerste deel betreft een onderzoek naar de mogelijkheden om te komen tot een optimalisatie van de huurinkomsten en een onderzoek naar het exacte aantal te exploiteren parkeerplaatsen. Het tweede deel is in de offerte als volgt omschreven:

“Na keuze van de opdrachtgever aangaande het huurmodel zal [A] op basis van het gekozen huurmodel een huuraanbieding van een gerenommeerde exploitant voorleggen.

De huuraanbieding omvat een zo hoog mogelijk vaste huurcomponent. Naast deze vaste huurcomponent dient een variabele huur, boven een nader te bepalen omzet drempel, te worden bepaald, waardoor de eigenaar c.q. verhuurder mee- profiteert van extra huurinkomsten.”

Het geoffreerde bedrag voor deel 1 van de werkzaamheden bedraagt € 4.500,00, de werkzaamheden voor deel 2 geschieden op basis van no cure no pay, en wel als volgt:

“In geval van het voorleggen van een onvoorwaardelijke huurovereenkomst bedraagt de vergoeding éénmalig 16% van de jaarlijkse huursom.”

Over de facturering van deel 2 is in de offerte het volgende vastgelegd:

“50% van de facturering vindt plaats direct na het voorleggen van een onvoorwaardelijke huurovereenkomst. De overige 50% na ingebruikname van de parkeervoorziening door de exploitant.”

2.3.

Bij e-mailbericht van 16 januari 2013 heeft [gedaagde] de offerte geaccepteerd. Op dat moment had [gedaagde] betreffende zijn parkeervoorziening de volgende parkeerabonnementen à € 4.000,00 per parkeerplaats per jaar uitgegeven:

  • -

    100 parkeerplaatsen aan De Nederlandsche Bank (DNB) op basis van een huurovereenkomst van een jaar, met jaarlijkse verlenging;

  • -

    10 parkeerplaatsen aan Hotel Notting Hill op basis van een huurovereenkomst van 2011 voor de duur van 5 jaar, met een optie tot verlenging met 5 jaar;

  • -

    18 parkeerplaatsen aan McKinsey op basis van een huurovereenkomst van een jaar, met jaarlijkse verlenging.

2.4.

[eiser] heeft met het rapport ‘Parkeervoorziening [adres] [plaats] Optimalisatie Parkeerexploitatie’ van januari 2013 deel 1 van de opdracht uitgevoerd. [eiser] heeft het daarvoor overeengekomen bedrag van € 4.500,00 exclusief btw aan [gedaagde] gefactureerd en [gedaagde] heeft dat bedrag betaald.

2.5.

In het kader van deel 2 van de opdracht heeft [eiser] een e-mailbericht van InPublic te Rotterdam aan hem van 13 februari 2013 aan [gedaagde] voorgelegd, met onder meer de volgende inhoud:

“Hartelijk dank dat u InPublic heeft benaderd om een indicatieve huuraanbieding uit te brengen voor de parkeergarage gelegen aan de [adres] (115 parkeerplaatsen) in [plaats].

De aanbieding is opgebouwd uit twee componenten, te weten: een vaste huurcomponent en een variabele huurcomponent, (…).

Aan onze indicatieve aanbieding liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag:

(…)

Huuraanbieding

 vaste huurcomponent : € 400.000 excl. BTW per jaar

 variabele omzethuur : 70% van de omzet > € 480.000 excl. BTW per jaar

Huurprognose

Voornoemde huurindicatie levert voor de verhuurder een totale huur van circa € 450.000 (jaar 1) oplopend tot ruim € 575.000 (jaar 10) exclusief BTW op.

Voorwaarden

 de op te stellen overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van steeds 5 jaar (…)

 onderhavige huurvoorstel vormt het uitgangspunt voor een door partijen nader op te stellen huurovereenkomst (…).

Wij hebben de overtuiging u op basis van de locatie-specifieke eigenschappen van parkeergarage [adres] een passend indicatief voorstel te hebben gedaan, waarbij de verhuurder via een variabele huurcomponent optimaal meeprofiteert van omzetten die de verwachtingen overtreffen.”

2.6.

Op 26 februari 2013 heeft er een bespreking plaatsgevonden over deze indicatieve huuraanbieding, waarbij aanwezig waren [eiser], zijn zoon [B], [gedaagde] en [C] en [D] van InPublic. Op 23 mei 2013 heeft er nog een bespreking tussen [eiser] en [gedaagde] plaatsgevonden.

2.7.

Bij factuur van 4 juni 2013 heeft [eiser] de werkzaamheden van deel 2 van de opdracht als volgt aan [gedaagde] in rekening gebracht:

“In geval van het voorleggen van een huurovereenkomst bedraagt de vergoeding éénmalig 16% van de jaarlijkse huursom.

