Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:6077

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
16/705596-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte op 9 augustus 2014 in Wijk bij Duurstede samen met anderen heeft geprobeerd een 66-jarig slachtoffer bij zijn woning te overvallen. Verdachte en zijn mededaders hadden tevoren het plan voor de beroving gemaakt. Zij hebben aangever zeer vroeg in de ochtend op diens erf bij zijn woning opgewacht en hebben hem vervolgens van achteren aangevallen. Het betreft een geplande en laffe actie, waarbij de daders niet hebben stilgestaan bij de gevolgen van deze gebeurtenis voor het slachtoffer.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een beroep op vrijwillige terugtred toekomt, nu hij, nadat de aangever door een van de medeverdachten achterover werd getrokken, besloot weg te rennen.

De rechtbank acht het meest aannemelijk dat verdachte’s beslissing om weg te rennen werd genomen nadat het slachtoffer op de grond lag en zich verzette tegen de medeverdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is het deze omstandigheid die de beslissing om weg te gaan in overwegende mate heeft bepaald. Dit is een omstandigheid buiten de dader zelf gelegen. Verdachte komt een beroep op vrijwillige terugtred dan ook niet toe.

De rechtbank acht een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/705596-14 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 25 november 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen heeft geprobeerd met geweld een persoon te beroven en/of af te persen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot een woningoverval en dat verdachte en de medeverdachten daarbij gebruik hebben gemaakt van een rol tape en een houten steel. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte en de medeverdachten gebruik hebben gemaakt van een mes.

De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op vrijwillige terugtred toekomt, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte niet dient te worden veroordeeld, althans niet strafbaar dient te worden verklaard, aangezien hij zich uit vrije wil aan het voorval onttrokken heeft en derhalve geen strafbaar begin van uitvoering heeft gegeven aan het tenlastegelegde, een en ander zoals weergegeven in de ter terechtzitting door de raadsman overgelegde pleitnota.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

De aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 9 augustus 2014 vanuit zijn woning naar zijn auto is gelopen die aan de zijkant van de woning op het terrein van de aangever geparkeerd stond. Voorts heeft de aangever verklaard dat hij, nadat hij de achterklep van zijn auto had geopend, voelde dat hij door een persoon van achteren werd gepakt en achterover op de grond werd getrokken en dat hij hierdoor op de grond viel en dat hij vervolgens heel wild heeft gesparteld om zichzelf los te krijgen uit de armen van die persoon.2 Ook heeft de aangever verklaard dat deze persoon op een gegeven moment boven op zijn buik zat. De aangever heeft vervolgens verklaard dat de persoon hem op een gegeven moment losliet, opstond en wegrende. Hij zag de drie verdachten wegrennen vanaf het grind naar de kippenwei.3

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte achter de auto van aangever is gaan zitten en heeft gewacht tot de aangever zijn woning uit kwam en dat medeverdachte [medeverdachte 2] daar een schuur is ingegaan. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat ze aangever aan zagen komen lopen in de richting van zijn auto en dat hij de aangever op het moment dat hij de kofferbak van zijn auto opendeed van achteren heeft beetgepakt en op de grond heeft gegooid. Ook heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat het de bedoeling was dat verdachte aangever vervolgens meteen zou tapen. Medeverdachte [medeverdachte 2] stond te zwaaien met een stok.4 Verder heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat beide medeverdachten al aan het wegrennen waren omdat aangever begon te schreeuwen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning van de aangever is gegaan en dat het de bedoeling was dat ze de aangever gingen overvallen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij met een rol tape in zijn hand achter de auto van de aangever heeft gewacht tot de aangever zijn woning verliet.5

Begin van uitvoering

Door de verdediging is bepleit dat, doordat verdachte zich heeft onttrokken aan het voorval, er geen sprake is van een strafbaar begin van uitvoering.

De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedrieën in de vroege morgen naar de woning van de aangever zijn gegaan en diens erf hebben betreden. Verdachte wist, in ieder geval kort voordat zij het erf van het slachtoffer op gingen, dat het plan was om het slachtoffer te overvallen. Het plan was dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aangever ‘zouden pakken’ en dat medeverdachte [medeverdachte 2] geld zou gaan pakken. Verdachte had een rol tape bij zich en de medeverdachte [medeverdachte 2] een houten steel. Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben zich verstopt achter de auto van de aangever, die naast de woning stond geparkeerd. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zich verstopt in de schuur. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat verdachte, nadat hij de aangever had beetgepakt, de aangever zou tapen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben een tijdje gewacht achter de auto en in de schuur, totdat aangever naar buiten kwam en naar zijn auto liep en de kofferbak opende. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft toen de aangever van achteren beetgepakt en op de grond gegooid.