De huurovereenkomst is d.d. 23 mei 2013 met u besproken en d.d. 24 mei 2013 aan u verzonden.

Omschrijving facturering deel 2:

- 50% van de facturering vindt plaats direct na het voorleggen van een huurovereenkomst. De overige 50% na ingebruikname van de parkeervoorziening door de exploitant.

-

Huursom € 514.144,00 X 16% = € 82.263,07 X 50% = € 41.131,53

21% BTW € 8.637,62

Totaal € 49.769,15”

2.8.

Deze factuur is onbetaald gebleven, ondanks een schriftelijke sommatie van de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] van 17 september 2013.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat, te veroordelen om aan hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 59.758,43, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans subsidiair de wettelijke rente, gerekend vanaf 22 januari 2014 over de hoofdsom van € 49.769,15, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

Het bedrag van € 59.758,43 bestaat uit het bedrag van de factuur van 4 juni 2013 ad € 49.769,15, € 7.465,37 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 2.523,91 aan wettelijke rente, berekend tot en met 21 januari 2014.

3.2.

[eiser] stelt daartoe dat [gedaagde] de huuraanbieding van InPublic van 13 februari 2013 heeft aanvaard. Omdat hij aan [gedaagde] een onvoorwaardelijke huurovereenkomst van een gerenommeerde exploitant heeft voorgelegd, is [gedaagde] aan hem ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst 50% van de eenmalige vergoeding ter hoogte van 16% van de jaarlijkse huursom verschuldigd vanaf het moment waarop hij aan haar de onvoorwaardelijke huurovereenkomst heeft overgelegd. Hij heeft ondanks aanmaning en sommatie geen betaling van [gedaagde] kunnen verkrijgen, zodat hij zich genoodzaakt heeft gezien de vordering ter incasso uit handen te geven. Hij maakt aanspraak op vergoeding van die kosten. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij die vordering uitsluitend baseert op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Verder maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, te rekenen vanaf de vervaldatum van de factuur.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Daartoe voert zij primair aan dat [eiser] de verkeerde partij in rechte heeft betrokken. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met [eiser] was [gedaagde] in persoon en niet [gedaagde] eigenaar van de parkeervoorziening aan de [adres] te [plaats]. Het is dan ook [gedaagde] die in persoon heeft gecontracteerd met [eiser].

4.2.

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat aan de voorwaarde(n) voor vergoeding van de werkzaamheden van [eiser] niet is voldaan c.q. het resultaat niet is bereikt. [eiser] heeft zelfs nadat [gedaagde] tijdens de gesprekken van 26 februari en 23 mei 2013 heeft aangegeven de keuze te willen kunnen maken uit verschillende huurmodellen, die mogelijkheid niet geboden. Evenmin is een onvoorwaardelijke huurovereenkomst voorgelegd. Op 19 maart 2013 is weliswaar door InPublic een intentieovereenkomst toegezonden, maar ook deze intentieovereenkomst kan niet worden gekwalificeerd als een (voorgelegde) onvoorwaardelijke huurovereenkomst. Voorts is duidelijkheid uitgebleven over de ‘goedheid’ c.q. solvabiliteit van InPublic. Tot slot omvat de huuraanbieding van InPublic volgens [gedaagde] niet een zo hoog mogelijke vaste huurcomponent. Dit was voor [gedaagde] een belangrijk, zo niet doorslaggevend argument in verband met de financiering van de parkeervoorziening. De vaste huurcomponent op basis van het indicatieve voorstel is lager dan de vaste huur die [gedaagde] reeds ontvangt via de bestaande huurovereenkomsten (€ 400.000,00 versus € 460.000,00), terwijl ook de gegeven totale huurprognose (deels variabel/deels vast) voor het eerste jaar lager is dan de huur die reeds wordt gegenereerd (€ 450.000,00 versus € 460.000,00).

4.3.

Meer subsidiair betwist [gedaagde] de omvang van het gefactureerde bedrag.

Uiterst subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat zij niet in verzuim verkeert, zodat de resterende vorderingen moeten worden afgewezen. De factuur is immers niet aan haar gericht, maar aan [gedaagde] in persoon. Tot slot betwist [gedaagde] de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. Ten aanzien van de proceskosten licht [gedaagde] toe dat [eiser] een vordering heeft ingesteld op feiten en omstandigheden waarvan [eiser] wist dat die onjuist waren. [eiser] heeft bewust stukken achtergehouden, zoals de als productie 5 en 6 door haar, [gedaagde], overgelegde e-mailberichten. [eiser] heeft, door op deze wijze misbruik van procesrecht te maken, onrechtmatig jegens haar gehandeld, als gevolg waarvan zij schade lijdt. [gedaagde] verzoekt de rechtbank daarom bij de bepaling van de proceskosten ermee rekening te houden dat haar advocaatkosten niet (volledig) worden gedekt door de standaardproceskostenveroordeling. Haar werkelijke kosten bedragen tot het moment van de conclusie van antwoord € 2.850,81 en worden door haar in totaal (inclusief een eventuele comparitie) begroot op € 4.000,00.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat [eiser] de verkeerde partij in rechte heeft betrokken. [gedaagde] is immers eigenaar van de parkeervoorziening, de offerte van [eiser] van 15 januari 2013 is aan [gedaagde] gericht, [gedaagde] is als opdrachtgever in het door [eiser] opgestelde rapport ‘Parkeervoorziening [adres] [plaats] Optimalisatie Parkeerexploitatie’ vermeld, de facturen voor de beide delen van de opdracht zijn aan [gedaagde] gezonden en de factuur voor het eerste deel van de opdracht is door [gedaagde] betaald. Verder heeft [gedaagde] onweersproken ter zitting verklaard dat alle bestaande huurcontracten van parkeerplaatsen in de parkeervoorziening op zijn naam staan. [eiser] kan dus niet worden gevolgd in haar stelling dat [gedaagde] steeds namens [beheer] is opgetreden. Weliswaar heeft [gedaagde] in een e-mailbericht van 16 januari 2013 de offerte van [eiser] geaccepteerd met vermelding van de naam [beheer], maar de rechtbank acht dit, gelet op alle andere omstandigheden, niet doorslaggevend. [beheer] is ‘enkel’ de exploitant van de parkeervoorziening. Voorts acht de rechtbank in dit verband van ondergeschikt belang dat [gedaagde] zijn bedrijfsactiviteiten uitoefent vanaf zijn zakenadres in plaats van vanaf zijn privéadres. Dat enkele feit maakt immers niet dat een op dat zakenadres gevestigde andere (rechts)persoon dient te worden aangemerkt als contractspartij. [eiser] moet daarom in haar vordering tegen [beheer] niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat, indien [beheer] wel de contractspartij van [eiser] was geweest, de vordering zou moeten worden afgewezen. Een van de voorwaarden voor het verschuldigd worden van een vergoeding voor de werkzaamheden van deel 2 van de opdracht is immers het voorleggen van een onvoorwaardelijke huurovereenkomst. Een dergelijke huurovereenkomst is niet voorgelegd. De indicatieve huuraanbieding van InPublic is naar haar aard niet meer dan een aanbieding. Niet gebleken is dat die door [gedaagde] is aanvaard, in die zin dat daaruit verbintenissen voor hem voortvloeiden zoals die gelden bij een onvoorwaardelijke huurovereenkomst. Daarnaast strookt met de stelling van [eiser] dat er een onvoorwaardelijke huurovereenkomst tot stand is gekomen, niet dat er na de bespreking op 26 februari 2013 door InPublic aan [gedaagde] een intentieovereenkomst is toegezonden. Geen van partijen heeft deze intentieovereenkomst in deze procedure overgelegd, maar [beheer] heeft deze in haar conclusie van antwoord onweersproken geciteerd. In dat citaat is vermeld dat partijen op exclusieve basis met elkaar wensen samen te werken met onder meer als doel het komen tot een huurovereenkomst met als basis de aanbieding van InPublic van 13 februari 2013. Ook daaruit blijkt dat er nog geen onvoorwaardelijke huurovereenkomst tot stand was gekomen, nog afgezien van het feit dat deze intentieovereenkomst kennelijk niet door [gedaagde] is ondertekend of anderszins door hem is aanvaard. Ook overigens valt uit het procesdossier niet af te leiden dat er een onvoorwaardelijke huurovereenkomst tot stand is gekomen. Het voorgaande betekent dat niet voldaan is aan een voorwaarde voor het door [gedaagde] verschuldigd worden van een vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser] van deel 2 van de opdracht. [gedaagde] is daarvoor derhalve geen vergoeding verschuldigd geworden.

5.3.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet in de door [beheer] gestelde omstandigheden onvoldoende aanleiding om in dit geval af te wijken van de gebruikelijke forfaitaire kostenvergoeding. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.892,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

totaal € 3.680,00.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart [eiser] in haar vordering tegen [gedaagde] niet-ontvankelijk,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.680,00,

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.1

1 type: GB (4333)coll: ASP