Deze gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, nu zij naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het misdrijf. Nu het voornemen van verdachte en de medeverdachten zich door dit begin van uitvoering heeft geopenbaard is aldus sprake van een strafbare poging tot misdrijf. Gelet op het gezamenlijke plan en de bewuste en nauwe samenwerking is er sprake van medeplegen van de strafbare poging.

Conclusie

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd [aangever] bij zijn woning te overvallen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 9 augustus 2014 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen van zijn gading en geld, toebehorende aan [aangever]

tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders

- voorzien van een rol tape en een houten steel naar de woning van die [aangever] gegaan en die [aangever] aldaar opgewacht totdat die [aangever] zijn woning verliet (teneinde naar zijn werk te gaan) en

- die [aangever] (nadat hij zijn woning had verlaten en de achterklep van de bij zijn woning geparkeerd staande auto had geopend) van achteren aangevallen en achterover getrokken waardoor die [aangever] op de grond terecht is gekomen en

- terwijl die [aangever] op de grond lag bovenop de buik van die [aangever] gaan zitten,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Poging tot diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een beroep op vrijwillige terugtred toekomt, nu hij, nadat de aangever door een van de medeverdachten achterover werd getrokken, besloot weg te rennen.

De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van een beroep op vrijwillige terugtred bepalend is het antwoord op de vraag of deze terugtred het gevolg was van een spontane besluitvorming of dat deze plaatsvond onder invloed van uitwendige prikkels.

Artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht luidt: “voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk”. Het gaat er om dat men uit eigen beweging niet verdergaat, zonder dat omstandigheden buiten de dader zelf gelegen die beslissing in overwegende mate hebben bepaald. Van buiten komende factoren, die mede ertoe hebben geleid dat het misdrijf niet is voltooid, behoeven niet aan een vrijwillige terugtred in de weg te staan. De beantwoording van die vraag hangt, mede gelet op de aard van het delict, af van de concrete omstandigheden van het geval.

Het betreft, zoals de rechtbank hierboven heeft vastgesteld, het medeplegen van een strafbare poging tot beroving. Er was sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. In de aanloop naar het daadwerkelijk vastpakken van de aangever en hem naar de grond werken, hebben de drie verdachten relatief lang de tijd gehad om zich over het plan te bezinnen. Immers is verdachte samen met de medeverdachten in de auto tot in de nabijheid van het erf van aangever gereden, zijn ze gezamenlijk in alle vroegte het erf van aangever opgelopen en hebben zich, in afwachting van de komst van het beoogde slachtoffer, verstopt. Verdachte is, voorzien van een rol tape, samen met een medeverdachte achter de auto van het slachtoffer gaan wachten, de derde medeverdachte in een schuur. Het heeft een tijdje geduurd voordat aangever naar buiten kwam en naar zijn auto liep en de kofferbak opende. Al die tijd is niemand van de drie verdachten terug gekomen op de plannen maar hebben ze elkaar met hun aanwezigheid gesteund en gesterkt in hun voornemen om gezamenlijk de aangever te beroven. Daarvoor waren nadrukkelijk drie personen nodig; verdachte is relatief kort tevoren als derde persoon benaderd nadat een ander had gezegd niet mee te willen doen. Verdachte is met zijn medeverdachten, in ieder geval enkele minuten, blijven wachten totdat zijn mededader aangever op de grond trok.

Kort daarna rennen uiteindelijk alle drie de verdachten weg.

Wat precies de volgorde is van wat er gebeurd is nadat aangever door de medeverdachte wordt vastgepakt is moeilijk vast te stellen. Aangever stribbelt tegen, verzet zich, schreeuwt. Hij wordt niet getaped en de drie verdachten rennen op enig moment weg, medeverdachte [medeverdachte 1] als laatste. Over de reden van het wegrennen heeft verdachte verklaard dat hij niet meer wilde meedoen met de beroving toen medeverdachte [medeverdachte 1] op aangever sprong en hij zag dat het een oude man betrof. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij ziet dat de medeverdachten wegrennen als aangever begint te schreeuwen.

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, het meest aannemelijk dat verdachte’s beslissing om weg te rennen werd genomen nadat aangever op de grond lag en zich verzette tegen de medeverdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is het deze omstandigheid die de beslissing om weg te gaan in overwegende mate heeft bepaald. Dit is een omstandigheid buiten de dader zelf gelegen. Verdachte komt een beroep op vrijwillige terugtred dan ook niet toe.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien eventueel op te leggen straffen en/of maatregelen geen standpunt ingenomen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat -mocht de rechtbank tot een veroordeling komen- bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden dient te worden met het geringe aandeel van verdachte en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verder is de verdediging van mening dat een voorwaardelijke (taak)straf dan passend en geboden is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen het toen 66-jarige slachtoffer bij diens woning met geweld geprobeerd te beroven. Verdachte en zijn mededaders hadden tevoren het plan voor de beroving gemaakt. Zij hebben aangever zeer vroeg in de ochtend op diens erf bij zijn woning opgewacht en hebben hem vervolgens van achteren aangevallen. Het betreft een geplande en laffe actie, waarbij de daders niet hebben stilgestaan bij de gevolgen van deze gebeurtenis voor het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat gewelddadige berovingen, al helemaal als dit op eigen terrein bij de woning gebeurt, langdurige psychische schade bij de slachtoffers aan kunnen richten en dat dergelijke feiten de gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroten. Deze gebeurtenis heeft een grote impact gehad op het slachtoffer, hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van het slachtoffer die ter terechtzitting van 11 november 2014 is voorgelezen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 september 2014, waaruit blijkt dat aan verdachte één keer eerder straf is opgelegd, hetgeen verdachte er niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 15 augustus 2014, waaruit onder meer blijkt dat verdachte een redelijk stabiel leven lijkt te leiden, er geen sprake is schulden, verslavings- of psychische problematiek en het recidiverisico laag wordt ingeschat.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte pas kort voor het gebeuren bij het plan betrokken is geraakt, dat hij zichzelf uiteindelijk- heeft gemeld bij de politie en dat hij openheid van zaken heeft gegeven. Ook neemt de rechtbank aan dat verdachte veel spijt heeft van hetgeen is voorgevallen. In het kader van schorsingsvoorwaarden heeft verdachte reclasseringsbegeleiding opgelegd gekregen en is hem elektronische controle opgelegd. Gedurende deze reclasseringsbegeleiding heeft verdachte er blijk van gegeven de impact van zijn handelen op het slachtoffer te begrijpen en is gebleken dat het op hem ook grote impact heeft gehad.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 2.216,66, in verband met door het tenlastegelegde geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarvan € 716,66 in verband met geleden materiële schade en € 1.500,- in verband met geleden immateriële schade.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk dient te worden toegewezen, met uitzondering van de schade aan de buitenverlichting, aangezien niet blijkt dat dit een rechtstreeks gevolg is van het tenlastegelegde feit. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering van de benadeelde partij in deze zaak niet kan worden toegewezen, aangezien de feitelijkheden niet door verdachte zijn uitgevoerd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 2.024,66, te weten € 524,66 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade. De rechtbank acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.

De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 9 augustus 2014.

De door de benadeelde partij opgegeven schade ten aanzien van de buitenverlichting, begroot op € 192,-, is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreekse schade van het bewezen geachte feit. Daarom is de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank bepalen dat voor zover het toegekende bedrag door één of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens eveneens hoofdelijk- de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 2.024,66 (tweeduizend vierentwintig euro en zesenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij, € 2.024,66 (tweeduizend vierentwintig euro en zesenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening aan de Staat te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 30 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalings-verplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, mrs. M.A.E. Somsen en A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te [woonplaats], althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of

zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen goederen van hun/zijn geding en/of geld, geheel of

ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),

en/of

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te [woonplaats], althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of

zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met

geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van goederen van hun/zijn

gading en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en / of zijn mededader(s),

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn

mededader(s)

- voorzien van een mes en/of (een rol) tape en/of een houten steel en/of naar

de woning van die [aangever] gegaan en/of die [aangever] aldaar opgewacht

totdat die [aangever] zijn woning verliet (teneinde naar zijn werk te gaan)

en/of

- die [aangever] (nadat hij zijn woning had verlaten en de achterklep van de

bij zijn woning geparkeerd staande auto had geopend) die [aangever] (van

achteren) aangevallen en/of achterover getrokken waardoor die [aangever] op

de grond terecht is gekomen en/of

- ( terwijl die [aangever] op de grond lag) bovenop (de buik van) die

[aangever] gaan zitten en/of naar de arm(en) van die [aangever] gegrepen

(teneinde die [aangever] te kunnen overmeesteren),

zijnde de uitvoering van die/dat voorgenomen misdrijven/misdrijf niet voltooid;

art 317 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij telkens verwezen naar de bijlagen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van de politie Midden Nederland met nummers PL0900-2014219230 van 11 augustus 2014, PL0900-2014219230 A van 14 augustus 2014, PL0900-2014219230 B van 18 augustus 2014 en PL0900-2014219230 van 27 september 2014, doorgenummerde pagina's 1 tot en met 352.

2 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 24.

3 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 25.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde pagina 75.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van 11 november 2014.